Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-21
ECLI:NL:GHARL:2026:2398
Civiel recht
Hoger beroep
14,333 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2398 text/xml public 2026-05-19T17:00:13 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-21 200.354.417 Uitspraak Hoger beroep NL Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2398 text/html public 2026-05-06T09:33:18 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2398 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 21-04-2026 / 200.354.417 Artikelen 6:74 en 217 BW, artikel 150 Rv. Geschil tussen een projectleider/tussenpersoon en een meubelstoffeerder over drie projecten met betrekking tot de inrichting van horecabedrijven. De projectleider/tussenpersoon vindt dat de meubelstoffeerder zijn verplichtingen niet naar behoren is nagekomen en vordert daarom schadevergoeding. Het hof oordeelt over één project dat niet kan worden vastgesteld dat partijen daarover een overeenkomst zijn aangegaan. Het hof stelt over de andere twee projecten vast dat de projectleider/tussenpersoon niet voldoende heeft gespecificeerd en onderbouwd (i) op welke manier de meubelstoffeerder is tekortgeschoten en (ii) dat de meubelstoffeerder in gebreke is gesteld. Het hof oordeelt, in navolging van de rechtbank, dat de projectleider/tussenpersoon een aantal facturen van de meubelstoffeerder moet betalen. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.354.417 zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem 439575 arrest van 21 april 2026 Handelsonderneming Goesten en Goesten v.o.f., h.o.d.n. Goesten en Goesten Horeca & Projectinrichting die is gevestigd in Ammerzoden hierna: Goesten advocaat: mr. J. Meerman tegen 1 Inter Line v.o.f. die is gevestigd in Wijchen 2. [geïntimeerde2] 3. [geïntimeerde3] 4. [geïntimeerde4] die wonen in [woonplaats] hierna samen: Inter Line c.s. en ieder afzonderlijk: Inter Line, [geïntimeerde2] , [geïntimeerde3] en [geïntimeerde4] advocaat: mr. J.P. Hoegee 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. Goesten heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de rechtbank) op 26 februari 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep de memorie van grieven de memorie van antwoord het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 25 februari 2026 is gehouden. 1.2. Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen. 2 De kern van de zaak 2.1. Goesten richt zich op de inrichting en aankleding van (horeca)bedrijven, waarbij zij voor de uitvoering van deze werkzaamheden derden inschakelt. Inter Line houdt zich bezig met het maken van rompen voor bankstellen en het stofferen van banken en stoelen. Goesten heeft in 2023 en 2024 Inter Line ingeschakeld voor een aantal projecten, maar vindt dat Inter Line bij drie projecten haar verplichtingen niet is nagekomen en dat Inter Line daarom schade moet vergoeden. 2.2. Goesten heeft bij de rechtbank gevorderd dat Inter Line de schade van Goesten vergoedt, die zij begroot op € 121.334,-- (verhoogd met rente en kosten) en een nader vast te stellen bedrag. Inter Line heeft bij de rechtbank gevorderd dat Goesten haar onbetaalde facturen van in totaal € 36.220,65 (verhoogd met rente en kosten) alsnog betaalt. 2.3. De rechtbank heeft de vorderingen van Goesten afgewezen en heeft de vordering van Inter Line toegewezen, met veroordeling van Goesten in de proceskosten. De bedoeling van het hoger beroep van Goesten is dat haar vorderingen alsnog worden toegewezen en de vordering van Inter Line alsnog wordt afgewezen. 2.4. Het hof laat het vonnis van de rechtbank in stand en legt hierna uit hoe het tot die beslissing is gekomen. 3 De toelichting op de beslissing van het hof 3.1. Het gaat in deze procedure om drie projecten, de inrichting van de restaurants Gayo in Amsterdam, Neuf in Zandvoort en The Siren in Amsterdam. Het hof zal deze drie projecten hierna afzonderlijk bespreken. Het hof gaat daarbij uit van de feiten die de rechtbank over deze projecten – met name over The Siren en Neuf - heeft vastgesteld in het vonnis van 26 februari 2025 (onderdelen 2.1. tot en met 2.7.) en de aanvullende feiten die het hof hierna vaststelt. Project Gayo 3.2. Goesten baseert haar vordering wat betreft Gayo op de stelling dat tussen haar en Inter Line een overeenkomst is tot stand gekomen en dat Inter Line haar verplichtingen op grond van die overeenkomst niet is nagekomen. Inter Line heeft gemotiveerd betwist dat zij met Goesten een overeenkomst over dit project is aangegaan. De rechtbank heeft overwogen dat Goesten, gezien die gemotiveerde betwisting door Inter Line, onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is geweest van een overeenkomst tussen partijen over dit project. 3.3. Goesten voert in hoger beroep als bezwaar tegen deze beoordeling door de rechtbank aan dat de door Goesten ingebrachte correspondentie bevestigt dat sprake was van een overeenkomst tussen haar en Inter Line over dit project. 3.4. Op Goesten rusten volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en bewijslast van de feiten waaruit kan worden afgeleid dat zij met Inter Line een overeenkomst is aangegaan over de bekleding van meubels voor de inrichting van Gayo en dat Inter Line is tekortgeschoten in haar verplichtingen op grond van die overeenkomst. 3.5. Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden, maar kunnen ook blijken uit gedragingen van partijen. Of een overeenkomst tot stand is gekomen, hangt af van wat partijen over en weer hebben gedaan en verklaard en zij uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden. Beslissend is of partijen over de essentialia (de hoofdbestanddelen) van de overeenkomst overeenstemming hebben bereikt. 3.6. Naar het oordeel van het hof kan op basis van de door Goesten ingenomen stellingen en door haar in het geding gebrachte stukken niet worden vastgesteld dat zij en Inter Line een overeenkomst zijn aangegaan over de bekleding van meubels voor de inrichting van Gayo. Uit de door Goesten in het hoger beroep ingebrachte correspondentie met Inter Line uit de periode maart-april 2024 blijkt niet dat sprake was van wilsovereenstemming tussen partijen over de essentialia van zo een overeenkomst. Het hof neemt daarbij het volgende in overweging. 3.7. Tijdens de zitting in hoger beroep is aan de orde gekomen dat Goesten en Inter Line zes of zeven maanden op projectbasis hebben samengewerkt en dat het in die periode ging om ongeveer tien tot vijftien projecten. [persoon1] verklaarde tijdens die zitting over de gebruikelijke gang van zaken bij het aangaan van die overeenkomsten: “ We vragen om een offerte, vervolgens om de prijslijst en als wij dachten dat de levertijd voldeed dan stuurden we een mail met de inkooporder. We willen altijd een bevestiging ontvangen, maar die is er niet altijd geweest. We verwerken een offerteaanvraag naar een order. Als het te duur is, kiezen we voor een andere leverancier. Daarna willen we de factuur en dan mogen we leveren ”. 3.8. De heer [geïntimeerde4] verklaarde namens Inter Line tijdens die zitting hierover het volgende: “ Voor het ene project moeten we iets ontwerpen en moeten we eerst werk doen voordat we de offerte kunnen opmaken. Dat was bijvoorbeeld het geval bij Gayo en The Siren. We hebben echter ook projecten die snel geregeld zijn. Dan is Goesten vaak al bekend met de prijzen. We werken met standaard prijslijsten en prijsmodellen. We kunnen van alles maken. Als het een makkelijke bank is, is Goesten ongeveer op de hoogte de prijzen. Gaat het om een moeilijke bank, zoals bij The Siren of Gayo, dan duurt het even voordat de offerte opgemaakt is. (vraag voorzitter:) Kunt u de opbouw van een groot project in korte stappen beschrijven? [geïntimeerde4] : Eerst ontvangen we een project. Dan controleren we dat ter plekke. (vraag voorzitter:) Het ontvangen van een project houdt in dat er een verzoek is binnengekomen van Goesten? [geïntimeerde4] : Ja. Daarna beginnen we met inmeten. We kijken hoe groot de bank moet worden.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2398 text/xml public 2026-05-19T17:00:13 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-21 200.354.417 Uitspraak Hoger beroep NL Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2398 text/html public 2026-05-06T09:33:18 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2398 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 21-04-2026 / 200.354.417 Artikelen 6:74 en 217 BW, artikel 150 Rv. Geschil tussen een projectleider/tussenpersoon en een meubelstoffeerder over drie projecten met betrekking tot de inrichting van horecabedrijven. De projectleider/tussenpersoon vindt dat de meubelstoffeerder zijn verplichtingen niet naar behoren is nagekomen en vordert daarom schadevergoeding. Het hof oordeelt over één project dat niet kan worden vastgesteld dat partijen daarover een overeenkomst zijn aangegaan. Het hof stelt over de andere twee projecten vast dat de projectleider/tussenpersoon niet voldoende heeft gespecificeerd en onderbouwd (i) op welke manier de meubelstoffeerder is tekortgeschoten en (ii) dat de meubelstoffeerder in gebreke is gesteld. Het hof oordeelt, in navolging van de rechtbank, dat de projectleider/tussenpersoon een aantal facturen van de meubelstoffeerder moet betalen. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.354.417 zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem 439575 arrest van 21 april 2026 Handelsonderneming Goesten en Goesten v.o.f., h.o.d.n. Goesten en Goesten Horeca & Projectinrichting die is gevestigd in Ammerzoden hierna: Goesten advocaat: mr. J. Meerman tegen 1 Inter Line v.o.f. die is gevestigd in Wijchen 2. [geïntimeerde2] 3. [geïntimeerde3] 4. [geïntimeerde4] die wonen in [woonplaats] hierna samen: Inter Line c.s. en ieder afzonderlijk: Inter Line, [geïntimeerde2] , [geïntimeerde3] en [geïntimeerde4] advocaat: mr. J.P. Hoegee 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. Goesten heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de rechtbank) op 26 februari 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep de memorie van grieven de memorie van antwoord het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 25 februari 2026 is gehouden. 1.2. Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen. 2 De kern van de zaak 2.1. Goesten richt zich op de inrichting en aankleding van (horeca)bedrijven, waarbij zij voor de uitvoering van deze werkzaamheden derden inschakelt. Inter Line houdt zich bezig met het maken van rompen voor bankstellen en het stofferen van banken en stoelen. Goesten heeft in 2023 en 2024 Inter Line ingeschakeld voor een aantal projecten, maar vindt dat Inter Line bij drie projecten haar verplichtingen niet is nagekomen en dat Inter Line daarom schade moet vergoeden. 2.2. Goesten heeft bij de rechtbank gevorderd dat Inter Line de schade van Goesten vergoedt, die zij begroot op € 121.334,-- (verhoogd met rente en kosten) en een nader vast te stellen bedrag. Inter Line heeft bij de rechtbank gevorderd dat Goesten haar onbetaalde facturen van in totaal € 36.220,65 (verhoogd met rente en kosten) alsnog betaalt. 2.3. De rechtbank heeft de vorderingen van Goesten afgewezen en heeft de vordering van Inter Line toegewezen, met veroordeling van Goesten in de proceskosten. De bedoeling van het hoger beroep van Goesten is dat haar vorderingen alsnog worden toegewezen en de vordering van Inter Line alsnog wordt afgewezen. 2.4. Het hof laat het vonnis van de rechtbank in stand en legt hierna uit hoe het tot die beslissing is gekomen. 3 De toelichting op de beslissing van het hof 3.1. Het gaat in deze procedure om drie projecten, de inrichting van de restaurants Gayo in Amsterdam, Neuf in Zandvoort en The Siren in Amsterdam. Het hof zal deze drie projecten hierna afzonderlijk bespreken. Het hof gaat daarbij uit van de feiten die de rechtbank over deze projecten – met name over The Siren en Neuf - heeft vastgesteld in het vonnis van 26 februari 2025 (onderdelen 2.1. tot en met 2.7.) en de aanvullende feiten die het hof hierna vaststelt. Project Gayo 3.2. Goesten baseert haar vordering wat betreft Gayo op de stelling dat tussen haar en Inter Line een overeenkomst is tot stand gekomen en dat Inter Line haar verplichtingen op grond van die overeenkomst niet is nagekomen. Inter Line heeft gemotiveerd betwist dat zij met Goesten een overeenkomst over dit project is aangegaan. De rechtbank heeft overwogen dat Goesten, gezien die gemotiveerde betwisting door Inter Line, onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is geweest van een overeenkomst tussen partijen over dit project. 3.3. Goesten voert in hoger beroep als bezwaar tegen deze beoordeling door de rechtbank aan dat de door Goesten ingebrachte correspondentie bevestigt dat sprake was van een overeenkomst tussen haar en Inter Line over dit project. 3.4. Op Goesten rusten volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en bewijslast van de feiten waaruit kan worden afgeleid dat zij met Inter Line een overeenkomst is aangegaan over de bekleding van meubels voor de inrichting van Gayo en dat Inter Line is tekortgeschoten in haar verplichtingen op grond van die overeenkomst. 3.5. Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden, maar kunnen ook blijken uit gedragingen van partijen. Of een overeenkomst tot stand is gekomen, hangt af van wat partijen over en weer hebben gedaan en verklaard en zij uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden. Beslissend is of partijen over de essentialia (de hoofdbestanddelen) van de overeenkomst overeenstemming hebben bereikt. 3.6. Naar het oordeel van het hof kan op basis van de door Goesten ingenomen stellingen en door haar in het geding gebrachte stukken niet worden vastgesteld dat zij en Inter Line een overeenkomst zijn aangegaan over de bekleding van meubels voor de inrichting van Gayo. Uit de door Goesten in het hoger beroep ingebrachte correspondentie met Inter Line uit de periode maart-april 2024 blijkt niet dat sprake was van wilsovereenstemming tussen partijen over de essentialia van zo een overeenkomst. Het hof neemt daarbij het volgende in overweging. 3.7. Tijdens de zitting in hoger beroep is aan de orde gekomen dat Goesten en Inter Line zes of zeven maanden op projectbasis hebben samengewerkt en dat het in die periode ging om ongeveer tien tot vijftien projecten. [persoon1] verklaarde tijdens die zitting over de gebruikelijke gang van zaken bij het aangaan van die overeenkomsten: “ We vragen om een offerte, vervolgens om de prijslijst en als wij dachten dat de levertijd voldeed dan stuurden we een mail met de inkooporder. We willen altijd een bevestiging ontvangen, maar die is er niet altijd geweest. We verwerken een offerteaanvraag naar een order. Als het te duur is, kiezen we voor een andere leverancier. Daarna willen we de factuur en dan mogen we leveren ”. 3.8. De heer [geïntimeerde4] verklaarde namens Inter Line tijdens die zitting hierover het volgende: “ Voor het ene project moeten we iets ontwerpen en moeten we eerst werk doen voordat we de offerte kunnen opmaken. Dat was bijvoorbeeld het geval bij Gayo en The Siren. We hebben echter ook projecten die snel geregeld zijn. Dan is Goesten vaak al bekend met de prijzen. We werken met standaard prijslijsten en prijsmodellen. We kunnen van alles maken. Als het een makkelijke bank is, is Goesten ongeveer op de hoogte de prijzen. Gaat het om een moeilijke bank, zoals bij The Siren of Gayo, dan duurt het even voordat de offerte opgemaakt is. (vraag voorzitter:) Kunt u de opbouw van een groot project in korte stappen beschrijven? [geïntimeerde4] : Eerst ontvangen we een project. Dan controleren we dat ter plekke. (vraag voorzitter:) Het ontvangen van een project houdt in dat er een verzoek is binnengekomen van Goesten? [geïntimeerde4] : Ja. Daarna beginnen we met inmeten. We kijken hoe groot de bank moet worden.
Volledig
We leggen het freeswerk klaar, zodat we de maten van de bank hebben. Een bank wordt per meter afgerekend. Goesten levert de stoffen. Vervolgens wordt er een berekening gemaakt en daarop wordt de offerte gebaseerd. (vraag lid van het hof:) Was het altijd zo dat Goesten de stoffen leverde? [geïntimeerde4] : Goesten kon ook wel eens vragen of wij de stoffen konden bestellen, maar meestal deed Goesten dat zelf. Daarna stuurde Goesten een inkooporder en dan maakten we dat. (vraag voorzitter:) Stuurde Goesten een inkooporder of een offerte? [geïntimeerde4] : Dat wisselde. Wanneer ik een offerte stuurde, kreeg Goesten de gelegenheid om met klanten te overleggen. Daarna ontvingen wij een inkooporder ”. 3.9. Uit deze verklaringen blijkt dat een projectovereenkomst tussen Goesten en Inter Line over het algemeen tot stand kwam door een verzoek van Goesten, het inmeten door Inter Line, het op grond van die meting opstellen en verschaffen van een offerte/prijsopgave door Inter Line, overleg door Goesten met de klant en het sturen van een inkooporder door Goesten. 3.10. Goesten heeft niet gesteld, en het is ook niet anderszins gebleken, dat Inter Line over het project Gayo een offerte of prijsopgave heeft opgesteld en aan Goesten heeft verschaft. Ook heeft Goesten niet gesteld, en het is ook niet anderszins gebleken, dat zij aan Inter Line een inkooporder heeft gestuurd. Goesten baseert haar grief tegen het vonnis van de rechtbank op de door haar in het hoger beroep ingebrachte correspondentie met Inter Line uit de periode februari-april 2021. Verder wijst Goesten erop dat Inter Line per whatsapp heeft bevestigd de opdracht aan te nemen. Goesten licht echter niet voldoende duidelijk toe wanneer en hoe de overeenkomst met betrekking tot Gayo tot stand is gekomen en wat die overeenkomst concreet inhoudt. Uit de aangehaalde correspondentie en berichten blijkt dat partijen in die periode overleg hebben gehad over dit project, maar daaruit blijkt niet dat zij – op een andere manier dan door de gebruikelijke offerte/prijsopgave en inkooporder – overeenstemming hebben bereikt over de essentialia, waaronder met name de prijs en de levertijd. 3.11. Goesten heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep nog aangevoerd dat Inter Line banken is gaan inmeten en dat bij het uitblijven van een offerte telefonisch is afgesproken te werken met de prijzen uit de prijslijsten van Inter Line die al bekend waren. Inter Line heeft dat weersproken. Het hof volgt Goesten daarin niet om de volgende reden. 3.12. Inter Line heeft Goesten in een e-mail van 21 mei 2024 geschreven: “ Op het vroegst kan Het lijstje volgende week freeswerk klaar hebben voor project Gayo. En wij kunnen dit project als we alle antwoorden van jullie hebben op het vroegst in het week van 3 juni uitleveren. (exacte datum nog niet bekend) Dit zijn de levertijden die we echt proberen na te komen, maar eerder kunnen we dit project niet leveren. Als we hierop een akkoord krijgen beginnen we de prijs te maken voor Gayo. Hoop je hiermee voldoende te hebben geïnformeerd ”. 3.13. Uit dit e-mailbericht is een mogelijke levertermijn af te leiden, maar uit het bericht volgt ook dat een exacte datum nog niet bekend is, dat Inter Line nog in afwachting was van antwoorden van Goesten én dat Inter Line nog een prijsopgave moest maken. Dit bericht bevestigt dus juist dat er nog géén overeenstemming over de prijs en levertijd bestond en dat er dus nog geen overeenkomst tot stand gekomen was. Inter Line heeft onweersproken gesteld dat Goesten niet op deze e-mail heeft gereageerd. Goesten heeft in diezelfde periode (20 - 25 mei 2024) de opdracht aan een andere leverancier/stoffeerder gegeven, zo blijkt uit een factuur van deze partij van 23 mei 2024 en zo heeft [persoon1] bevestigd tijdens de zitting in hoger beroep. 3.14. Het hof stelt om deze redenen vast dat Goesten, gezien die gemotiveerde betwisting door Inter Line, ook in hoger beroep onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is geweest van een overeenkomst tussen partijen over het project Gayo. 3.15. Goesten heeft in hoger beroep bewijs over dit onderwerp aangeboden door het horen van [persoonA] , eigenaar/directeur van Too Many Agencies (hierna: TMA). TMA is een ontwerpbureau dat Goesten heeft ingeschakeld voor onder andere The Siren en Neuf. Goesten heeft over het horen van [persoonA] als getuige aangevoerd dat [persoonA] in een bespreking met Goesten heeft toegegeven niet te staan achter de hem overgelegde verklaring. Het hof gaat ervanuit dat het daarbij gaat om de schriftelijke verklaring van [persoonA] die door Inter Line door Inter Line in eerste aanleg is ingebracht en die er samengevat op neer komt dat Inter Line naar behoren haar verplichtingen in het kader van de projecten The Siren en Neuf is nagekomen. 3.16. Een partij die in hoger beroep een aanbod tot getuigenbewijs doet moet daarin worden toegelaten als zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Het aanbod van Goesten tot het horen van [persoonA] voldoet niet aan dit criterium, waar het gaat om de vraag of sprake is van een overeenkomst tussen partijen over het project Gayo. Goesten heeft niet in eerste aanleg en ook niet hoger beroep aangevoerd dat [persoonA] betrokken is geweest bij dat project en het al dan niet tot stand komen van een overeenkomst daarover tussen Goesten en Inter Line. De schriftelijke verklaring van [persoonA] die Inter Line in eerste aanleg heeft overgelegd en waar Goesten bij haar aanbod tot getuigenbewijs in hoger beroep naar verwijst heeft betrekking op de projecten The Siren en Neuf en de nakoming door Inter Line van haar verplichtingen wat betreft die projecten. Die verklaring heeft niet betrekking op het project Gayo en het al dan niet bestaan van een overeenkomst daarover tussen Goesten en Inter Line. Het aanbod in hoger beroep van Goesten tot het horen van [persoonA] als getuige is daarom niet voldoende specifiek, en voor zover het specifiek is heeft het niet betrekking op feiten die tot een andere beslissing over het project Gayo kunnen leiden. Project Neuf 3.17. De rechtbank heeft de vorderingen van Goesten met betrekking tot het project Neuf afgewezen omdat Goesten, gelet op de gemotiveerde betwisting van Inter Line, niet of nauwelijks heeft onderbouwd waar de gestelde tekortkomingen van Inter Line uit hebben bestaan. De rechtbank heeft daarbij in overweging genomen dat Inter Line uitgebreid en met stukken onderbouwd heeft betwist dat zij jegens Goesten is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst inzake Neuf. 3.18. Goesten brengt in hoger beroep een aantal stukken in als bezwaar tegen deze beoordeling door de rechtbank. Zij voert daarbij aan dat zij Inter Line destijds een opsomming heeft gegeven van wat er allemaal niet klopt en dat zij Inter Line in gebreke heeft gesteld. 3.19. Op Goesten rusten volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en bewijslast van de feiten waaruit volgt dat Inter Line is tekortgeschoten in haar verplichtingen op grond van de overeenkomst over het project. Een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, in dit geval Goesten, moet dit op een zodanige manier doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich moet verweren. 3.20. De verwijzing van Goesten naar de in hoger beroep overgelegde stukken voldoet niet aan deze specificeringseis wat betreft haar stelling dat Inter Line is tekortgeschoten in het project Neuf. Uit deze documenten kan niet worden opgemaakt in welke contractuele verplichtingen wat betreft dit project Inter Line naar de stellingen van Goesten is tekortgeschoten, of Inter Line daarover door Goesten in gebreke is gesteld en tegen welke termijn dat is gebeurd. 3.21. Het hof neemt daarbij mede in overweging dat Inter Line ter weerlegging van dit verwijt van Goesten heeft verwezen naar de schriftelijke verklaringen van [persoonA] en [persoonB ] (projectmanager bij TMA).
Volledig
We leggen het freeswerk klaar, zodat we de maten van de bank hebben. Een bank wordt per meter afgerekend. Goesten levert de stoffen. Vervolgens wordt er een berekening gemaakt en daarop wordt de offerte gebaseerd. (vraag lid van het hof:) Was het altijd zo dat Goesten de stoffen leverde? [geïntimeerde4] : Goesten kon ook wel eens vragen of wij de stoffen konden bestellen, maar meestal deed Goesten dat zelf. Daarna stuurde Goesten een inkooporder en dan maakten we dat. (vraag voorzitter:) Stuurde Goesten een inkooporder of een offerte? [geïntimeerde4] : Dat wisselde. Wanneer ik een offerte stuurde, kreeg Goesten de gelegenheid om met klanten te overleggen. Daarna ontvingen wij een inkooporder ”. 3.9. Uit deze verklaringen blijkt dat een projectovereenkomst tussen Goesten en Inter Line over het algemeen tot stand kwam door een verzoek van Goesten, het inmeten door Inter Line, het op grond van die meting opstellen en verschaffen van een offerte/prijsopgave door Inter Line, overleg door Goesten met de klant en het sturen van een inkooporder door Goesten. 3.10. Goesten heeft niet gesteld, en het is ook niet anderszins gebleken, dat Inter Line over het project Gayo een offerte of prijsopgave heeft opgesteld en aan Goesten heeft verschaft. Ook heeft Goesten niet gesteld, en het is ook niet anderszins gebleken, dat zij aan Inter Line een inkooporder heeft gestuurd. Goesten baseert haar grief tegen het vonnis van de rechtbank op de door haar in het hoger beroep ingebrachte correspondentie met Inter Line uit de periode februari-april 2021. Verder wijst Goesten erop dat Inter Line per whatsapp heeft bevestigd de opdracht aan te nemen. Goesten licht echter niet voldoende duidelijk toe wanneer en hoe de overeenkomst met betrekking tot Gayo tot stand is gekomen en wat die overeenkomst concreet inhoudt. Uit de aangehaalde correspondentie en berichten blijkt dat partijen in die periode overleg hebben gehad over dit project, maar daaruit blijkt niet dat zij – op een andere manier dan door de gebruikelijke offerte/prijsopgave en inkooporder – overeenstemming hebben bereikt over de essentialia, waaronder met name de prijs en de levertijd. 3.11. Goesten heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep nog aangevoerd dat Inter Line banken is gaan inmeten en dat bij het uitblijven van een offerte telefonisch is afgesproken te werken met de prijzen uit de prijslijsten van Inter Line die al bekend waren. Inter Line heeft dat weersproken. Het hof volgt Goesten daarin niet om de volgende reden. 3.12. Inter Line heeft Goesten in een e-mail van 21 mei 2024 geschreven: “ Op het vroegst kan Het lijstje volgende week freeswerk klaar hebben voor project Gayo. En wij kunnen dit project als we alle antwoorden van jullie hebben op het vroegst in het week van 3 juni uitleveren. (exacte datum nog niet bekend) Dit zijn de levertijden die we echt proberen na te komen, maar eerder kunnen we dit project niet leveren. Als we hierop een akkoord krijgen beginnen we de prijs te maken voor Gayo. Hoop je hiermee voldoende te hebben geïnformeerd ”. 3.13. Uit dit e-mailbericht is een mogelijke levertermijn af te leiden, maar uit het bericht volgt ook dat een exacte datum nog niet bekend is, dat Inter Line nog in afwachting was van antwoorden van Goesten én dat Inter Line nog een prijsopgave moest maken. Dit bericht bevestigt dus juist dat er nog géén overeenstemming over de prijs en levertijd bestond en dat er dus nog geen overeenkomst tot stand gekomen was. Inter Line heeft onweersproken gesteld dat Goesten niet op deze e-mail heeft gereageerd. Goesten heeft in diezelfde periode (20 - 25 mei 2024) de opdracht aan een andere leverancier/stoffeerder gegeven, zo blijkt uit een factuur van deze partij van 23 mei 2024 en zo heeft [persoon1] bevestigd tijdens de zitting in hoger beroep. 3.14. Het hof stelt om deze redenen vast dat Goesten, gezien die gemotiveerde betwisting door Inter Line, ook in hoger beroep onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is geweest van een overeenkomst tussen partijen over het project Gayo. 3.15. Goesten heeft in hoger beroep bewijs over dit onderwerp aangeboden door het horen van [persoonA] , eigenaar/directeur van Too Many Agencies (hierna: TMA). TMA is een ontwerpbureau dat Goesten heeft ingeschakeld voor onder andere The Siren en Neuf. Goesten heeft over het horen van [persoonA] als getuige aangevoerd dat [persoonA] in een bespreking met Goesten heeft toegegeven niet te staan achter de hem overgelegde verklaring. Het hof gaat ervanuit dat het daarbij gaat om de schriftelijke verklaring van [persoonA] die door Inter Line door Inter Line in eerste aanleg is ingebracht en die er samengevat op neer komt dat Inter Line naar behoren haar verplichtingen in het kader van de projecten The Siren en Neuf is nagekomen. 3.16. Een partij die in hoger beroep een aanbod tot getuigenbewijs doet moet daarin worden toegelaten als zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Het aanbod van Goesten tot het horen van [persoonA] voldoet niet aan dit criterium, waar het gaat om de vraag of sprake is van een overeenkomst tussen partijen over het project Gayo. Goesten heeft niet in eerste aanleg en ook niet hoger beroep aangevoerd dat [persoonA] betrokken is geweest bij dat project en het al dan niet tot stand komen van een overeenkomst daarover tussen Goesten en Inter Line. De schriftelijke verklaring van [persoonA] die Inter Line in eerste aanleg heeft overgelegd en waar Goesten bij haar aanbod tot getuigenbewijs in hoger beroep naar verwijst heeft betrekking op de projecten The Siren en Neuf en de nakoming door Inter Line van haar verplichtingen wat betreft die projecten. Die verklaring heeft niet betrekking op het project Gayo en het al dan niet bestaan van een overeenkomst daarover tussen Goesten en Inter Line. Het aanbod in hoger beroep van Goesten tot het horen van [persoonA] als getuige is daarom niet voldoende specifiek, en voor zover het specifiek is heeft het niet betrekking op feiten die tot een andere beslissing over het project Gayo kunnen leiden. Project Neuf 3.17. De rechtbank heeft de vorderingen van Goesten met betrekking tot het project Neuf afgewezen omdat Goesten, gelet op de gemotiveerde betwisting van Inter Line, niet of nauwelijks heeft onderbouwd waar de gestelde tekortkomingen van Inter Line uit hebben bestaan. De rechtbank heeft daarbij in overweging genomen dat Inter Line uitgebreid en met stukken onderbouwd heeft betwist dat zij jegens Goesten is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst inzake Neuf. 3.18. Goesten brengt in hoger beroep een aantal stukken in als bezwaar tegen deze beoordeling door de rechtbank. Zij voert daarbij aan dat zij Inter Line destijds een opsomming heeft gegeven van wat er allemaal niet klopt en dat zij Inter Line in gebreke heeft gesteld. 3.19. Op Goesten rusten volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en bewijslast van de feiten waaruit volgt dat Inter Line is tekortgeschoten in haar verplichtingen op grond van de overeenkomst over het project. Een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, in dit geval Goesten, moet dit op een zodanige manier doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich moet verweren. 3.20. De verwijzing van Goesten naar de in hoger beroep overgelegde stukken voldoet niet aan deze specificeringseis wat betreft haar stelling dat Inter Line is tekortgeschoten in het project Neuf. Uit deze documenten kan niet worden opgemaakt in welke contractuele verplichtingen wat betreft dit project Inter Line naar de stellingen van Goesten is tekortgeschoten, of Inter Line daarover door Goesten in gebreke is gesteld en tegen welke termijn dat is gebeurd. 3.21. Het hof neemt daarbij mede in overweging dat Inter Line ter weerlegging van dit verwijt van Goesten heeft verwezen naar de schriftelijke verklaringen van [persoonA] en [persoonB ] (projectmanager bij TMA).
Volledig
[persoonA] en [persoonB ] hebben daarin verklaard dat Inter Line de banken op tijd bij Neuf in Zandvoort heeft aangeleverd en dat de kwaliteit goed was, zowel naar het oordeel van de opdrachtgever als naar hun oordeel. Inter Line heeft ter weerlegging van die verwijten van Goesten ook verwezen naar de e-mail van Goesten van 16 mei 2024 waarin Goesten over het project Neuf schrijft “ Factuur 2: Project Zandvoort / Neuf – graag sturen die wordt dan ook betaald 17-5-2024 (€ ……) ” en “ Het herstoffeer werk is ook weer uit besteed hierdoor en hebben we ook weer extra kosten moeten maken – maar goed…. dat vinden wij niet het ergste omdat de klant blij is! ”. De verklaringen van [persoonA] en [persoonB ] en de e-mail van Goesten van 16 mei 2024 onderschrijven dat het project Neuf niet rimpelloos is verlopen, maar dat geen sprake is van tekortschieten. 3.22. Het had Goesten op basis van het vonnis van de rechtbank duidelijk moeten zijn geworden dat het aan haar is om haar stellingen over project Neuf te onderbouwen en te substantiëren. Goesten heeft ook in hoger beroep haar stellingen hierover onvoldoende onderbouwd. Het hof komt niet toe aan bewijslevering, omdat Goesten in hoger beroep niet een (voldoende specifiek) bewijsaanbod heeft gedaan van feiten die tot een andere beslissing over dit onderwerp kunnen leiden. Project The Siren 3.23. De rechtbank heeft de vorderingen van Goesten met betrekking tot het project The Siren afgewezen omdat Goesten, gelet op de gemotiveerde betwisting van Inter Line, niet of nauwelijks heeft onderbouwd waar de gestelde tekortkomingen van Inter Line uit hebben bestaan. De rechtbank heeft daarbij in overweging genomen dat Inter Line uitgebreid en met stukken onderbouwd heeft betwist dat zij jegens Goesten is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst inzake The Siren. 3.24. Goesten brengt in hoger beroep een aantal stukken in als bezwaar tegen deze beoordeling door de rechtbank. Zij voert daarbij aan dat zij wat betreft The Siren Inter Line een opsomming heeft gegeven van wat er allemaal niet klopt en dat zij Inter Line in gebreke heeft gesteld. Goesten stelt dat zij ervanuit mocht gaan dat alles klaar zou zijn op 16 mei (2024) voor de opening van The Siren. Zij verwijst daarbij naar een e-mail van 27 mei 2024, waarin zij Inter Line een termijn van tien werkdagen gaf om gebreken te herstellen, en e-mailberichten van 6, 11, 12 en 20 juni 2024. 3.25. Op Goesten rusten volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en bewijslast van de feiten waaruit kan worden afgeleid dat Inter Line is tekortgeschoten in haar verplichtingen op grond van de overeenkomst over het project The Siren. 3.26. Uit de door Goesten in het geding gebrachte correspondentie over het project The Siren komt het beeld naar boven dat tussen partijen sprake was van afstemmingsproblemen en discussie over (aanlevering van) materiaal met verwijten over en weer. Het hof kan echter niet zonder verdere toelichting van Goesten, die ontbreekt, vaststellen dat Inter Line is tekortgeschoten in de nakoming van contractuele verplichtingen wat betreft dit project, dat Inter Line daarover door Goesten in gebreke is gesteld en tegen welke termijn dat is gebeurd. 3.27. Het hof neemt daarbij mede in overweging dat Inter Line ter weerlegging van dit verwijt van Goesten heeft verwezen naar de opleverstaat van dit project gedateerd 30 mei 2024. Inter Line heeft daarover gesteld dat op deze lijst 72 opleverpunten worden genoemd, waarvan acht punten betrekking hebben op door Inter Line geleverde banken en waarvan de andere 64 punten te maken hebben met door Goesten geleverd werk. Inter Line stelt dat zij zeven van de acht punten die zij moest herstellen heeft hersteld. Slechts één punt daarvan is (nog) niet hersteld, namelijk de bekleding van een bank in een andere kleur, waarvan Inter Line stelt dat Goesten de verkeerde kleur leer heeft aangeleverd en Inter Line dus geen verwijt is te maken. Goesten heeft deze stellingen van Inter Line niet inhoudelijk weersproken. 3.28. Deze stellingen van Inter Line worden bevestigd door de schriftelijke verklaringen van [persoonA] en [persoonB ] . [persoonA] en [persoonB ] hebben daarin verklaard dat in het project The Siren Goesten de materialen op een zeer laat moment heeft geleverd aan Inter Line waardoor een grote tijdsdruk is ontstaan, dat daardoor bij de uitvoering fouten zijn gemaakt, zoals opgenomen in de opleverstaat, en dat Inter Line die fouten tijdig, dat wil zeggen voor de opening van The Siren, en op juiste wijze heeft hersteld. 3.29. Goesten heeft een schriftelijke verklaring ingebracht van heer E. [persoonC] die – naar het hof begrijpt – Goesten heeft ondersteund bij de uitvoering van het project The Siren. [persoonC] verklaart: “ Ben een aantal keren met [persoon1] [Goesten, toev. hof] in The Siren geweest om te kijken hoe we het snelste alles op konden lossen voor de klanten, maar bleek dat er al afspraken waren gemaakt met Wil [persoonA] / de klant (eigenaars Siren) en Interline. Daar wist jij niets van en uiteindelijk is ook alles wel opgelost… ik heb daar verder niet meer mee geholpen destijds en heb ook nooit meer wat van Interline gehoord…. ook geen bedankt! ”. Deze verklaring bevestigt dat het project The Siren onder tijdsdruk en met onderlinge spanningen is uitgevoerd, maar onderbouwt niet de stelling van Goesten dat Inter Line is tekortgeschoten, juist omdat [persoonC] ook opmerkt dat uiteindelijk alles is opgelost. 3.30. Het had Goesten op basis van het vonnis van de rechtbank duidelijk moeten zijn geworden dat het aan haar is om haar stellingen over project The Siren te onderbouwen. Goesten heeft ook in hoger beroep haar stellingen hierover onvoldoende onderbouwd. Het hof komt niet toe aan bewijslevering, omdat Goesten in hoger beroep niet een (voldoende specifiek) bewijsaanbod heeft gedaan van feiten die tot een andere beslissing over dit onderwerp kunnen leiden. Vorderingen van Inter Line in reconventie 3.31. Inter Line heeft bij de rechtbank gevorderd dat Goesten haar onbetaalde facturen van in totaal € 36.220,65 (verhoogd met rente en kosten) alsnog betaalt. Het gaat ten eerste om facturen van Inter Line over de periode 19 februari tot en met 27 mei 2024 en ten tweede om een factuur over het project The Siren van 19 augustus 2024. De rechtbank heeft die vordering toegewezen. Goesten maakt in dit hoger beroep bezwaar tegen deze toewijzing. Facturen februari-mei 2024 3.32. Wat betreft de facturen van Inter Line over de periode 19 februari tot en met 27 mei 2024 heeft Inter Line aangevoerd dat zij Goesten in die periode voor in totaal € 178.797,61 (incl. btw) heeft gefactureerd en dat Goesten daarvan € 21.950,21 onbetaald heeft gelaten. De rechtbank heeft dat deel van de vorderingen van Inter Line toegewezen, omdat Goesten geen inhoudelijke bezwaren tegen de betrokken facturen heeft aangevoerd en omdat uit een e-mail van Goesten van 17 mei 2024 volgt dat cashflowproblemen bij Goesten aan betaling van die facturen in de weg stond, niet de tijdigheid en kwaliteit van het door Inter Line geleverde werk. 3.33. Goesten heeft in haar memorie van grieven onder grief 4 deze overwegingen van de rechtbank opgenomen, maar de onderbouwing van die grief heeft louter betrekking op de factuur van 19 augustus 2024, niet op de facturen van Inter Line over de periode 19 februari tot en met 27 mei 2024. Goesten heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aangevoerd dat het overzicht van betalingen van deze facturen dat Inter Line heeft ingebracht onvolledig en onjuist is, met name dat een aantal van de daarin opgenomen facturen wel door haar is voldaan. Dat is een nieuw argument dat niet in de memorie van grieven tegen het vonnis naar voren is gebracht. De in art. 347 lid 1 Rv besloten tweeconclusieregel brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan in de memorie van grieven worden aangevoerd, tenzij zich een van de in de rechtspraak erkende uitzonderingen op die regel voordoet. Goesten heeft niet aangevoerd, en het is ook niet anderszins gebleken, dat een van die uitzonderingen zich hier voordoet.
Volledig
[persoonA] en [persoonB ] hebben daarin verklaard dat Inter Line de banken op tijd bij Neuf in Zandvoort heeft aangeleverd en dat de kwaliteit goed was, zowel naar het oordeel van de opdrachtgever als naar hun oordeel. Inter Line heeft ter weerlegging van die verwijten van Goesten ook verwezen naar de e-mail van Goesten van 16 mei 2024 waarin Goesten over het project Neuf schrijft “ Factuur 2: Project Zandvoort / Neuf – graag sturen die wordt dan ook betaald 17-5-2024 (€ ……) ” en “ Het herstoffeer werk is ook weer uit besteed hierdoor en hebben we ook weer extra kosten moeten maken – maar goed…. dat vinden wij niet het ergste omdat de klant blij is! ”. De verklaringen van [persoonA] en [persoonB ] en de e-mail van Goesten van 16 mei 2024 onderschrijven dat het project Neuf niet rimpelloos is verlopen, maar dat geen sprake is van tekortschieten. 3.22. Het had Goesten op basis van het vonnis van de rechtbank duidelijk moeten zijn geworden dat het aan haar is om haar stellingen over project Neuf te onderbouwen en te substantiëren. Goesten heeft ook in hoger beroep haar stellingen hierover onvoldoende onderbouwd. Het hof komt niet toe aan bewijslevering, omdat Goesten in hoger beroep niet een (voldoende specifiek) bewijsaanbod heeft gedaan van feiten die tot een andere beslissing over dit onderwerp kunnen leiden. Project The Siren 3.23. De rechtbank heeft de vorderingen van Goesten met betrekking tot het project The Siren afgewezen omdat Goesten, gelet op de gemotiveerde betwisting van Inter Line, niet of nauwelijks heeft onderbouwd waar de gestelde tekortkomingen van Inter Line uit hebben bestaan. De rechtbank heeft daarbij in overweging genomen dat Inter Line uitgebreid en met stukken onderbouwd heeft betwist dat zij jegens Goesten is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst inzake The Siren. 3.24. Goesten brengt in hoger beroep een aantal stukken in als bezwaar tegen deze beoordeling door de rechtbank. Zij voert daarbij aan dat zij wat betreft The Siren Inter Line een opsomming heeft gegeven van wat er allemaal niet klopt en dat zij Inter Line in gebreke heeft gesteld. Goesten stelt dat zij ervanuit mocht gaan dat alles klaar zou zijn op 16 mei (2024) voor de opening van The Siren. Zij verwijst daarbij naar een e-mail van 27 mei 2024, waarin zij Inter Line een termijn van tien werkdagen gaf om gebreken te herstellen, en e-mailberichten van 6, 11, 12 en 20 juni 2024. 3.25. Op Goesten rusten volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en bewijslast van de feiten waaruit kan worden afgeleid dat Inter Line is tekortgeschoten in haar verplichtingen op grond van de overeenkomst over het project The Siren. 3.26. Uit de door Goesten in het geding gebrachte correspondentie over het project The Siren komt het beeld naar boven dat tussen partijen sprake was van afstemmingsproblemen en discussie over (aanlevering van) materiaal met verwijten over en weer. Het hof kan echter niet zonder verdere toelichting van Goesten, die ontbreekt, vaststellen dat Inter Line is tekortgeschoten in de nakoming van contractuele verplichtingen wat betreft dit project, dat Inter Line daarover door Goesten in gebreke is gesteld en tegen welke termijn dat is gebeurd. 3.27. Het hof neemt daarbij mede in overweging dat Inter Line ter weerlegging van dit verwijt van Goesten heeft verwezen naar de opleverstaat van dit project gedateerd 30 mei 2024. Inter Line heeft daarover gesteld dat op deze lijst 72 opleverpunten worden genoemd, waarvan acht punten betrekking hebben op door Inter Line geleverde banken en waarvan de andere 64 punten te maken hebben met door Goesten geleverd werk. Inter Line stelt dat zij zeven van de acht punten die zij moest herstellen heeft hersteld. Slechts één punt daarvan is (nog) niet hersteld, namelijk de bekleding van een bank in een andere kleur, waarvan Inter Line stelt dat Goesten de verkeerde kleur leer heeft aangeleverd en Inter Line dus geen verwijt is te maken. Goesten heeft deze stellingen van Inter Line niet inhoudelijk weersproken. 3.28. Deze stellingen van Inter Line worden bevestigd door de schriftelijke verklaringen van [persoonA] en [persoonB ] . [persoonA] en [persoonB ] hebben daarin verklaard dat in het project The Siren Goesten de materialen op een zeer laat moment heeft geleverd aan Inter Line waardoor een grote tijdsdruk is ontstaan, dat daardoor bij de uitvoering fouten zijn gemaakt, zoals opgenomen in de opleverstaat, en dat Inter Line die fouten tijdig, dat wil zeggen voor de opening van The Siren, en op juiste wijze heeft hersteld. 3.29. Goesten heeft een schriftelijke verklaring ingebracht van heer E. [persoonC] die – naar het hof begrijpt – Goesten heeft ondersteund bij de uitvoering van het project The Siren. [persoonC] verklaart: “ Ben een aantal keren met [persoon1] [Goesten, toev. hof] in The Siren geweest om te kijken hoe we het snelste alles op konden lossen voor de klanten, maar bleek dat er al afspraken waren gemaakt met Wil [persoonA] / de klant (eigenaars Siren) en Interline. Daar wist jij niets van en uiteindelijk is ook alles wel opgelost… ik heb daar verder niet meer mee geholpen destijds en heb ook nooit meer wat van Interline gehoord…. ook geen bedankt! ”. Deze verklaring bevestigt dat het project The Siren onder tijdsdruk en met onderlinge spanningen is uitgevoerd, maar onderbouwt niet de stelling van Goesten dat Inter Line is tekortgeschoten, juist omdat [persoonC] ook opmerkt dat uiteindelijk alles is opgelost. 3.30. Het had Goesten op basis van het vonnis van de rechtbank duidelijk moeten zijn geworden dat het aan haar is om haar stellingen over project The Siren te onderbouwen. Goesten heeft ook in hoger beroep haar stellingen hierover onvoldoende onderbouwd. Het hof komt niet toe aan bewijslevering, omdat Goesten in hoger beroep niet een (voldoende specifiek) bewijsaanbod heeft gedaan van feiten die tot een andere beslissing over dit onderwerp kunnen leiden. Vorderingen van Inter Line in reconventie 3.31. Inter Line heeft bij de rechtbank gevorderd dat Goesten haar onbetaalde facturen van in totaal € 36.220,65 (verhoogd met rente en kosten) alsnog betaalt. Het gaat ten eerste om facturen van Inter Line over de periode 19 februari tot en met 27 mei 2024 en ten tweede om een factuur over het project The Siren van 19 augustus 2024. De rechtbank heeft die vordering toegewezen. Goesten maakt in dit hoger beroep bezwaar tegen deze toewijzing. Facturen februari-mei 2024 3.32. Wat betreft de facturen van Inter Line over de periode 19 februari tot en met 27 mei 2024 heeft Inter Line aangevoerd dat zij Goesten in die periode voor in totaal € 178.797,61 (incl. btw) heeft gefactureerd en dat Goesten daarvan € 21.950,21 onbetaald heeft gelaten. De rechtbank heeft dat deel van de vorderingen van Inter Line toegewezen, omdat Goesten geen inhoudelijke bezwaren tegen de betrokken facturen heeft aangevoerd en omdat uit een e-mail van Goesten van 17 mei 2024 volgt dat cashflowproblemen bij Goesten aan betaling van die facturen in de weg stond, niet de tijdigheid en kwaliteit van het door Inter Line geleverde werk. 3.33. Goesten heeft in haar memorie van grieven onder grief 4 deze overwegingen van de rechtbank opgenomen, maar de onderbouwing van die grief heeft louter betrekking op de factuur van 19 augustus 2024, niet op de facturen van Inter Line over de periode 19 februari tot en met 27 mei 2024. Goesten heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aangevoerd dat het overzicht van betalingen van deze facturen dat Inter Line heeft ingebracht onvolledig en onjuist is, met name dat een aantal van de daarin opgenomen facturen wel door haar is voldaan. Dat is een nieuw argument dat niet in de memorie van grieven tegen het vonnis naar voren is gebracht. De in art. 347 lid 1 Rv besloten tweeconclusieregel brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan in de memorie van grieven worden aangevoerd, tenzij zich een van de in de rechtspraak erkende uitzonderingen op die regel voordoet. Goesten heeft niet aangevoerd, en het is ook niet anderszins gebleken, dat een van die uitzonderingen zich hier voordoet.
Volledig
Het hof zal daarom voorbij (moeten) gaan aan de stellingen over deze facturen die Goesten tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft aangevoerd, en overigens ook niet heeft onderbouwd. Factuur transport/bekleding The Siren (19 augustus 2024) 3.34. De factuur van Inter Line van 19 augustus 2024 van € 12.523,50 (incl. btw) heeft betrekking op transport en op bekleding (“ Opnieuw bekleed ivm fout aangeleverde stoffen en franjes Goesten (2 x opnieuw bekleed) ”) inzake het project The Siren. De rechtbank heeft Goesten veroordeeld tot betaling van deze factuur omdat niet in geschil is dat transportkosten niet in de overeengekomen prijs waren begrepen en dat deze kosten op basis van nacalculatie door Inter Line in rekening zouden worden gebracht. Door Goesten is niet (voldoende) betwist dat transport op de in de factuur genoemde data heeft plaatsgevonden en verder is niet gesteld of gebleken dat deze transportkosten niet juist of niet redelijk zouden zijn, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft het deel van deze vordering dat betrekking heeft op het opnieuw bekleden toegewezen omdat Goesten dat deel van de vordering onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. 3.35. Goesten heeft in haar memorie van grieven onder grief 4 deze overwegingen van de rechtbank opgenomen, maar zij heeft geen concrete argumenten aangevoerd ter onderbouwing van haar grief tegen deze overwegingen van de rechtbank. Zij stelt dat Inter Line “ (achteraf) een factuur in elkaar heeft geflanst die alleen maar is opgetuigd met als doel een tegenvordering op te bouwen ”, maar zij voert daarvoor slechts aan dat Inter Line op 19 augustus 2024 een factuur heeft gestuurd voor werkzaamheden en transport uit mei 2024. Dat volstaat niet. Uit die omstandigheid is niet af te leiden dat de betrokken factuur van Inter Line geheel of gedeeltelijk onjuist zou zijn of dat het daarin opgenomen bedrag niet door Goesten verschuldigd zou zijn. Geen opschortingsrecht 3.36. Goesten heeft een grief gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van haar beroep op een opschortingsbevoegdheid ten aanzien van deze facturen van Inter Line. Op grond van de hiervoor uiteengezette overwegingen was Goesten de betrokken facturen wel aan Inter Line verschuldigd en komt haar om dezelfde redenen geen opschortingsrecht toe. 3.37. Goesten heeft al met al ook in hoger beroep haar verweer tegen de vorderingen van Inter Line onvoldoende concreet onderbouwd. Het hof komt daarom niet toe aan bewijslevering, mede omdat Goesten in hoger beroep geen concreet bewijs heeft aangeboden van feiten en omstandigheden die indien bewezen tot een ander oordeel kunnen leiden. De conclusie 3.38. Het hoger beroep slaagt niet. Omdat Goesten in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Goesten tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. 3.39. De (proceskosten)veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4 De beslissing Het hof: 4.1. bekrachtigt het vonnis van de rechtbank de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de rechtbank) op 26 februari 2025; 4.2. veroordeelt Goesten tot betaling van de volgende proceskosten van Inter Line: € 6.803,00 aan griffierecht € 7.594,00 aan salaris van de advocaat van Inter Line (2 procespunten x het toepasselijke tarief V); 4.3. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente; 4.4. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; 4.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. P.J. van der Korst, C. Bakker en L. Spronck, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026. Hoge Raad 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:49. HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959 en HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771. HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.
Volledig
Het hof zal daarom voorbij (moeten) gaan aan de stellingen over deze facturen die Goesten tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft aangevoerd, en overigens ook niet heeft onderbouwd. Factuur transport/bekleding The Siren (19 augustus 2024) 3.34. De factuur van Inter Line van 19 augustus 2024 van € 12.523,50 (incl. btw) heeft betrekking op transport en op bekleding (“ Opnieuw bekleed ivm fout aangeleverde stoffen en franjes Goesten (2 x opnieuw bekleed) ”) inzake het project The Siren. De rechtbank heeft Goesten veroordeeld tot betaling van deze factuur omdat niet in geschil is dat transportkosten niet in de overeengekomen prijs waren begrepen en dat deze kosten op basis van nacalculatie door Inter Line in rekening zouden worden gebracht. Door Goesten is niet (voldoende) betwist dat transport op de in de factuur genoemde data heeft plaatsgevonden en verder is niet gesteld of gebleken dat deze transportkosten niet juist of niet redelijk zouden zijn, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft het deel van deze vordering dat betrekking heeft op het opnieuw bekleden toegewezen omdat Goesten dat deel van de vordering onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. 3.35. Goesten heeft in haar memorie van grieven onder grief 4 deze overwegingen van de rechtbank opgenomen, maar zij heeft geen concrete argumenten aangevoerd ter onderbouwing van haar grief tegen deze overwegingen van de rechtbank. Zij stelt dat Inter Line “ (achteraf) een factuur in elkaar heeft geflanst die alleen maar is opgetuigd met als doel een tegenvordering op te bouwen ”, maar zij voert daarvoor slechts aan dat Inter Line op 19 augustus 2024 een factuur heeft gestuurd voor werkzaamheden en transport uit mei 2024. Dat volstaat niet. Uit die omstandigheid is niet af te leiden dat de betrokken factuur van Inter Line geheel of gedeeltelijk onjuist zou zijn of dat het daarin opgenomen bedrag niet door Goesten verschuldigd zou zijn. Geen opschortingsrecht 3.36. Goesten heeft een grief gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van haar beroep op een opschortingsbevoegdheid ten aanzien van deze facturen van Inter Line. Op grond van de hiervoor uiteengezette overwegingen was Goesten de betrokken facturen wel aan Inter Line verschuldigd en komt haar om dezelfde redenen geen opschortingsrecht toe. 3.37. Goesten heeft al met al ook in hoger beroep haar verweer tegen de vorderingen van Inter Line onvoldoende concreet onderbouwd. Het hof komt daarom niet toe aan bewijslevering, mede omdat Goesten in hoger beroep geen concreet bewijs heeft aangeboden van feiten en omstandigheden die indien bewezen tot een ander oordeel kunnen leiden. De conclusie 3.38. Het hoger beroep slaagt niet. Omdat Goesten in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Goesten tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. 3.39. De (proceskosten)veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4 De beslissing Het hof: 4.1. bekrachtigt het vonnis van de rechtbank de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de rechtbank) op 26 februari 2025; 4.2. veroordeelt Goesten tot betaling van de volgende proceskosten van Inter Line: € 6.803,00 aan griffierecht € 7.594,00 aan salaris van de advocaat van Inter Line (2 procespunten x het toepasselijke tarief V); 4.3. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente; 4.4. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; 4.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. P.J. van der Korst, C. Bakker en L. Spronck, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026. Hoge Raad 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:49. HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959 en HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771. HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.