Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-21
ECLI:NL:GHARL:2026:2375
Strafrecht
Hoger beroep
3,164 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2375 text/xml public 2026-05-13T14:33:25 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-21 Wahv 200.362.289/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2375 text/html public 2026-05-13T14:33:05 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2375 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 21-04-2026 / Wahv 200.362.289/01 Appelverbod. Er is geen aanleiding om het appelverbod buiten toepassing te laten. Onder de gegeven omstandigheden heeft de kantonrechter, zonder schending van het recht van de betrokkene om ten overstaan van de rechter zijn standpunt toe te kunnen lichten, het aanhoudingsverzoek kunnen afwijzen. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.362.289/01 CJIB-nummer : 262732500 Uitspraak d.d. : 21 april 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 26 september 2025, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats]. De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de beslissing gewijzigd in die zin dat de feitcode wordt gewijzigd in R311 en de sanctie wordt vastgesteld op € 110,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 113,38. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling 1. Artikel 14 van de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter: - wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,- - wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de betrokkene de juistheid van die beslissing in hoger beroep betwist. 2. Het hof stelt vast dat in deze zaak de kantonrechter het beroep gedeeltelijk gegrond heeft verklaard, de feitcode heeft gewijzigd en het bedrag van de sanctie heeft vastgesteld op € 110,-. Dit betekent dat tegen de beslissing van de kantonrechter geen hoger beroep openstaat. 3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten, omdat geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. De gemachtigde stelt (naar het hof begrijpt) dat de kantonrechter ten onrechte het aanhoudingsverzoek heeft afgewezen. 4. In artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ligt het recht op toegang tot de rechter besloten, daaronder begrepen het recht om ten overstaan van de rechter zijn standpunt toe te lichten, zoals uitgewerkt in artikel 12, eerste lid, van de Wahv. Wanneer blijkt dat dit recht is geschonden - en daarop een beroep wordt gedaan - kan het appelverbod buiten toepassing worden gelaten (zie het arrest van dit hof van 12 juli 2018, te raadplegen op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2018:6402). 5. Uit de stukken in het dossier leidt het hof het volgende af. De gemachtigde is bij brief van 7 augustus 2025 opgeroepen voor de zitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn op 26 september 2025 om 10.30 uur. Bij e-mail van 18 september 2025 heeft de gemachtigde om aanhouding verzocht van de behandeling van de zaak op deze zitting. Hierbij geeft de gemachtigde aan dat de griffier van de rechtbank Noord-Holland hem ook heeft uitgenodigd voor een zitting op dezelfde dag om 9.00 uur waardoor het niet mogelijk is in Apeldoorn te zijn om 10.30 uur. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de gemachtigde twee op 8 augustus 2025 gedateerde en aan hem gerichte oproepingen van de griffier van de rechtbank Noord-Holland bijgevoegd. 6. Bij brief van 19 september 2025 heeft de griffier van de rechtbank de gemachtigde laten weten dat het verzoek om aanhouding wordt afgewezen. Hiertoe is opgemerkt: “Uit de bijlage bij uw mail blijkt dat u later, bij brieven van 8 augustus 2025, opgeroepen bent door de rechtbank Noord-Holland. Een verzoek om uitstel dient zo snel mogelijk nadat bekend is dat sprake is van verhindering te zijn ingediend. Nu dat niet het geval is, wordt geen uitstel verleend.” 7. Uit het bovenstaande volgt dat de door de gemachtigde gestelde verhindering reeds een dag na ontvangst van de uitnodiging voor de zitting bij de gemachtigde bekend was. Evenwel heeft de gemachtigde eerst op 18 september 2025, dat wil zeggen op een moment dat een wijziging van de agenda van de zitting niet meer goed mogelijk was, de griffier de rechtbank van de verhindering bericht. De gemachtigde heeft verder niet aangegeven dat hij zich niet kon laten vervangen, dat zijn client door de gemachtigde persoonlijk wilde worden bijgestaan en dat en waarom zijn client in deze zaak niet zelf in staat was om zijn standpunt ter zitting toe te lichten. Nadat de gemachtigde bericht was dat zijn verzoek om uitstel niet zou worden toegewezen, heeft de gemachtigde het verzoek niet nader onderbouwd maar heeft hij, bij brief van 21 september 2025, de nadere gronden van het beroep met bijbehorend fotomateriaal toegezonden aan de griffier van de rechtbank. Naar het oordeel van het hof kon de kantonrechter onder deze omstandigheden, zonder schending van het recht van de betrokkene om ten overstaan van de rechter zijn standpunt toe te lichten, het aanhoudingsverzoek afwijzen. 8. Er is geen aanleiding het appelverbod buiten toepassing te laten. Het hof zal het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren en het verzoek om proceskostenvergoeding afwijzen. De beslissing Het gerechtshof: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2375 text/xml public 2026-05-13T14:33:25 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-21 Wahv 200.362.289/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2375 text/html public 2026-05-13T14:33:05 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2375 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 21-04-2026 / Wahv 200.362.289/01 Appelverbod. Er is geen aanleiding om het appelverbod buiten toepassing te laten. Onder de gegeven omstandigheden heeft de kantonrechter, zonder schending van het recht van de betrokkene om ten overstaan van de rechter zijn standpunt toe te kunnen lichten, het aanhoudingsverzoek kunnen afwijzen. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.362.289/01 CJIB-nummer : 262732500 Uitspraak d.d. : 21 april 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 26 september 2025, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats]. De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de beslissing gewijzigd in die zin dat de feitcode wordt gewijzigd in R311 en de sanctie wordt vastgesteld op € 110,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 113,38. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling 1. Artikel 14 van de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter: - wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,- - wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de betrokkene de juistheid van die beslissing in hoger beroep betwist. 2. Het hof stelt vast dat in deze zaak de kantonrechter het beroep gedeeltelijk gegrond heeft verklaard, de feitcode heeft gewijzigd en het bedrag van de sanctie heeft vastgesteld op € 110,-. Dit betekent dat tegen de beslissing van de kantonrechter geen hoger beroep openstaat. 3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten, omdat geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. De gemachtigde stelt (naar het hof begrijpt) dat de kantonrechter ten onrechte het aanhoudingsverzoek heeft afgewezen. 4. In artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ligt het recht op toegang tot de rechter besloten, daaronder begrepen het recht om ten overstaan van de rechter zijn standpunt toe te lichten, zoals uitgewerkt in artikel 12, eerste lid, van de Wahv. Wanneer blijkt dat dit recht is geschonden - en daarop een beroep wordt gedaan - kan het appelverbod buiten toepassing worden gelaten (zie het arrest van dit hof van 12 juli 2018, te raadplegen op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2018:6402). 5. Uit de stukken in het dossier leidt het hof het volgende af. De gemachtigde is bij brief van 7 augustus 2025 opgeroepen voor de zitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn op 26 september 2025 om 10.30 uur. Bij e-mail van 18 september 2025 heeft de gemachtigde om aanhouding verzocht van de behandeling van de zaak op deze zitting. Hierbij geeft de gemachtigde aan dat de griffier van de rechtbank Noord-Holland hem ook heeft uitgenodigd voor een zitting op dezelfde dag om 9.00 uur waardoor het niet mogelijk is in Apeldoorn te zijn om 10.30 uur. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de gemachtigde twee op 8 augustus 2025 gedateerde en aan hem gerichte oproepingen van de griffier van de rechtbank Noord-Holland bijgevoegd. 6. Bij brief van 19 september 2025 heeft de griffier van de rechtbank de gemachtigde laten weten dat het verzoek om aanhouding wordt afgewezen. Hiertoe is opgemerkt: “Uit de bijlage bij uw mail blijkt dat u later, bij brieven van 8 augustus 2025, opgeroepen bent door de rechtbank Noord-Holland. Een verzoek om uitstel dient zo snel mogelijk nadat bekend is dat sprake is van verhindering te zijn ingediend. Nu dat niet het geval is, wordt geen uitstel verleend.” 7. Uit het bovenstaande volgt dat de door de gemachtigde gestelde verhindering reeds een dag na ontvangst van de uitnodiging voor de zitting bij de gemachtigde bekend was. Evenwel heeft de gemachtigde eerst op 18 september 2025, dat wil zeggen op een moment dat een wijziging van de agenda van de zitting niet meer goed mogelijk was, de griffier de rechtbank van de verhindering bericht. De gemachtigde heeft verder niet aangegeven dat hij zich niet kon laten vervangen, dat zijn client door de gemachtigde persoonlijk wilde worden bijgestaan en dat en waarom zijn client in deze zaak niet zelf in staat was om zijn standpunt ter zitting toe te lichten. Nadat de gemachtigde bericht was dat zijn verzoek om uitstel niet zou worden toegewezen, heeft de gemachtigde het verzoek niet nader onderbouwd maar heeft hij, bij brief van 21 september 2025, de nadere gronden van het beroep met bijbehorend fotomateriaal toegezonden aan de griffier van de rechtbank. Naar het oordeel van het hof kon de kantonrechter onder deze omstandigheden, zonder schending van het recht van de betrokkene om ten overstaan van de rechter zijn standpunt toe te lichten, het aanhoudingsverzoek afwijzen. 8. Er is geen aanleiding het appelverbod buiten toepassing te laten. Het hof zal het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren en het verzoek om proceskostenvergoeding afwijzen. De beslissing Het gerechtshof: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.