Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-01-13
ECLI:NL:GHARL:2026:235
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers BK-ARN 24/3 tot en met 24/6 uitspraakdatum: 13 januari 2026 Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 27 oktober 2023, nummers ARN 22/2679, 22/2808, 22/3547 en 22/5253, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende zijn naheffingsaanslagen in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van respectievelijk € 2.140 (auto 1), € 2.980 (auto 2), € 2.908 (auto 3) en € 10.310 (auto 4). 1.2. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslagen BPM gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft de beroepen voor de auto’s 3 en 4 ongegrond verklaard, voor de auto’s 1 en 2 gegrond verklaard, de naheffingsaanslagen voor de auto’s 1 en 2 verminderd tot respectievelijk € 2.101 en € 988, en vergoedingen voor proceskosten en griffierecht toegekend van respectievelijk € 4.532 en € 730. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2025. Namens belanghebbende is mr. [naam1] verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam2] en mr. [naam3] verschenen. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende heeft voor vier personenauto’s (hierna: de auto’s) op aangifte bedragen aan BPM voldaan. Bij de aangiften zijn taxatierapporten gevoegd waarin herstelkosten zijn gecalculeerd. Deze herstelkosten zijn (deels) in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarden die zijn gebaseerd op koerslijsten. 2.2. De Inspecteur heeft voor de auto’s een ‘onderzoek waardebepaling’ laten doen door de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Van deze onderzoeken zijn rapporten opgemaakt. Naar aanleiding van de bevindingen in deze rapporten heeft de Inspecteur aan belanghebbende naheffingsaanslagen opgelegd. De Rechtbank heeft de naheffingsaanslagen voor de auto’s 1 en 2 verminderd. De naheffingsaanslagen zijn, na beroep, als volgt berekend: Auto 1 ( [kenteken1] ) Auto 2 ( [kenteken2] ) Auto 3 ( [kenteken3] ) Auto 4 ( [kenteken4] ) Merk en type Range Rover Sport 3.0 Mercedes-Benz 400d 4 MATIC Audi A3 Audi RS Q7 Catalogusprijs € 114.510 € 113.782 € 73.143 € 198.723 BPM 33.787 (CO2 185 gr/km) 38.070 (CO2 187 gr/km) 23.440 (CO2 189 gr/km) 66.734 (CO2 300 gr/km) = Consumentenprijs (= historische nieuwprijs) 148.297 151.852 96.583 265.457 Handelsinkoopwaarde (onbeschadigd) € 37.068 € 79.275 € 32.800 € 146.889 Dealer- en marktsituatie -/- 10.408 Schade -/- 185 -/- 1.173 0 0 = Handelsinkoopwaarde (beschadigd) 36.883 67.694 32.800 146.889 Afschrijving 75,13% 55,42% 66,04% 44,67% Historische BPM € 31.942 (CO2 185 gr/km) € 48.860 (CO2 208 gr/km) € 24.865 (CO2 192 gr/km) € 68.462 (CO2 304 gr/km) Afschrijving -/- 23.999 -/- 27.079 -/- 16.421 -/- 30.583 = Verschuldigde BPM 7.943 21.781 8.444 37.879 Extra leeftijdskorting 0 -/- 892 -/- 991 0 Betaald op aangifte -/- 5.842 -/- 19.901 -/- 4.545 -/- 27.569 = Naheffingsaanslag € 2.101 € 988 € 2.908 € 10.310 3 Geschil 3.1. In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht en tot een juist bedrag zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. 3.2. Belanghebbende betoogt in hoger beroep: ( i) dat alle naheffingsaanslagen op basis van de zogenoemde herleidingsmethode moeten worden vernietigd; (ii) dat voor het berekenen van de afschrijving van de auto’s 2 tot en met 4 de historische nieuwprijs moet worden gebaseerd op het (hogere) bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto (met een hogere CO2-uitstoot) is verschuldigd, en niet aan de hand van de (lagere) B Belanghebbende heeft ter zitting gewezen op een intern e-mailbericht van de Belastingdienst van 15 april 2024, met als onderwerp ‘Terugkoppeling platform koerslijsten en beleid m.b.t. toepassen koerslijsten’. Daarin is onder meer het volgende vermeld: “Vanzelfsprekend is het wel van belang om goed te blijven beoordelen of de koerslijst daadwerkelijk overeenkomt met het voertuig uit de aangifte en of er sprake is van verdergaande afwijkingen dan in relatief en absolute zin geringe afwijkingen in CO2-uitstoot (dergelijke kleine verschillen verhinderen toepassing van de koerslijst immers niet). In eerdere gesprekken gaven koerslijstproviders ook aan dat verschillen vaak zijn terug te voeren op onjuist gebruik van de koerslijsten door gebruikers daarvan.” Volgens belanghebbende betreft deze mededeling beleid waaraan het vertrouwen kan worden ontleend dat een geringe afwijking in CO2-uitstoot – zoals in het onderhavige geval bij de auto’s 3 en 4 – niet in de weg staat aan toepassing van een koerslijst, zodat in die gevallen geen aanleiding bestaat de handelsinkoopwaarde te verhogen bij een hogere CO2-uitstoot. 4.7. Anders dan belanghebbende betoogt, kan aan dit intern e-mailbericht geen vertrouwen worden ontleend. Nu dit bericht niet is gepubliceerd, komt aan het vertrouwensbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur geen rol toe. Proceskostenvergoeding bezwaarfase: waarde per punt 4.8. De Rechtbank heeft de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten. Bij de vaststelling van de vergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase heeft de Rechtbank rekening gehouden met de ‘lage’ waarde per punt van € 296 uit het Besluit proceskosten bestuursrecht. 4.9. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060 dient te worden uitgegaan van de ‘hoge’ puntwaarde in bezwaar. Berekend naar het tarief van 2026 beloopt de vergoeding van de bezwaarkosten € 1.332 (1 punt voor bezwaarschrift, 1 punt voor hoorzitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 666). De voor de beroepsfase toegekende proceskostenvergoeding van € 1.674 is niet in geschil. Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn hoger beroep 4.10. De procedure in hoger beroep is op 28 november 2023 aangevangen. De hogerberoepsfase is afgesloten met onderhavige uitspraak op 13 januari 2026. De behandeling van het hoger beroep heeft derhalve in totaal meer dan twee jaar geduurd. De redelijke termijn van twee jaar is daarom overschreden. Nu bijzondere omstandigheden die een langere termijn zouden rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken, dient het bedrag van de immateriële schadevergoeding te worden berekend op € 500. De Staat zal daartoe worden veroordeeld. Slotsom Gelet op het overwogene in 4.9 wordt het hoger beroep van belanghebbende gegrond verklaard. 5 Griffierecht en proceskosten 5.1. Het Hof ziet aanleiding voor vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 548. 5.2. Het Hof vindt bovendien aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. 5.3. Het Hof stelt de kosten voor verleende rechtsbijstand op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 467 voor de hogerberoepsfase (1 punt voor hogerberoepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 0,25, waarde per punt € 934). In de omstandigheid dat de uitspraak van de Rechtbank uitsluitend is vernietigd wegens het toekennen van een te lage bezwaarkostenvergoeding, ziet het Hof aanleiding een wegingsfactor 0,25 aan deze zaak toe te kennen. Voor het in hoger beroep gedane verzoek tot vergoeding van immateriële schade wordt geen aanvullend punt toegekend. 6 Beslissing Het Hof: verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond; vernietigt de uitspraak van de Rechtbank uitsluitend voor wat betreft de toegekende bezwaarkostenvergoeding; bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige; veroordeelt de Inspect