Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-22
ECLI:NL:GHARL:2026:2425
Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000734-24 Uitspraakdatum: 22 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 12 februari 2024 met parketnummer 84-190325-22 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1975 in [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Hoger beroep Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. Onderzoek van de zaak Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van zitting van het hof van 8 april 2026 en wat er op de zittingen bij de rechtbank besproken is. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd: bewezenverklaring van het tenlastegelegde veroordeling tot een taakstraf van 100 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. G.G. Compagner, hebben aangevoerd. Ontvankelijkheid in hoger beroep De economische politierechter heeft verdachte bij vonnis van 12 februari 2024 vrijgesproken van de laatste 2 van de 5 tenlastegelegde aandachtsstreepjes (overtredingen van de artikelen 3.14, eerste lid, en 3.17, eerste lid, van het Besluit houders van dieren). Het hof is van oordeel dat deze vrijspraken deelvrijspraken zijn, nu aan verdachte per aandachtsstreepje een ander artikel van het Besluit houders van dieren en daarmee telkens een ander verwijt is tenlastegelegd. Verdachte heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is daarmee ook gericht tegen de vrijspraken. Gelet op artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Voor zover het hoger beroep van verdachte is gericht tegen de hiervoor bedoelde deelvrijspraken, zal het hof haar niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep. Alles wat hierna wordt overwogen en beslist heeft alleen betrekking op dat gedeelte van het vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Het vonnis De economische politierechter heeft, voor zover in hoger beroep van belang, bij vonnis van 12 februari 2024: het tenlastegelegde - met uitzondering van de twee laatste aandachtsstreepjes - bewezenverklaard; verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Het hof komt in dit arrest, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, tot een andere beslissing over het bewijs dan de economische politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. Het hof vernietigt het vonnis daarom en doet opnieuw recht. Tenlastelegging Aan verdachte is, voor zover in hoger beroep van belang, ten laste gelegd dat: zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 16 februari 2022 in de gemeente Hoogeveen, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, bedrijfsmatig gezelschapsdieren, te weten honden en/of puppy’s, heeft/hebben verkocht en/of ten verkoop in voorraad heeft/hebben gehouden en/of heeft/hebben afgeleverd en/of heeft/hebben gehouden ten behoeve van opvang en/of heeft/hebben gefokt ten behoeve van de verkoop en/of aflevering van nakomingen, terwijl daarbij niet werd voldaan aan één of meerdere bepalingen in Paragraaf 2 van Hoofdstuk 3 van het Besluit houders van dieren, immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader(s): in strijd met artikel 3.7, eerste lid en/of 3.8, eerste lid van het Besluit houders van dieren, als degene(n) of als beheerder(s) onder wiens verantwoordelijkheid één of meer activiteiten als bedoeld in artikel 3.6 van voornoem