Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-20
ECLI:NL:GHARL:2026:2334
Civiel recht; Arbeidsrecht
Hoger beroep
20,288 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2334 text/xml public 2026-04-28T17:00:21 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-20 200.360.456 Uitspraak Hoger beroep NL Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2334 text/html public 2026-04-22T13:27:00 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2334 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 20-04-2026 / 200.360.456 Arbeidsrecht, ontbinding op de i-grond, hoogte cumulatievergoeding, pensioenschade GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.360.456 zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen: 11657496 beschikking van 20 april 2026 in de zaak van [appellant1] ( [appellant1] ) die woont in [woonplaats1] advocaat: mr. R.K.A. Kop tegen Alfa Laval Nijmegen B.V. (ALN) die is gevestigd in Nijmegen advocaten: mrs. S.A. Poelman en C. Jacobs 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1 [appellant1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, op 18 juli 2025 tussen partijen heeft uitgesproken (principaal hoger beroep). Ook ALN heeft tegen die beschikking hoger beroep ingesteld (incidenteel hoger beroep). Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit: het beroepschrift met producties, op de griffie binnengekomen op 17 oktober 2025 het verweerschrift met producties met daarin een verzoek in incidenteel hoger beroep het verweerschrift in incidenteel hoger beroep met één productie. 1.2 Op 18 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een proces-verbaal gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd. Hierna hebben partijen het hof gevraagd beschikking te wijzen. 2 De kern van de zaak 2.1 Tussen ALN en haar werknemer [appellant1] is een arbeidsgeschil ontstaan. ALN heeft bij de kantonrechter een verzoek ingediend om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Ook [appellant1] heeft om ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht, onder meer onder toekenning van (billijke) vergoedingen. 2.2. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst per 1 september 2025 ontbonden op de i-grond met toekenning van een transitievergoeding en een vergoeding omdat op de cumulatiegrond is ontbonden (de zogenaamde cumulatievergoeding). De door [appellant1] verzochte andere vergoedingen zijn afgewezen. De door [appellant1] verzochte ontbinding is toegewezen voor het geval ALN het verzoek tot ontbinding intrekt, wat zij uiteindelijk niet heeft gedaan. 2.3. Zowel [appellant1] als ALN hebben hoger beroep ingesteld van de bestreden beschikking. Het hof verwerpt het hoger beroep van [appellant1] en ALN. De beschikking van de kantonrechter blijft in stand. Het hof legt dit oordeel hierna uit. Het hof zal eerst de feiten vaststellen en daarna het oordeel van de kantonrechter en de verzoeken in hoger beroep weergeven. 3 De feiten 3.1 ALN maakt onderdeel uit van de wereldwijde Alfa Laval groep. ALN legt zich toe op de ontwikkeling, verkoop en productie van inerte gas systemen (IGS) en exhaust gas systems (EGS) voor toepassingen in de maritieme sector. De activiteiten van ALN behoren binnen de Alfa Laval groep tot de Business Unit Heat & Gas Systems (BU HGS), onderdeel van de binnen de groep te onderscheiden Divisie Marine Business. ALN dient daarbij ook als servicelocatie ten behoeve van de BU HGS. 3.2. Op 1 juli 2011 is [appellant1] bij ALN in dienst getreden. Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van International Sales Engineer voor 38 uur per week tegen een maandsalaris van € 6.498,61 bruto. 3.3. Op 12 september 2024 is door ALN een adviesaanvraag voor een reorganisatie bij de Ondernemingsraad ingediend. Daarin staat het voornemen om de aan IGS gerelateerde activiteiten geheel te staken en de aan EGC gerelateerde activiteiten vanuit de onderneming in Denemarken (Aalborg) en China (Qingdao) te verrichten. ALN zou dan enkel nog als servicelocatie ten behoeve van de BU HGS blijven voortbestaan, waardoor ruim 50 arbeidsplaatsen binnen ALN vervallen. 3.4. Op 26 september 2024 heeft ALN een melding in de zin van de Wet melding collectief ontslag gedaan. De Ondernemingsraad heeft op 30 oktober 2024 een positief advies uitgebracht en heeft het Sociaal Plan ondertekend. 3.5. Op 22 oktober 2024 heeft [appellant1] zich ziekgemeld bij ALN. Per 28 oktober 2024 is [appellant1] beter gemeld. 3.6. Op 28 oktober 2024 heeft ALN voor onder andere [appellant1] een voorlopige ontslagaanvraag (formulier A) ingediend bij het UWV. Op 29 oktober 2024 zijn individuele gesprekken gevoerd met werknemers wier arbeidsplaats zou komen te vervallen en zijn zij tot 4 november 2024 vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden. 3.7. Tijdens een gesprek op 31 oktober 2024 is [appellant1] gewezen op de vacature Sales Manager EPP in Aalborg waarop [appellant1] volgens ALN kon solliciteren. Tijdens een update meeting met de gehele organisatie heeft [appellant1] zich openlijk kritisch uitgelaten. Hij is daarop in een gesprek op 5 november 2024 met [persoon1] (Head of Global Sales) en [persoon2] (HR Business Partner) aangesproken. Na dit gesprek zijn meerdere vacatures aan [appellant1] toegestuurd en is hem een voorstel gedaan om tot ondertekening van een vaststellingsovereenkomst te komen. 3.8. Op 11 november 2024 heeft [appellant1] een tegenvoorstel terzake de beëindiging van de arbeidsovereenkomst gedaan. Dat is door ALN niet geaccepteerd. 3.9. In een emailbericht van 13 november 2024 aan [persoon3] (managing director) heeft [appellant1] gereageerd op het afwijzen van het tegenvoorstel en schrijft hij onder meer: “Wanneer we door het UWV in het gelijk worden gesteld, roven we gezamenlijk de reorganisatiepot leeg en hijsen we de piratenvlag. Ook zullen we intern en extern uit de doeken doen wat er zich in Nijmegen heeft afgespeeld. Of daarbij ook sociale media mag worden ingezet, moet nog worden uitgezocht. De geldigheid van mijn voorstel loopt nog tot morgen 12 uur (zoals aangegeven). Het staat je vrij om het niet te accepteren, maar daarna gaan we een héél ander traject volgen. (…) PS. Mijn einddatum moet trouwens worden aangepast naar 1 januari 2025. Daarvoor zal Alfa Laval de aanvullende compensatie betalen. Ik ga namelijk niet nog een half jaar tegen jouw kop zitten aankijken en me ergeren aan de ellende die jij en je kornuiten hebben veroorzaakt.” 3.10. Op 14 november 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [persoon3] , [persoon2] en [appellant1] . Dat gesprek is geëscaleerd. [appellant1] is door ALN per die datum op non-actief gesteld. 3.11. [appellant1] heeft zich per 15 november 2024 ziekgemeld. 3.12. In een emailbericht van 15 november 2024 heeft [appellant1] zijn excuses aangeboden voor de zinnen waarmee hij de email van 13 november 2024 heeft afgesloten. Zijn gemachtigde heeft de excuses van [appellant1] herhaald. 3.13. In een beslissing van het UWV van 7 februari 2025 is de toestemming voor het ontslag van [appellant1] op grond van artikel 7:671a BW geweigerd. 3.14. Op 18 maart 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [appellant1] , [persoon2] en [persoon3] waarin is gesproken over hetgeen in november 2024 is voorgevallen en waarin [appellant1] (opnieuw) is gewezen op een functie in Denemarken. [persoon3] heeft voor deze functie een schriftelijke aanbeveling geschreven voor [appellant1] . Op 26 maart 2025 is aan [appellant1] bericht dat deze functie door een andere boventallige werknemer, na sollicitatie, is vervuld. 3.15. Op 4 april 2025 is bij de rechtbank Gelderland het verzoek van ALN tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst binnen gekomen. In de beschikking van 18 juli 2025 heeft de kantonrechter in die rechtbank de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden met ingang van 1 september 2025. 3.16. Op verzoek van [appellant1] heeft het UWV op 13 oktober 2025 een deskundigenoordeel gegeven. Het oordeel luidt dat UWV vindt dat [appellant1] zijn eigen werk op 28 oktober 2024 en 7 april 2025 niet kon doen en dat hij per 18 juli 2025 geschikt wordt geacht voor het uitvoeren van zijn arbeid, maar niet bij zijn laatste werkgever.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2334 text/xml public 2026-04-28T17:00:21 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-20 200.360.456 Uitspraak Hoger beroep NL Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2334 text/html public 2026-04-22T13:27:00 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2334 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 20-04-2026 / 200.360.456 Arbeidsrecht, ontbinding op de i-grond, hoogte cumulatievergoeding, pensioenschade GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.360.456 zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen: 11657496 beschikking van 20 april 2026 in de zaak van [appellant1] ( [appellant1] ) die woont in [woonplaats1] advocaat: mr. R.K.A. Kop tegen Alfa Laval Nijmegen B.V. (ALN) die is gevestigd in Nijmegen advocaten: mrs. S.A. Poelman en C. Jacobs 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1 [appellant1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, op 18 juli 2025 tussen partijen heeft uitgesproken (principaal hoger beroep). Ook ALN heeft tegen die beschikking hoger beroep ingesteld (incidenteel hoger beroep). Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit: het beroepschrift met producties, op de griffie binnengekomen op 17 oktober 2025 het verweerschrift met producties met daarin een verzoek in incidenteel hoger beroep het verweerschrift in incidenteel hoger beroep met één productie. 1.2 Op 18 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een proces-verbaal gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd. Hierna hebben partijen het hof gevraagd beschikking te wijzen. 2 De kern van de zaak 2.1 Tussen ALN en haar werknemer [appellant1] is een arbeidsgeschil ontstaan. ALN heeft bij de kantonrechter een verzoek ingediend om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Ook [appellant1] heeft om ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht, onder meer onder toekenning van (billijke) vergoedingen. 2.2. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst per 1 september 2025 ontbonden op de i-grond met toekenning van een transitievergoeding en een vergoeding omdat op de cumulatiegrond is ontbonden (de zogenaamde cumulatievergoeding). De door [appellant1] verzochte andere vergoedingen zijn afgewezen. De door [appellant1] verzochte ontbinding is toegewezen voor het geval ALN het verzoek tot ontbinding intrekt, wat zij uiteindelijk niet heeft gedaan. 2.3. Zowel [appellant1] als ALN hebben hoger beroep ingesteld van de bestreden beschikking. Het hof verwerpt het hoger beroep van [appellant1] en ALN. De beschikking van de kantonrechter blijft in stand. Het hof legt dit oordeel hierna uit. Het hof zal eerst de feiten vaststellen en daarna het oordeel van de kantonrechter en de verzoeken in hoger beroep weergeven. 3 De feiten 3.1 ALN maakt onderdeel uit van de wereldwijde Alfa Laval groep. ALN legt zich toe op de ontwikkeling, verkoop en productie van inerte gas systemen (IGS) en exhaust gas systems (EGS) voor toepassingen in de maritieme sector. De activiteiten van ALN behoren binnen de Alfa Laval groep tot de Business Unit Heat & Gas Systems (BU HGS), onderdeel van de binnen de groep te onderscheiden Divisie Marine Business. ALN dient daarbij ook als servicelocatie ten behoeve van de BU HGS. 3.2. Op 1 juli 2011 is [appellant1] bij ALN in dienst getreden. Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van International Sales Engineer voor 38 uur per week tegen een maandsalaris van € 6.498,61 bruto. 3.3. Op 12 september 2024 is door ALN een adviesaanvraag voor een reorganisatie bij de Ondernemingsraad ingediend. Daarin staat het voornemen om de aan IGS gerelateerde activiteiten geheel te staken en de aan EGC gerelateerde activiteiten vanuit de onderneming in Denemarken (Aalborg) en China (Qingdao) te verrichten. ALN zou dan enkel nog als servicelocatie ten behoeve van de BU HGS blijven voortbestaan, waardoor ruim 50 arbeidsplaatsen binnen ALN vervallen. 3.4. Op 26 september 2024 heeft ALN een melding in de zin van de Wet melding collectief ontslag gedaan. De Ondernemingsraad heeft op 30 oktober 2024 een positief advies uitgebracht en heeft het Sociaal Plan ondertekend. 3.5. Op 22 oktober 2024 heeft [appellant1] zich ziekgemeld bij ALN. Per 28 oktober 2024 is [appellant1] beter gemeld. 3.6. Op 28 oktober 2024 heeft ALN voor onder andere [appellant1] een voorlopige ontslagaanvraag (formulier A) ingediend bij het UWV. Op 29 oktober 2024 zijn individuele gesprekken gevoerd met werknemers wier arbeidsplaats zou komen te vervallen en zijn zij tot 4 november 2024 vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden. 3.7. Tijdens een gesprek op 31 oktober 2024 is [appellant1] gewezen op de vacature Sales Manager EPP in Aalborg waarop [appellant1] volgens ALN kon solliciteren. Tijdens een update meeting met de gehele organisatie heeft [appellant1] zich openlijk kritisch uitgelaten. Hij is daarop in een gesprek op 5 november 2024 met [persoon1] (Head of Global Sales) en [persoon2] (HR Business Partner) aangesproken. Na dit gesprek zijn meerdere vacatures aan [appellant1] toegestuurd en is hem een voorstel gedaan om tot ondertekening van een vaststellingsovereenkomst te komen. 3.8. Op 11 november 2024 heeft [appellant1] een tegenvoorstel terzake de beëindiging van de arbeidsovereenkomst gedaan. Dat is door ALN niet geaccepteerd. 3.9. In een emailbericht van 13 november 2024 aan [persoon3] (managing director) heeft [appellant1] gereageerd op het afwijzen van het tegenvoorstel en schrijft hij onder meer: “Wanneer we door het UWV in het gelijk worden gesteld, roven we gezamenlijk de reorganisatiepot leeg en hijsen we de piratenvlag. Ook zullen we intern en extern uit de doeken doen wat er zich in Nijmegen heeft afgespeeld. Of daarbij ook sociale media mag worden ingezet, moet nog worden uitgezocht. De geldigheid van mijn voorstel loopt nog tot morgen 12 uur (zoals aangegeven). Het staat je vrij om het niet te accepteren, maar daarna gaan we een héél ander traject volgen. (…) PS. Mijn einddatum moet trouwens worden aangepast naar 1 januari 2025. Daarvoor zal Alfa Laval de aanvullende compensatie betalen. Ik ga namelijk niet nog een half jaar tegen jouw kop zitten aankijken en me ergeren aan de ellende die jij en je kornuiten hebben veroorzaakt.” 3.10. Op 14 november 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [persoon3] , [persoon2] en [appellant1] . Dat gesprek is geëscaleerd. [appellant1] is door ALN per die datum op non-actief gesteld. 3.11. [appellant1] heeft zich per 15 november 2024 ziekgemeld. 3.12. In een emailbericht van 15 november 2024 heeft [appellant1] zijn excuses aangeboden voor de zinnen waarmee hij de email van 13 november 2024 heeft afgesloten. Zijn gemachtigde heeft de excuses van [appellant1] herhaald. 3.13. In een beslissing van het UWV van 7 februari 2025 is de toestemming voor het ontslag van [appellant1] op grond van artikel 7:671a BW geweigerd. 3.14. Op 18 maart 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [appellant1] , [persoon2] en [persoon3] waarin is gesproken over hetgeen in november 2024 is voorgevallen en waarin [appellant1] (opnieuw) is gewezen op een functie in Denemarken. [persoon3] heeft voor deze functie een schriftelijke aanbeveling geschreven voor [appellant1] . Op 26 maart 2025 is aan [appellant1] bericht dat deze functie door een andere boventallige werknemer, na sollicitatie, is vervuld. 3.15. Op 4 april 2025 is bij de rechtbank Gelderland het verzoek van ALN tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst binnen gekomen. In de beschikking van 18 juli 2025 heeft de kantonrechter in die rechtbank de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden met ingang van 1 september 2025. 3.16. Op verzoek van [appellant1] heeft het UWV op 13 oktober 2025 een deskundigenoordeel gegeven. Het oordeel luidt dat UWV vindt dat [appellant1] zijn eigen werk op 28 oktober 2024 en 7 april 2025 niet kon doen en dat hij per 18 juli 2025 geschikt wordt geacht voor het uitvoeren van zijn arbeid, maar niet bij zijn laatste werkgever.
Volledig
Dit oordeel is gebaseerd op de rapportage van de verzekeringsarts van dezelfde datum als het deskundigenoordeel. In deze rapportage is te lezen dat de verzekeringsarts [appellant1] op 28 oktober 2024 en vanaf 9 april 2025 arbeidsongeschikt acht en van 5 februari 2025 tot en met 9 april 2025 als arbeidsgeschikt aanmerkt. In deze rapportage staat dit onder het kopje ‘Conclusie’ eveneens opgenomen met dien verstande dat niet 9 april 2025, maar 7 april 2025 is genoemd. 3.17. [appellant1] is per 1 november 2025 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij Econowind in de functie van sales manager en verdient daar naar eigen zeggen een salaris gelijk aan zijn salaris bij ALN. 4 Het oordeel van de kantonrechter 4.1. Het hof zal eerst (vrij uitvoerig) de beslissing van de kantonrechter weergegeven omdat, zoals hierna zal blijken, het hof bij de motivering van meerdere beslissingen zal aansluiten. 4.2. ALN heeft het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst gebaseerd op de a-, e-, g- en i-grond. De kantonrechter heeft het verzoek van ALN op de a-grond afgewezen. De kantonrechter heeft het voldoende aannemelijk geacht dat ALN in het kader van een doelmatige bedrijfsvoering maatregelen moest treffen die baanverlies binnen de organisatie tot gevolg hadden. De kantonrechter acht de in het kader van het bepalen van de ontslagvolgorde door ALN gemaakte categorieën sales functies (categorie Field Sales (service) en categorie Field Sales III (Capital Sales)) onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter is ook van oordeel dat ALN onvoldoende heeft onderbouwd dat de functies bij Field Sales III (Capital Sales) en Field Sales (service) wezenlijk verschillen. Dat de functie van Brands (ondergebracht in de categorie Field Sales III (Capital Sales)) niet uitwisselbaar is met Field Sales (service) is onvoldoende gebleken en daarmee ook dat de arbeidsplaats van [appellant1] als gevolg van de reorganisatie noodzakelijkerwijs is komen te vervallen. 4.3. Wat betreft de e- en de g-grond heeft de kantonrechter overwogen dat [appellant1] te ver is gegaan in zijn email van 13 november 2024 maar dat de uitlating moet worden bezien tegen de achtergrond van de voorgenomen reorganisatie waarbij [appellant1] – ten onrechte volgens het UWV en het oordeel van de kantonrechter – zijn baan dreigde te verliezen. Desondanks kan [appellant1] worden verweten dat hij zijn onvrede op deze wijze heeft geuit. De gezondheidsproblemen en de gemaakte excuses zijn volgens de kantonrechter verzachtende omstandigheden. Het gesprek op 14 november 2024 is onprettig en verhit verlopen maar de kantonrechter heeft niet kunnen vaststellen dat [appellant1] hiervan in overwegende mate een verwijt kan worden gemaakt. Na deze voorvallen en de beslissing van het UWV op 7 februari 2025 waarin toestemming voor ontslag is geweigerd, heeft er op 18 maart 2025 een herplaatsingsgesprek plaatsgevonden waarbij de lucht flink is geklaard, waarin [appellant1] is gewezen op een functie binnen de onderneming in Denemarken en waarbij [appellant1] van harte is aanbevolen door ALN. Tegen deze achtergrond is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van een situatie die maakt dat van ALN na de uitlatingen van [appellant1] in november 2024 niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren als bedoeld in 7:669 lid 1 onder e BW). Evenmin is sprake van een ernstige en duurzaam verstoorde verhouding. Er was wel een duidelijke verstoring in de verhoudingen maar dat de verstoring niet meer op te lossen zou zijn, volgt de kantonrechter niet. 4.4. Een combinatie van de onvoldragen e- en de g-grond levert wel een voldragen i-grond op volgens de kantonrechter. De kantonrechter heeft vastgesteld dat sprake is van verstoorde arbeidsverhoudingen en dat [appellant1] de arbeidsovereenkomst met ALN niet wil voorzetten. De kantonrechter heeft geschetst welke steken ALN heeft laten vallen: zij heeft bij het UWV niet weten te onderbouwen waarom de functie van [appellant1] verviel. Dat [appellant1] zich in het kader van de reorganisatie onredelijk heeft opgesteld, kan dan ook niet worden vastgesteld. ALN heeft gemeend dat het gedrag van [appellant1] in november 2024 een dringende reden voor ontslag opleverde maar heeft dat vervolgens niet doorgezet. Na de beslissing van het UWV heeft ALN weliswaar gesproken met [appellant1] over herplaatsing maar dit kreeg enkel vorm in het wijzen op sollicitatiemogelijkheden en kort daarna is gekozen voor de route van het verzoeken van het einde van het dienstverband. Er is al met al niet ingezet op herstel van verhoudingen en behoud van [appellant1] voor de organisatie. [appellant1] kan worden verweten dat hij zich te fors heeft geuit en daardoor een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de verstoorde verhoudingen, hij heeft zelf geen initiatief genomen om tot herstel hiervan te komen. Hij heeft niet gesolliciteerd naar functies waarop ALN hem heeft gewezen en waarvoor zij hem heeft aanbevolen. Dit alles leidt tot het oordeel dat in onderlinge samenhang bezien sprake is van een voldragen combinatiegrond (de i-grond), zonder dat aan één van partijen een overwegend verwijt kan worden gemaakt. Deze omstandigheden rechtvaardigen een cumulatievergoeding van 50%. De door [appellant1] gevraagde billijke en overige vergoedingen zijn afgewezen omdat die allemaal zijn gestoeld op ernstig verwijtbaar handelen van ALN en daarvan is volgens de kantonrechter geen sprake. 5. De verzoeken in hoger beroep 5.1. In hoger beroep verzoekt [appellant1] om vernietiging van de bestreden beschikking en primair: a) te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden hersteld maar eindigt - door de ook in deze procedure te onderschrijven ontbinding, al dan niet met toevoeging van de h-grond - per 1 september 2025 en dat bij die ontbinding en dat einde een transitievergoeding – met de maximale verhoging (van 50%) verschuldigd is en blijft, groot € 52.496,37 bruto (t=1,5); b) te verklaren voor recht dat [appellant1] vanaf oktober (het hof begrijpt:) 2024, voor de ontslagaanvraag, ziek/arbeidsongeschikt was en is en is gebleven en dat hij ook ziek uit dienst is gegaan; c) het reeds gehonoreerde verzoek van [appellant1] om te bepalen dat ALN geen rechten kan en zal ontlenen aan het concurrentiebeding en relatiebeding, als eerder toegezegd en weggegeven, te bevestigen en op te nemen in de door het gerechtshof af te geven uitspraak; d) te verklaren voor recht dat ALN ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en nagelaten en dat zij (ook) op die grond gehouden is een billijke vergoeding te voldoen aan [appellant1] , alsmede te verklaren voor recht dat [appellant1] recht heeft op een (het hof begrijpt:) billijke vergoeding, in plaats van herstel van zijn arbeidsovereenkomst; e) ALN te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding of een schadevergoeding, ten aanzien van de pensioenschade en de compensatie van het pensioengat van [appellant1] van (na eisvermindering ter zitting) € 129.000 dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met rente; f) ALN te veroordelen om de eerder geclaimde billijke vergoedingen van € 75.000 bruto en € 150.000 bruto aan [appellant1] te voldoen en netto uit te betalen binnen 2 weken na de te wijzen beschikking althans twee billijke vergoedingen toe te kennen ziend op de vergoeding in plaats van herstel en ziend op het ernstig verwijtbaar handelen van ALN, ook binnen twee weken netto uit te betalen; g) te bepalen dat de advocaatkosten (van minimaal € 20.000), de materiele en immateriële schade en de reputatieschade (begroot op € 25.000) en het te weinig uitbetaalde loon tot 1 september 2025 en de overige vorderingen en gevraagde voorzieningen aan [appellant1] dienen te worden vergoed, al dan niet bij wijze van betaling van een billijke vergoeding, dan wel separaat voor een bedrag van in totaal € 50.000; h) ALN te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties. De subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen komen nagenoeg op hetzelfde neer en voor zover dat niet zo is, zal het hof daarop hierna zo nodig ingaan. 5.2.
Volledig
Dit oordeel is gebaseerd op de rapportage van de verzekeringsarts van dezelfde datum als het deskundigenoordeel. In deze rapportage is te lezen dat de verzekeringsarts [appellant1] op 28 oktober 2024 en vanaf 9 april 2025 arbeidsongeschikt acht en van 5 februari 2025 tot en met 9 april 2025 als arbeidsgeschikt aanmerkt. In deze rapportage staat dit onder het kopje ‘Conclusie’ eveneens opgenomen met dien verstande dat niet 9 april 2025, maar 7 april 2025 is genoemd. 3.17. [appellant1] is per 1 november 2025 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij Econowind in de functie van sales manager en verdient daar naar eigen zeggen een salaris gelijk aan zijn salaris bij ALN. 4 Het oordeel van de kantonrechter 4.1. Het hof zal eerst (vrij uitvoerig) de beslissing van de kantonrechter weergegeven omdat, zoals hierna zal blijken, het hof bij de motivering van meerdere beslissingen zal aansluiten. 4.2. ALN heeft het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst gebaseerd op de a-, e-, g- en i-grond. De kantonrechter heeft het verzoek van ALN op de a-grond afgewezen. De kantonrechter heeft het voldoende aannemelijk geacht dat ALN in het kader van een doelmatige bedrijfsvoering maatregelen moest treffen die baanverlies binnen de organisatie tot gevolg hadden. De kantonrechter acht de in het kader van het bepalen van de ontslagvolgorde door ALN gemaakte categorieën sales functies (categorie Field Sales (service) en categorie Field Sales III (Capital Sales)) onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter is ook van oordeel dat ALN onvoldoende heeft onderbouwd dat de functies bij Field Sales III (Capital Sales) en Field Sales (service) wezenlijk verschillen. Dat de functie van Brands (ondergebracht in de categorie Field Sales III (Capital Sales)) niet uitwisselbaar is met Field Sales (service) is onvoldoende gebleken en daarmee ook dat de arbeidsplaats van [appellant1] als gevolg van de reorganisatie noodzakelijkerwijs is komen te vervallen. 4.3. Wat betreft de e- en de g-grond heeft de kantonrechter overwogen dat [appellant1] te ver is gegaan in zijn email van 13 november 2024 maar dat de uitlating moet worden bezien tegen de achtergrond van de voorgenomen reorganisatie waarbij [appellant1] – ten onrechte volgens het UWV en het oordeel van de kantonrechter – zijn baan dreigde te verliezen. Desondanks kan [appellant1] worden verweten dat hij zijn onvrede op deze wijze heeft geuit. De gezondheidsproblemen en de gemaakte excuses zijn volgens de kantonrechter verzachtende omstandigheden. Het gesprek op 14 november 2024 is onprettig en verhit verlopen maar de kantonrechter heeft niet kunnen vaststellen dat [appellant1] hiervan in overwegende mate een verwijt kan worden gemaakt. Na deze voorvallen en de beslissing van het UWV op 7 februari 2025 waarin toestemming voor ontslag is geweigerd, heeft er op 18 maart 2025 een herplaatsingsgesprek plaatsgevonden waarbij de lucht flink is geklaard, waarin [appellant1] is gewezen op een functie binnen de onderneming in Denemarken en waarbij [appellant1] van harte is aanbevolen door ALN. Tegen deze achtergrond is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van een situatie die maakt dat van ALN na de uitlatingen van [appellant1] in november 2024 niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren als bedoeld in 7:669 lid 1 onder e BW). Evenmin is sprake van een ernstige en duurzaam verstoorde verhouding. Er was wel een duidelijke verstoring in de verhoudingen maar dat de verstoring niet meer op te lossen zou zijn, volgt de kantonrechter niet. 4.4. Een combinatie van de onvoldragen e- en de g-grond levert wel een voldragen i-grond op volgens de kantonrechter. De kantonrechter heeft vastgesteld dat sprake is van verstoorde arbeidsverhoudingen en dat [appellant1] de arbeidsovereenkomst met ALN niet wil voorzetten. De kantonrechter heeft geschetst welke steken ALN heeft laten vallen: zij heeft bij het UWV niet weten te onderbouwen waarom de functie van [appellant1] verviel. Dat [appellant1] zich in het kader van de reorganisatie onredelijk heeft opgesteld, kan dan ook niet worden vastgesteld. ALN heeft gemeend dat het gedrag van [appellant1] in november 2024 een dringende reden voor ontslag opleverde maar heeft dat vervolgens niet doorgezet. Na de beslissing van het UWV heeft ALN weliswaar gesproken met [appellant1] over herplaatsing maar dit kreeg enkel vorm in het wijzen op sollicitatiemogelijkheden en kort daarna is gekozen voor de route van het verzoeken van het einde van het dienstverband. Er is al met al niet ingezet op herstel van verhoudingen en behoud van [appellant1] voor de organisatie. [appellant1] kan worden verweten dat hij zich te fors heeft geuit en daardoor een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de verstoorde verhoudingen, hij heeft zelf geen initiatief genomen om tot herstel hiervan te komen. Hij heeft niet gesolliciteerd naar functies waarop ALN hem heeft gewezen en waarvoor zij hem heeft aanbevolen. Dit alles leidt tot het oordeel dat in onderlinge samenhang bezien sprake is van een voldragen combinatiegrond (de i-grond), zonder dat aan één van partijen een overwegend verwijt kan worden gemaakt. Deze omstandigheden rechtvaardigen een cumulatievergoeding van 50%. De door [appellant1] gevraagde billijke en overige vergoedingen zijn afgewezen omdat die allemaal zijn gestoeld op ernstig verwijtbaar handelen van ALN en daarvan is volgens de kantonrechter geen sprake. 5. De verzoeken in hoger beroep 5.1. In hoger beroep verzoekt [appellant1] om vernietiging van de bestreden beschikking en primair: a) te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden hersteld maar eindigt - door de ook in deze procedure te onderschrijven ontbinding, al dan niet met toevoeging van de h-grond - per 1 september 2025 en dat bij die ontbinding en dat einde een transitievergoeding – met de maximale verhoging (van 50%) verschuldigd is en blijft, groot € 52.496,37 bruto (t=1,5); b) te verklaren voor recht dat [appellant1] vanaf oktober (het hof begrijpt:) 2024, voor de ontslagaanvraag, ziek/arbeidsongeschikt was en is en is gebleven en dat hij ook ziek uit dienst is gegaan; c) het reeds gehonoreerde verzoek van [appellant1] om te bepalen dat ALN geen rechten kan en zal ontlenen aan het concurrentiebeding en relatiebeding, als eerder toegezegd en weggegeven, te bevestigen en op te nemen in de door het gerechtshof af te geven uitspraak; d) te verklaren voor recht dat ALN ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en nagelaten en dat zij (ook) op die grond gehouden is een billijke vergoeding te voldoen aan [appellant1] , alsmede te verklaren voor recht dat [appellant1] recht heeft op een (het hof begrijpt:) billijke vergoeding, in plaats van herstel van zijn arbeidsovereenkomst; e) ALN te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding of een schadevergoeding, ten aanzien van de pensioenschade en de compensatie van het pensioengat van [appellant1] van (na eisvermindering ter zitting) € 129.000 dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met rente; f) ALN te veroordelen om de eerder geclaimde billijke vergoedingen van € 75.000 bruto en € 150.000 bruto aan [appellant1] te voldoen en netto uit te betalen binnen 2 weken na de te wijzen beschikking althans twee billijke vergoedingen toe te kennen ziend op de vergoeding in plaats van herstel en ziend op het ernstig verwijtbaar handelen van ALN, ook binnen twee weken netto uit te betalen; g) te bepalen dat de advocaatkosten (van minimaal € 20.000), de materiele en immateriële schade en de reputatieschade (begroot op € 25.000) en het te weinig uitbetaalde loon tot 1 september 2025 en de overige vorderingen en gevraagde voorzieningen aan [appellant1] dienen te worden vergoed, al dan niet bij wijze van betaling van een billijke vergoeding, dan wel separaat voor een bedrag van in totaal € 50.000; h) ALN te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties. De subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen komen nagenoeg op hetzelfde neer en voor zover dat niet zo is, zal het hof daarop hierna zo nodig ingaan. 5.2.
Volledig
ALN vraagt om vernietiging van de beschikking voor zover daarin een cumulatievergoeding (van 50%) is toegekend en vraagt om terugbetaling daarvan. 6 De beoordeling door het hof 6.1. [appellant1] beoogt met zijn hoger beroep, zo begrijpt het hof, dat bovenop de toegekende transitievergoeding, (billijke) vergoedingen worden toegewezen evenals enkele andere verzoeken zoals genoemd in rov. 5.1.. Als grondslag voor de gevraagde (billijke) vergoedingen voert [appellant1] , zo heeft hij tijdens de mondelinge behandeling bij het hof bevestigd, de artikelen 7:671b BW, 7:671c BW, 7:681 BW, 7:682 BW en 7:683 lid 3 BW aan. Dat betekent dat het hof vanwege de verzochte billijke vergoeding die is gestoeld op artikel 7:683 lid 3 BW allereerst zal beoordelen of, gelet op de bezwaren die [appellant1] tegen de beslissing van de kantonrechter heeft aangevoerd, de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter terecht is ontbonden. de bezwaren van [appellant1] 6.2. [appellant1] heeft in zijn beroepschrift aangevoerd (in de derde beroepsgrond) dat de kantonrechter in een combinatie van een bijna voldragen e- en g- grond ten onrechte aanleiding heeft gezien de arbeidsovereenkomst op de i-grond te ontbinden. De e-grond is volledig afwezig, van een onherstelbare verstoring was evenmin sprake. Die ontbinding had mogelijk wel op grond van een (combinatie van) andere grond(en) gekund, bijvoorbeeld de h-grond. Ook staat er in het beroepschrift: ‘ dat er ontbonden moest worden stond en staat voor [appellant1] en ALN wel vast. Partijen verschillen alleen over het antwoord op de vraag welk prijskaartje aan de ontbinding moet worden gehangen’. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof de advocaat van [appellant1] , mede gelet op het verweer van ALN dat uit het beroepschrift volgt dat ook [appellant1] vindt dat de arbeidsovereenkomst terecht is ontbonden, om verheldering van het standpunt in hoger beroep gevraagd. De advocaat van [appellant1] heeft daarop toegelicht dat de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter terecht is ontbonden omdat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam was verstoord maar dat hij desondanks het verzoek om billijke vergoedingen onder meer op grond van artikel 7:683 lid 3 BW handhaaft, omdat hij alles open wil houden. [appellant1] zelf daarentegen heeft betwist dat de arbeidsovereenkomst terecht is ontbonden. Het hof houdt het ervoor dat [appellant1] bestrijdt dat de arbeidsovereenkomst terecht is ontbonden en zal dit, in het licht van de gronden in het beroepschrift, beoordelen. er is geen sprake van een opzegverbod 6.3. [appellant1] heeft allereerst aangevoerd dat hij ziek was ten tijde van het indienen van het verzoek tot ontbinding bij de kantonrechter op 4 april 2025 en dat het opzegverbod daarom aan de ontbinding (op de e-, g- of i-grond) in de weg stond. Uit het door [appellant1] zelf in hoger beroep overgelegde deskundigenoordeel waarop hij zich ter onderbouwing van het opzegverbod beroept, blijkt dat [appellant1] volgens de verzekeringsarts tussen 5 februari 2025 en 9 april 2025 arbeidsgeschikt was. Aan de zijde van [appellant1] is dit tijdens de mondelinge behandeling erkend. Daar komt bij dat niet is gesteld of gebleken dat het door ALN gedane ontbindingsverzoek verband houdt met de omstandigheden waarop de ziekte van [appellant1] betrekking heeft, zodat de arbeidsovereenkomst als al sprake zou zijn van een opzegverbod, toch kon worden ontbonden (7:671b lid 6 sub a BW). Dit alles maakt dat het opzegverbod tijdens ziekte niet aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg stond. i-grond 6.4. Het hof is net als de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een voldragen i-grond. [appellant1] heeft met zijn bezwaren in hoger beroep geen nieuwe argumenten aangevoerd maar herhaalt in wezen zijn bij de kantonrechter ingenomen standpunt dat geen sprake is van verwijtbaar handelen. Het hof verwijst naar de motivering van de kantonrechter over het verwijtbaar handelen en neemt die over. De email van 13 november 2024 staat daarin centraal en die moet worden bezien in de context van de reorganisatie, het dreigende baanverlies, de ziekte-episodes en de nadien gemaakte excuses. Dat zijn, zoals de kantonrechter ook heeft overwogen, verzachtende omstandigheden maar die nemen niet weg dat de door [appellant1] gekozen en op de persoon gerichte bewoordingen hem kunnen worden verweten. Daarbij is tijdens de mondelinge behandeling bij het hof door beide partijen erkend dat het gesprek op 15 november 2025 is geëscaleerd en dat [appellant1] boos is geworden. [persoon3] en [persoon2] hebben toegelicht dat het gesprek veel impact heeft gehad. De advocaat van ALN heeft verklaard dat [persoon3] hem na afloop van het gesprek bevend opbelde. [persoon2] heeft een gedetailleerd verslag van het gesprek opgesteld dat door [appellant1] – in latere instantie – in algemene bewoordingen is betwist. Los van de vraag of het hof het verslag vanwege de betwisting door [appellant1] bij het beoordeling kan betrekken, acht het hof op basis van de toelichting van [persoon2] en Van Heerkhuizen tijdens de mondelinge behandeling, voldoende aannemelijk dat [appellant1] zich in dit gesprek fors heeft geuit op een dusdanige wijze dat het wezenlijk impact heeft gehad op [persoon2] en [persoon3] . [appellant1] heeft uitgelegd dat hij ook tijdens dit gesprek heeft geworsteld met gevoelens van onbegrip, verslagenheid en onrechtvaardigheid. Dit mag zo zijn, maar dat neemt niet weg dat [appellant1] – al dan niet net als [persoon2] en [persoon3] – verantwoordelijk was voor het verloop van dit gesprek en de escalatie ervan. Daarvan kan hem dus ook een verwijt worden gemaakt, zij het dat het geen voldragen e-grond oplevert om de door de kantonrechter genoemde redenen (zie hiervoor onder rov. 4.3.). 6.5. [appellant1] heeft in het beroepschrift ook aangevoerd dat geen sprake was van een duurzame verstoring: er zijn spanningen ontstaan doordat [appellant1] boventallig is verklaard en ALN zijn vertrek nastreefde maar er had gewerkt moeten worden aan een oplossing. Nu dat niet is gebeurd, is volgens hem geen sprake van een onherstelbare verstoring. In feite onderschrijft [appellant1] hiermee het oordeel van de kantonrechter dat de relatie weliswaar was verstoord maar niet duurzaam en ernstig omdat geen pogingen tot herstel zijn ondernomen. Een bezwaar tegen dat oordeel leest het hof niet in het beroepschrift. Het hof verwijst ook in dit kader naar de motivering van de kantonrechter en neemt die over. [appellant1] heeft nog aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met het gegeven dat het UWV geen toestemming heeft gegeven voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst met [appellant1] : dat dat zijn verontwaardiging en onvrede heeft gevoed vormt weliswaar een verzachtende omstandigheid maar laat de verwijtbaarheid van de wijze waarop hij zijn onvrede heeft geuit en de mede daardoor ontstane verstoring van de arbeidsverhouding onverlet. 6.6. Tegen de achtergrond van het voorgaande is ook het hof van oordeel dat van ALN in redelijkheid niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. ALN heeft steken laten vallen in de reorganisatie en dat heeft kwaad bloed gezet bij [appellant1] maar hij heeft zich te zeer laten meeslepen in zijn onvrede en frustratie en heeft zich te fors geuit met een verstoorde verhouding tot gevolg. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een redelijke grond, weegt het hof, net als de kantonrechter, mee dat [appellant1] ook zelf heeft verklaard de arbeidsovereenkomst niet meer te willen voortzetten. In het verweerschrift in incidenteel hoger beroep heeft [appellant1] nog aangevoerd dat hij zich heeft ingespannen voor herstel van de verhoudingen en dat hij heeft gesolliciteerd maar hij heeft dit niet nader onderbouwd en maakt het voorgaande ook niet anders. Het hof verwijst naar de motivering door de kantonrechter en neemt die over. herplaatsing en gelijkheidsbeginsel 6.7. [appellant1] heeft in hoger beroep aangevoerd dat ALN niet heeft voldaan aan de herplaatsingsplicht (artikel 7:669 lid 1 BW). ALN heeft uiteengezet wat zij in het kader van de herplaatsing van [appellant1] in een passende functie heeft ondernomen.
Volledig
ALN vraagt om vernietiging van de beschikking voor zover daarin een cumulatievergoeding (van 50%) is toegekend en vraagt om terugbetaling daarvan. 6 De beoordeling door het hof 6.1. [appellant1] beoogt met zijn hoger beroep, zo begrijpt het hof, dat bovenop de toegekende transitievergoeding, (billijke) vergoedingen worden toegewezen evenals enkele andere verzoeken zoals genoemd in rov. 5.1.. Als grondslag voor de gevraagde (billijke) vergoedingen voert [appellant1] , zo heeft hij tijdens de mondelinge behandeling bij het hof bevestigd, de artikelen 7:671b BW, 7:671c BW, 7:681 BW, 7:682 BW en 7:683 lid 3 BW aan. Dat betekent dat het hof vanwege de verzochte billijke vergoeding die is gestoeld op artikel 7:683 lid 3 BW allereerst zal beoordelen of, gelet op de bezwaren die [appellant1] tegen de beslissing van de kantonrechter heeft aangevoerd, de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter terecht is ontbonden. de bezwaren van [appellant1] 6.2. [appellant1] heeft in zijn beroepschrift aangevoerd (in de derde beroepsgrond) dat de kantonrechter in een combinatie van een bijna voldragen e- en g- grond ten onrechte aanleiding heeft gezien de arbeidsovereenkomst op de i-grond te ontbinden. De e-grond is volledig afwezig, van een onherstelbare verstoring was evenmin sprake. Die ontbinding had mogelijk wel op grond van een (combinatie van) andere grond(en) gekund, bijvoorbeeld de h-grond. Ook staat er in het beroepschrift: ‘ dat er ontbonden moest worden stond en staat voor [appellant1] en ALN wel vast. Partijen verschillen alleen over het antwoord op de vraag welk prijskaartje aan de ontbinding moet worden gehangen’. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof de advocaat van [appellant1] , mede gelet op het verweer van ALN dat uit het beroepschrift volgt dat ook [appellant1] vindt dat de arbeidsovereenkomst terecht is ontbonden, om verheldering van het standpunt in hoger beroep gevraagd. De advocaat van [appellant1] heeft daarop toegelicht dat de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter terecht is ontbonden omdat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam was verstoord maar dat hij desondanks het verzoek om billijke vergoedingen onder meer op grond van artikel 7:683 lid 3 BW handhaaft, omdat hij alles open wil houden. [appellant1] zelf daarentegen heeft betwist dat de arbeidsovereenkomst terecht is ontbonden. Het hof houdt het ervoor dat [appellant1] bestrijdt dat de arbeidsovereenkomst terecht is ontbonden en zal dit, in het licht van de gronden in het beroepschrift, beoordelen. er is geen sprake van een opzegverbod 6.3. [appellant1] heeft allereerst aangevoerd dat hij ziek was ten tijde van het indienen van het verzoek tot ontbinding bij de kantonrechter op 4 april 2025 en dat het opzegverbod daarom aan de ontbinding (op de e-, g- of i-grond) in de weg stond. Uit het door [appellant1] zelf in hoger beroep overgelegde deskundigenoordeel waarop hij zich ter onderbouwing van het opzegverbod beroept, blijkt dat [appellant1] volgens de verzekeringsarts tussen 5 februari 2025 en 9 april 2025 arbeidsgeschikt was. Aan de zijde van [appellant1] is dit tijdens de mondelinge behandeling erkend. Daar komt bij dat niet is gesteld of gebleken dat het door ALN gedane ontbindingsverzoek verband houdt met de omstandigheden waarop de ziekte van [appellant1] betrekking heeft, zodat de arbeidsovereenkomst als al sprake zou zijn van een opzegverbod, toch kon worden ontbonden (7:671b lid 6 sub a BW). Dit alles maakt dat het opzegverbod tijdens ziekte niet aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg stond. i-grond 6.4. Het hof is net als de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een voldragen i-grond. [appellant1] heeft met zijn bezwaren in hoger beroep geen nieuwe argumenten aangevoerd maar herhaalt in wezen zijn bij de kantonrechter ingenomen standpunt dat geen sprake is van verwijtbaar handelen. Het hof verwijst naar de motivering van de kantonrechter over het verwijtbaar handelen en neemt die over. De email van 13 november 2024 staat daarin centraal en die moet worden bezien in de context van de reorganisatie, het dreigende baanverlies, de ziekte-episodes en de nadien gemaakte excuses. Dat zijn, zoals de kantonrechter ook heeft overwogen, verzachtende omstandigheden maar die nemen niet weg dat de door [appellant1] gekozen en op de persoon gerichte bewoordingen hem kunnen worden verweten. Daarbij is tijdens de mondelinge behandeling bij het hof door beide partijen erkend dat het gesprek op 15 november 2025 is geëscaleerd en dat [appellant1] boos is geworden. [persoon3] en [persoon2] hebben toegelicht dat het gesprek veel impact heeft gehad. De advocaat van ALN heeft verklaard dat [persoon3] hem na afloop van het gesprek bevend opbelde. [persoon2] heeft een gedetailleerd verslag van het gesprek opgesteld dat door [appellant1] – in latere instantie – in algemene bewoordingen is betwist. Los van de vraag of het hof het verslag vanwege de betwisting door [appellant1] bij het beoordeling kan betrekken, acht het hof op basis van de toelichting van [persoon2] en Van Heerkhuizen tijdens de mondelinge behandeling, voldoende aannemelijk dat [appellant1] zich in dit gesprek fors heeft geuit op een dusdanige wijze dat het wezenlijk impact heeft gehad op [persoon2] en [persoon3] . [appellant1] heeft uitgelegd dat hij ook tijdens dit gesprek heeft geworsteld met gevoelens van onbegrip, verslagenheid en onrechtvaardigheid. Dit mag zo zijn, maar dat neemt niet weg dat [appellant1] – al dan niet net als [persoon2] en [persoon3] – verantwoordelijk was voor het verloop van dit gesprek en de escalatie ervan. Daarvan kan hem dus ook een verwijt worden gemaakt, zij het dat het geen voldragen e-grond oplevert om de door de kantonrechter genoemde redenen (zie hiervoor onder rov. 4.3.). 6.5. [appellant1] heeft in het beroepschrift ook aangevoerd dat geen sprake was van een duurzame verstoring: er zijn spanningen ontstaan doordat [appellant1] boventallig is verklaard en ALN zijn vertrek nastreefde maar er had gewerkt moeten worden aan een oplossing. Nu dat niet is gebeurd, is volgens hem geen sprake van een onherstelbare verstoring. In feite onderschrijft [appellant1] hiermee het oordeel van de kantonrechter dat de relatie weliswaar was verstoord maar niet duurzaam en ernstig omdat geen pogingen tot herstel zijn ondernomen. Een bezwaar tegen dat oordeel leest het hof niet in het beroepschrift. Het hof verwijst ook in dit kader naar de motivering van de kantonrechter en neemt die over. [appellant1] heeft nog aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met het gegeven dat het UWV geen toestemming heeft gegeven voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst met [appellant1] : dat dat zijn verontwaardiging en onvrede heeft gevoed vormt weliswaar een verzachtende omstandigheid maar laat de verwijtbaarheid van de wijze waarop hij zijn onvrede heeft geuit en de mede daardoor ontstane verstoring van de arbeidsverhouding onverlet. 6.6. Tegen de achtergrond van het voorgaande is ook het hof van oordeel dat van ALN in redelijkheid niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. ALN heeft steken laten vallen in de reorganisatie en dat heeft kwaad bloed gezet bij [appellant1] maar hij heeft zich te zeer laten meeslepen in zijn onvrede en frustratie en heeft zich te fors geuit met een verstoorde verhouding tot gevolg. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een redelijke grond, weegt het hof, net als de kantonrechter, mee dat [appellant1] ook zelf heeft verklaard de arbeidsovereenkomst niet meer te willen voortzetten. In het verweerschrift in incidenteel hoger beroep heeft [appellant1] nog aangevoerd dat hij zich heeft ingespannen voor herstel van de verhoudingen en dat hij heeft gesolliciteerd maar hij heeft dit niet nader onderbouwd en maakt het voorgaande ook niet anders. Het hof verwijst naar de motivering door de kantonrechter en neemt die over. herplaatsing en gelijkheidsbeginsel 6.7. [appellant1] heeft in hoger beroep aangevoerd dat ALN niet heeft voldaan aan de herplaatsingsplicht (artikel 7:669 lid 1 BW). ALN heeft uiteengezet wat zij in het kader van de herplaatsing van [appellant1] in een passende functie heeft ondernomen.
Volledig
Zij heeft opgesomd welke gesprekken zij in het kader van de herplaatsing sinds eind oktober 2024 met [appellant1] heeft gevoerd, in het bijzonder ook het gesprek op 18 maart 2025, op welke functies zij [appellant1] heeft gewezen (onder meer de functie van Sales Manager EPP bij Alfa Laval Aalborg (in Denemarken), de functie van Sales&Business Development Cleantech Evaporation, een functie als Sales Engineer Marine bij Alfa Laval Benelux, een functie Field Sales (afdeling Service bij Alfa Laval Nijmegen) een sales functie bij de afdeling Service in Nijmegen, en meerdere vacatures waaronder een in de Benelux en Zweden en een functie in Breda), zij heeft voor [appellant1] contacten gelegd (met recruiter [recruiter] van Alfa Laval Copenhagen) voor de functie Global Sales&Business Development Cleantech Evaporation, informatie ingewonnen en [appellant1] aanbevolen. [appellant1] heeft het voorgaande niet gemotiveerd betwist en hij heeft niet uitgelegd wat ALN in het kader van de op haar rustende herplaatsingsverplichting, meer had kunnen doen. [appellant1] was van mening dat hij niet op de voorgedragen vacatures hoefde te solliciteren maar dat ziet hij verkeerd. Er waren meer boventallige werknemers zodat hij weldegelijk moest solliciteren op (passende) functies. Zijn boventallige collega [persoon4] heeft dat wel gedaan en vervult nu de sales functie in Aalborg. [appellant1] heeft aangevoerd dat hij niet kon solliciteren op andere aangeboden functies omdat hij eerst de vaststellingsovereenkomst moest ondertekenen maar in het gesprek op 5 november 2024 (waar de functie in Aalborg is besproken) is [appellant1] uitgelegd dat iedereen die intern solliciteert, ook de vaststellingsovereenkomst moet tekenen omdat er anders een aanvraag bij het UWV moest worden ingediend. 6.8. Het hof voegt hier nog aan toe dat het bij de herplaatsingsverplichting gaat om een inspanningsverplichting waarbij beslissend is of de werkgever zich, bezien in het licht van de concrete omstandigheden van het geval, daadwerkelijk heeft ingespannen om te onderzoeken of de werknemer elders binnen de organisatie kon worden geplaatst. Indien en voor zover dergelijke inspanningen reeds zijn verricht, staat de enkele omstandigheid dat zij zijn ondernomen vanuit de gedachte bij de werkgever dat sprake was van een verval van functie, er niet aan in de weg die inspanningen mede te betrekken bij de beoordeling of aan het herplaatsingsvereiste in het kader van de i-grond is voldaan. Dat geldt temeer nu die eerdere inspanningen voldoende recent zijn, betrekking hadden op reële en passende plaatsingsmogelijkheden binnen de onderneming en niet is gebleken dat zich nadien wezenlijke wijzigingen hebben voorgedaan in beschikbare functies binnen het bedrijf en concern of de inzetbaarheid van de werknemer. Naar het oordeel van het hof heeft ALN met de inspanningen genoemd onder rov. 6.7. voldoende aangetoond dat zij aan de herplaatsingsplicht heeft voldaan. Dit betekent dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 1 sub i BW stand houdt. 6.9. [appellant1] heeft nog een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel: in procedures tussen ALN en collega’s van [appellant1] heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst niet ontbonden. De omstandigheden in deze zaken zijn echter verschillend van aard zodat een eigen en afzonderlijke beoordeling van het verzoek op de e-, g- en i-grond voor zich spreekt. Nu geen sprake is van gelijke gevallen die ongelijk zijn behandeld is van schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake. een cumulatievergoeding 6.10. Het hof stelt het volgende voorop. In het geval dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op de i-grond van artikel 7:669 lid 3 BW, kan de rechter een cumulatievergoeding toekennen op grond van artikel 7:671b lid 8 BW. Deze vergoeding dient ter compensatie van het ontslag op de i-grond. In de parlementaire geschiedenis staat dat de hoogte van de vergoeding afhankelijk is van de mate waarin de aangevoerde ontslaggronden voldragen zijn. 6.11. ALN heeft bezwaar gemaakt tegen de door de kantonrechter aan [appellant1] toegekende cumulatievergoeding van 50% ALN is het niet eens met de verwijten die de kantonrechter ALN in dit kader heeft gemaakt (zie rov. 4.4.) en heeft daarvoor het volgende aangevoerd. Ook al heeft ALN niet weten te onderbouwen dat de functie van [appellant1] is vervallen, dat rechtvaardigt niet de wijze waarop [appellant1] zich heeft gedragen, in welk verband ALN de indringendheid van het gesprek van 14 november 2024 met woede uitbarstingen en beledigende en neerbuigende opmerkingen van [appellant1] benadrukt. En hoewel ALN meende dat er gronden voor ontslag op staande voet waren, heeft zij terecht eerst ingezet op de UWV-procedure waarin de persoonlijke verwijten geen rol speelden. ALN meent verder dat zij wel degelijk veel inspanningen heeft gepleegd in het kader van de herplaatsing van [appellant1] . Ten slotte wijst ALN erop dat er, ook volgens de kantonrechter, sprake is van een bijna voldragen g-grond en dat de maximale verhoging van 50% daarbij niet past. 6.12. Het bezwaar van ALN treft geen doel. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen is de wijze waarop [appellant1] zich heeft gedragen verwijtbaar en staat de verstoorde arbeidsverhouding vast. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat [appellant1] in november 2024 meer had kunnen inzetten op herstel van de verhoudingen en heeft een en ander teveel op zijn beloop gelaten in afwachting van de uitkomst van de UWV procedure. De wijze waarop [appellant1] zich heeft gedragen dient echter ook te worden bezien tegen de achtergrond van de UWV-procedure: [appellant1] heeft zich daarin vastgebeten omdat hij ervan overtuigd was dat zijn functie niet was vervallen en daarin (achteraf gezien) ook gelijk heeft gekregen: er is geen ontslagvergunning verleend en het verzoek tot ontbinding op de a-grond is door de kantonrechter afgewezen onder meer omdat niet is gebleken dat de functie van [appellant1] is komen te vervallen. In dat verband weegt het hof ook nog mee dat de functie in Aalborg thans wordt vervuld door een collega van [appellant1] die echter op de loonlijst is blijven staan van ALN. Dat dit vragen opriep bij [appellant1] die niet door ALN werden beantwoord en dat dit de wijze waarop hij zich heeft gedragen, heeft beïnvloed, weegt het hof in dit kader mee en leidt ertoe dat ook het hof de maximale cumulatievergoeding op zijn plaats acht. ALN heeft niet ernstig verwijtbaar gehandeld 6.13. De door [appellant1] als grondslagen voor de verzochte vergoedingen genoemde artikelen 7:681 BW (billijke vergoeding wegens opzegging zonder toestemming UWV of in strijd met opzegverbod) en 7:682 BW (billijke vergoeding omdat is opgezegd na ten onrechte verleende toestemming UWV) zijn als grondslag voor de billijke vergoeding niet (meer) aan de orde. Dat geldt ook voor artikel 7:671c lid 2 sub b BW dat ziet op een verzoek van de werknemer om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Een dergelijk verzoek ligt in hoger beroep niet voor. Als grondslag voor de verzochte (billijke) vergoedingen resteert dan artikel 7:671b lid 9 sub c BW en daarmee gaat het om de vraag of de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van ALN. [appellant1] maakt ALN in dat verband een aantal verwijten. Allereerst verwijt hij ALN dat zij onvoldoende herplaatsingsinspanningen heeft verricht. Het hof heeft hiervoor geoordeeld welke inspanningen zijn gepleegd en dat dat voldoende is. Dit verwijt gaat dus niet op. [appellant1] verwijt ALN voorts dat zij onvoldoende re-integratieactiviteiten heeft gepleegd maar heeft dit verwijt op geen enkele manier nader onderbouwd, ook niet in reactie op hetgeen ALN daarover in haar verweerschrift heeft aangevoerd. Datzelfde geldt voor het gestelde laakbare handelen ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid van [appellant1] . Er was ten tijde van het indienen van het verzoekschrift geen sprake van arbeidsongeschiktheid, zoals het hof hiervoor heeft geoordeeld en welke overige verwijten [appellant1] ALN in dit kader maakt, heeft hij niet althans onvoldoende toegelicht.
Volledig
Zij heeft opgesomd welke gesprekken zij in het kader van de herplaatsing sinds eind oktober 2024 met [appellant1] heeft gevoerd, in het bijzonder ook het gesprek op 18 maart 2025, op welke functies zij [appellant1] heeft gewezen (onder meer de functie van Sales Manager EPP bij Alfa Laval Aalborg (in Denemarken), de functie van Sales&Business Development Cleantech Evaporation, een functie als Sales Engineer Marine bij Alfa Laval Benelux, een functie Field Sales (afdeling Service bij Alfa Laval Nijmegen) een sales functie bij de afdeling Service in Nijmegen, en meerdere vacatures waaronder een in de Benelux en Zweden en een functie in Breda), zij heeft voor [appellant1] contacten gelegd (met recruiter [recruiter] van Alfa Laval Copenhagen) voor de functie Global Sales&Business Development Cleantech Evaporation, informatie ingewonnen en [appellant1] aanbevolen. [appellant1] heeft het voorgaande niet gemotiveerd betwist en hij heeft niet uitgelegd wat ALN in het kader van de op haar rustende herplaatsingsverplichting, meer had kunnen doen. [appellant1] was van mening dat hij niet op de voorgedragen vacatures hoefde te solliciteren maar dat ziet hij verkeerd. Er waren meer boventallige werknemers zodat hij weldegelijk moest solliciteren op (passende) functies. Zijn boventallige collega [persoon4] heeft dat wel gedaan en vervult nu de sales functie in Aalborg. [appellant1] heeft aangevoerd dat hij niet kon solliciteren op andere aangeboden functies omdat hij eerst de vaststellingsovereenkomst moest ondertekenen maar in het gesprek op 5 november 2024 (waar de functie in Aalborg is besproken) is [appellant1] uitgelegd dat iedereen die intern solliciteert, ook de vaststellingsovereenkomst moet tekenen omdat er anders een aanvraag bij het UWV moest worden ingediend. 6.8. Het hof voegt hier nog aan toe dat het bij de herplaatsingsverplichting gaat om een inspanningsverplichting waarbij beslissend is of de werkgever zich, bezien in het licht van de concrete omstandigheden van het geval, daadwerkelijk heeft ingespannen om te onderzoeken of de werknemer elders binnen de organisatie kon worden geplaatst. Indien en voor zover dergelijke inspanningen reeds zijn verricht, staat de enkele omstandigheid dat zij zijn ondernomen vanuit de gedachte bij de werkgever dat sprake was van een verval van functie, er niet aan in de weg die inspanningen mede te betrekken bij de beoordeling of aan het herplaatsingsvereiste in het kader van de i-grond is voldaan. Dat geldt temeer nu die eerdere inspanningen voldoende recent zijn, betrekking hadden op reële en passende plaatsingsmogelijkheden binnen de onderneming en niet is gebleken dat zich nadien wezenlijke wijzigingen hebben voorgedaan in beschikbare functies binnen het bedrijf en concern of de inzetbaarheid van de werknemer. Naar het oordeel van het hof heeft ALN met de inspanningen genoemd onder rov. 6.7. voldoende aangetoond dat zij aan de herplaatsingsplicht heeft voldaan. Dit betekent dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 1 sub i BW stand houdt. 6.9. [appellant1] heeft nog een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel: in procedures tussen ALN en collega’s van [appellant1] heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst niet ontbonden. De omstandigheden in deze zaken zijn echter verschillend van aard zodat een eigen en afzonderlijke beoordeling van het verzoek op de e-, g- en i-grond voor zich spreekt. Nu geen sprake is van gelijke gevallen die ongelijk zijn behandeld is van schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake. een cumulatievergoeding 6.10. Het hof stelt het volgende voorop. In het geval dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op de i-grond van artikel 7:669 lid 3 BW, kan de rechter een cumulatievergoeding toekennen op grond van artikel 7:671b lid 8 BW. Deze vergoeding dient ter compensatie van het ontslag op de i-grond. In de parlementaire geschiedenis staat dat de hoogte van de vergoeding afhankelijk is van de mate waarin de aangevoerde ontslaggronden voldragen zijn. 6.11. ALN heeft bezwaar gemaakt tegen de door de kantonrechter aan [appellant1] toegekende cumulatievergoeding van 50% ALN is het niet eens met de verwijten die de kantonrechter ALN in dit kader heeft gemaakt (zie rov. 4.4.) en heeft daarvoor het volgende aangevoerd. Ook al heeft ALN niet weten te onderbouwen dat de functie van [appellant1] is vervallen, dat rechtvaardigt niet de wijze waarop [appellant1] zich heeft gedragen, in welk verband ALN de indringendheid van het gesprek van 14 november 2024 met woede uitbarstingen en beledigende en neerbuigende opmerkingen van [appellant1] benadrukt. En hoewel ALN meende dat er gronden voor ontslag op staande voet waren, heeft zij terecht eerst ingezet op de UWV-procedure waarin de persoonlijke verwijten geen rol speelden. ALN meent verder dat zij wel degelijk veel inspanningen heeft gepleegd in het kader van de herplaatsing van [appellant1] . Ten slotte wijst ALN erop dat er, ook volgens de kantonrechter, sprake is van een bijna voldragen g-grond en dat de maximale verhoging van 50% daarbij niet past. 6.12. Het bezwaar van ALN treft geen doel. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen is de wijze waarop [appellant1] zich heeft gedragen verwijtbaar en staat de verstoorde arbeidsverhouding vast. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat [appellant1] in november 2024 meer had kunnen inzetten op herstel van de verhoudingen en heeft een en ander teveel op zijn beloop gelaten in afwachting van de uitkomst van de UWV procedure. De wijze waarop [appellant1] zich heeft gedragen dient echter ook te worden bezien tegen de achtergrond van de UWV-procedure: [appellant1] heeft zich daarin vastgebeten omdat hij ervan overtuigd was dat zijn functie niet was vervallen en daarin (achteraf gezien) ook gelijk heeft gekregen: er is geen ontslagvergunning verleend en het verzoek tot ontbinding op de a-grond is door de kantonrechter afgewezen onder meer omdat niet is gebleken dat de functie van [appellant1] is komen te vervallen. In dat verband weegt het hof ook nog mee dat de functie in Aalborg thans wordt vervuld door een collega van [appellant1] die echter op de loonlijst is blijven staan van ALN. Dat dit vragen opriep bij [appellant1] die niet door ALN werden beantwoord en dat dit de wijze waarop hij zich heeft gedragen, heeft beïnvloed, weegt het hof in dit kader mee en leidt ertoe dat ook het hof de maximale cumulatievergoeding op zijn plaats acht. ALN heeft niet ernstig verwijtbaar gehandeld 6.13. De door [appellant1] als grondslagen voor de verzochte vergoedingen genoemde artikelen 7:681 BW (billijke vergoeding wegens opzegging zonder toestemming UWV of in strijd met opzegverbod) en 7:682 BW (billijke vergoeding omdat is opgezegd na ten onrechte verleende toestemming UWV) zijn als grondslag voor de billijke vergoeding niet (meer) aan de orde. Dat geldt ook voor artikel 7:671c lid 2 sub b BW dat ziet op een verzoek van de werknemer om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Een dergelijk verzoek ligt in hoger beroep niet voor. Als grondslag voor de verzochte (billijke) vergoedingen resteert dan artikel 7:671b lid 9 sub c BW en daarmee gaat het om de vraag of de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van ALN. [appellant1] maakt ALN in dat verband een aantal verwijten. Allereerst verwijt hij ALN dat zij onvoldoende herplaatsingsinspanningen heeft verricht. Het hof heeft hiervoor geoordeeld welke inspanningen zijn gepleegd en dat dat voldoende is. Dit verwijt gaat dus niet op. [appellant1] verwijt ALN voorts dat zij onvoldoende re-integratieactiviteiten heeft gepleegd maar heeft dit verwijt op geen enkele manier nader onderbouwd, ook niet in reactie op hetgeen ALN daarover in haar verweerschrift heeft aangevoerd. Datzelfde geldt voor het gestelde laakbare handelen ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid van [appellant1] . Er was ten tijde van het indienen van het verzoekschrift geen sprake van arbeidsongeschiktheid, zoals het hof hiervoor heeft geoordeeld en welke overige verwijten [appellant1] ALN in dit kader maakt, heeft hij niet althans onvoldoende toegelicht.
Volledig
[appellant1] verwijt ALN dat zij [appellant1] op non-actief heeft gesteld maar daarvoor was naar het oordeel van het hof na de email van 13 november 2024 en het geëscaleerde gesprek op 14 november 2024 voldoende reden. Niet gebleken is dat [appellant1] zich op enig moment tegen de non-actiefstelling heeft verzet. Van een valse reden voor ontslag is ten slotte evenmin gebleken. Weliswaar heeft het UWV geen toestemming gegeven voor het ontslag omdat onvoldoende is gebleken dat geen sprake is van uitwisselbare functies, dit betekent nog niet dat een valse en daarmee oneigenlijke grond voor ontslag is gegeven. Zowel het UWV als de kantonrechter hebben geoordeeld dat sprake was van bedrijfseconomische omstandigheden die ingrijpen door ALN noodzakelijk maakte. 6.14. Maar zelfs wanneer sprake zou zijn van ernstig verwijtbaar handelen van ALN, dan nog zouden de door [appellant1] verzochte vergoedingen onder 5.1. f (loonschade) en g (diverse schadeposten zoals reputatieschade en advocaatkosten) niet worden toegewezen. Daarvoor is het volgende redengevend. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellant1] erkend dat hij per 1 november 2025 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft bij Econowind tegen naar zijn zeggen hetzelfde salaris. [appellant1] heeft niet uitgelegd dat desondanks sprake is van schade door het verlies van inkomen, zoals hij vordert onder f. Van de verzochte materiele schade en advocaatkosten heeft [appellant1] geen onderbouwing overlegd. Voor zover die onder g. genoemde kosten bestaan uit de vergoedingen uit het Sociaal Plan valt, zonder nadere toelichting, niet in te zien op welke grond [appellant1] daarop aanspraak kan maken. [appellant1] heeft de gestelde reputatieschade (de immateriële schade, zo begrijpt het hof) niet onderbouwd en uit het feit dat hij een andere baan heeft gevonden valt dit ook niet zonder meer in te zien. Het gestelde tot 1 september 2025 te weinig uitbetaalde loon heeft [appellant1] niet toegelicht of becijferd. Deze verzoeken zijn, bij gebreke van onderbouwing, hoe dan ook niet toewijsbaar. pensioenschade 6.15. [appellant1] heeft verzocht om vergoeding van door hem te lijden pensioenschade. Als grondslag voert hij aan het ernstig verwijtbaar handelen van ALN maar ook artikel 7:611 BW, artikel 6:162 BW, de redelijkheid en billijkheid of een door het hof aan te vullen rechtsgrond. [appellant1] heeft toegelicht dat met de inwerkingtreding van de Wet Toekomst Pensioen werkgevers per 1 januari 2028 hun pensioenregeling moeten aanpassen, waarbij een premie met een gelijkblijvend leeftijdsonafhankelijk premiepercentage de standaard is (de zogenaamde flat rate) terwijl [appellant1] bij ALN een stijgende premie had. Hij valt dus terug in pensioenopbouw. Ter onderbouwing van de pensioenschade heeft [appellant1] verwezen naar een door mr. B.F.M. Evers, advocaat gespecialiseerd in pensioenrecht, uitgebracht advies. In haar advies staat onder meer dat een nieuwe werkgever geen stijgende premieopbouw kan en mag aanbieden en dit door de leeftijd van [appellant1] voor hem extra nadelig uitpakt. 6.16. Zoals het hof hiervoor heeft vastgesteld, is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen van ALN met ontbinding van de arbeidsovereenkomst tot gevolg. In het advies van mr. Evers is te lezen van welke oordelen wordt uitgegaan namelijk dat ALN sinds 28 oktober 2025 bewust aanstuurt op een breuk, dat ALN niet zorgvuldig heeft gehandeld in het kader van de ontslagaanvraag en dat daarmee niet is gehandeld als goed werkgever, dat sprake is van onrechtmatig handelen dan wel dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat pensioenschade moet worden vergoed. Afgezien van het feit dat het hof op deze punten anders oordeelt, kwalificeren de argumenten die in het advies van mr. Evers zijn genoemd in elk geval niet als schending van het goed werkgeverschap of onrechtmatige daad. Het staat vast dat de ontslagaanvraag door het UWV is afgewezen maar dat brengt niet zonder meer mee dat sprake is van een van deze grondslagen. Zo is het hof van het bewust aansturen op een breuk bijvoorbeeld niet voldoende gebleken, aan beide partijen kunnen verwijten worden gemaakt wat betreft de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Omdat een grondslag voor toekenning van een vergoeding voor pensioenschade ontbreekt, zal dit verzoek worden afgewezen. 6.17. Aan het voorgaande voegt het hof ten overvloede toe dat [appellant1] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij pensioenschade heeft geleden. Hij is per 1 november 2025 bij een nieuwe werkgever werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tegen een – naar zijn zeggen – vergelijkbaar salaris. ALN heeft gemotiveerd de juistheid betwist van de stelling van [appellant1] dar hij altijd pensioenschade heeft omdat hij nooit meer zal kunnen deelnemen aan een progressieve premieopbouw. Onder voorwaarden zou dat volgens ALN wel degelijk kunnen (op grond van artikel 220e Pensioenwet). Tijdens de mondelinge behandeling heeft ALN daaraan toegevoegd dat zij heeft achterhaald dat [appellant1] nu deelneemt aan PMT pensioenfonds en dat bij PMT in 2026 compensatie gaat plaatsvinden. Het had op de weg van [appellant1] gelegen om tegen de achtergrond van zijn nieuwe functie en het door ALN gevoerde verweer, de gestelde pensioenschade nader te onderbouwen. Dat heeft hij nagelaten. Het hof ziet geen aanleiding om [appellant1] daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen. 6.18. [appellant1] heeft gesteld dat hij door toedoen van ALN ook te maken krijgt met een pensioengat en dat ALN daarvoor een vergoeding moet betalen. Afgezien van het ontbreken van een onderbouwing op dit punt is, met verwijzing naar wat hiervoor over de verzochte vergoeding voor pensioenschade is overwogen, voor toekenning van een vergoeding voor een pensioengat evenmin grond aanwezig. 6.19. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ALN nogmaals - net als bij de kantonrechter - bevestigd dat [appellant1] niet aan het relatie- en concurrentiebeding wordt gehouden. Aan een toewijzing van het verzoek onder 5.1. c bestaat, zo heeft de advocaat van [appellant1] ook bevestigd, bij die stand van zaken geen behoefte. Voor de gevraagde verklaringen voor recht onder a, b en d bestaat, gelet op wat hiervoor is geoordeeld, geen grond of belang. 6.20. Uit het voorgaande volgt dat ook hetgeen [appellant1] subsidiair en meer subsidiair heeft verzocht – deze verzoeken komen in de kern neer op hetgeen primair is verzocht – worden afgewezen. Aan het verzoek van [appellant1] om hem een intrekkingsbevoegdheid toe te kennen wordt wegens gebrek aan belang voorbij gegaan. conclusie 6.21. Het hoger beroep van [appellant1] en van ALN slaagt niet. Dat betekent dat [appellant1] in zijn hoger beroep als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. Het hof ziet geen aanleiding om van een hoger liquidatietarief dan gebruikelijk in zaken betreffende ontbinding van een arbeidsovereenkomst uit te gaan, zoals ALN heeft verzocht. ALN wordt veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep nu zij daarin in het ongelijk is gesteld. Het hof laat de beslissing over de proceskostenveroordeling bij de kantonrechter in stand. 6.22. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 7 De beslissing Het hof: in het hoger beroep van [appellant1] en ALN 7.1. verwerpt het hoger beroep van [appellant1] en ALN tegen de beschikking van de kantonrechter te Nijmegen van 18 juli 2025; 7.2. veroordeelt [appellant1] tot betaling van de volgende proceskosten van ALN: € 362 aan griffierecht en € 2.580 aan salaris van de advocaat van ALN (2 procespunten x het toepasselijke tarief II) 7.3. bepaalt dat [appellant1] over deze kosten de wettelijke rente verschuldigd is vanaf twee weken na deze uitspraak tot het moment van betaling; 7.4.
Volledig
[appellant1] verwijt ALN dat zij [appellant1] op non-actief heeft gesteld maar daarvoor was naar het oordeel van het hof na de email van 13 november 2024 en het geëscaleerde gesprek op 14 november 2024 voldoende reden. Niet gebleken is dat [appellant1] zich op enig moment tegen de non-actiefstelling heeft verzet. Van een valse reden voor ontslag is ten slotte evenmin gebleken. Weliswaar heeft het UWV geen toestemming gegeven voor het ontslag omdat onvoldoende is gebleken dat geen sprake is van uitwisselbare functies, dit betekent nog niet dat een valse en daarmee oneigenlijke grond voor ontslag is gegeven. Zowel het UWV als de kantonrechter hebben geoordeeld dat sprake was van bedrijfseconomische omstandigheden die ingrijpen door ALN noodzakelijk maakte. 6.14. Maar zelfs wanneer sprake zou zijn van ernstig verwijtbaar handelen van ALN, dan nog zouden de door [appellant1] verzochte vergoedingen onder 5.1. f (loonschade) en g (diverse schadeposten zoals reputatieschade en advocaatkosten) niet worden toegewezen. Daarvoor is het volgende redengevend. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellant1] erkend dat hij per 1 november 2025 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft bij Econowind tegen naar zijn zeggen hetzelfde salaris. [appellant1] heeft niet uitgelegd dat desondanks sprake is van schade door het verlies van inkomen, zoals hij vordert onder f. Van de verzochte materiele schade en advocaatkosten heeft [appellant1] geen onderbouwing overlegd. Voor zover die onder g. genoemde kosten bestaan uit de vergoedingen uit het Sociaal Plan valt, zonder nadere toelichting, niet in te zien op welke grond [appellant1] daarop aanspraak kan maken. [appellant1] heeft de gestelde reputatieschade (de immateriële schade, zo begrijpt het hof) niet onderbouwd en uit het feit dat hij een andere baan heeft gevonden valt dit ook niet zonder meer in te zien. Het gestelde tot 1 september 2025 te weinig uitbetaalde loon heeft [appellant1] niet toegelicht of becijferd. Deze verzoeken zijn, bij gebreke van onderbouwing, hoe dan ook niet toewijsbaar. pensioenschade 6.15. [appellant1] heeft verzocht om vergoeding van door hem te lijden pensioenschade. Als grondslag voert hij aan het ernstig verwijtbaar handelen van ALN maar ook artikel 7:611 BW, artikel 6:162 BW, de redelijkheid en billijkheid of een door het hof aan te vullen rechtsgrond. [appellant1] heeft toegelicht dat met de inwerkingtreding van de Wet Toekomst Pensioen werkgevers per 1 januari 2028 hun pensioenregeling moeten aanpassen, waarbij een premie met een gelijkblijvend leeftijdsonafhankelijk premiepercentage de standaard is (de zogenaamde flat rate) terwijl [appellant1] bij ALN een stijgende premie had. Hij valt dus terug in pensioenopbouw. Ter onderbouwing van de pensioenschade heeft [appellant1] verwezen naar een door mr. B.F.M. Evers, advocaat gespecialiseerd in pensioenrecht, uitgebracht advies. In haar advies staat onder meer dat een nieuwe werkgever geen stijgende premieopbouw kan en mag aanbieden en dit door de leeftijd van [appellant1] voor hem extra nadelig uitpakt. 6.16. Zoals het hof hiervoor heeft vastgesteld, is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen van ALN met ontbinding van de arbeidsovereenkomst tot gevolg. In het advies van mr. Evers is te lezen van welke oordelen wordt uitgegaan namelijk dat ALN sinds 28 oktober 2025 bewust aanstuurt op een breuk, dat ALN niet zorgvuldig heeft gehandeld in het kader van de ontslagaanvraag en dat daarmee niet is gehandeld als goed werkgever, dat sprake is van onrechtmatig handelen dan wel dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat pensioenschade moet worden vergoed. Afgezien van het feit dat het hof op deze punten anders oordeelt, kwalificeren de argumenten die in het advies van mr. Evers zijn genoemd in elk geval niet als schending van het goed werkgeverschap of onrechtmatige daad. Het staat vast dat de ontslagaanvraag door het UWV is afgewezen maar dat brengt niet zonder meer mee dat sprake is van een van deze grondslagen. Zo is het hof van het bewust aansturen op een breuk bijvoorbeeld niet voldoende gebleken, aan beide partijen kunnen verwijten worden gemaakt wat betreft de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Omdat een grondslag voor toekenning van een vergoeding voor pensioenschade ontbreekt, zal dit verzoek worden afgewezen. 6.17. Aan het voorgaande voegt het hof ten overvloede toe dat [appellant1] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij pensioenschade heeft geleden. Hij is per 1 november 2025 bij een nieuwe werkgever werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tegen een – naar zijn zeggen – vergelijkbaar salaris. ALN heeft gemotiveerd de juistheid betwist van de stelling van [appellant1] dar hij altijd pensioenschade heeft omdat hij nooit meer zal kunnen deelnemen aan een progressieve premieopbouw. Onder voorwaarden zou dat volgens ALN wel degelijk kunnen (op grond van artikel 220e Pensioenwet). Tijdens de mondelinge behandeling heeft ALN daaraan toegevoegd dat zij heeft achterhaald dat [appellant1] nu deelneemt aan PMT pensioenfonds en dat bij PMT in 2026 compensatie gaat plaatsvinden. Het had op de weg van [appellant1] gelegen om tegen de achtergrond van zijn nieuwe functie en het door ALN gevoerde verweer, de gestelde pensioenschade nader te onderbouwen. Dat heeft hij nagelaten. Het hof ziet geen aanleiding om [appellant1] daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen. 6.18. [appellant1] heeft gesteld dat hij door toedoen van ALN ook te maken krijgt met een pensioengat en dat ALN daarvoor een vergoeding moet betalen. Afgezien van het ontbreken van een onderbouwing op dit punt is, met verwijzing naar wat hiervoor over de verzochte vergoeding voor pensioenschade is overwogen, voor toekenning van een vergoeding voor een pensioengat evenmin grond aanwezig. 6.19. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ALN nogmaals - net als bij de kantonrechter - bevestigd dat [appellant1] niet aan het relatie- en concurrentiebeding wordt gehouden. Aan een toewijzing van het verzoek onder 5.1. c bestaat, zo heeft de advocaat van [appellant1] ook bevestigd, bij die stand van zaken geen behoefte. Voor de gevraagde verklaringen voor recht onder a, b en d bestaat, gelet op wat hiervoor is geoordeeld, geen grond of belang. 6.20. Uit het voorgaande volgt dat ook hetgeen [appellant1] subsidiair en meer subsidiair heeft verzocht – deze verzoeken komen in de kern neer op hetgeen primair is verzocht – worden afgewezen. Aan het verzoek van [appellant1] om hem een intrekkingsbevoegdheid toe te kennen wordt wegens gebrek aan belang voorbij gegaan. conclusie 6.21. Het hoger beroep van [appellant1] en van ALN slaagt niet. Dat betekent dat [appellant1] in zijn hoger beroep als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. Het hof ziet geen aanleiding om van een hoger liquidatietarief dan gebruikelijk in zaken betreffende ontbinding van een arbeidsovereenkomst uit te gaan, zoals ALN heeft verzocht. ALN wordt veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep nu zij daarin in het ongelijk is gesteld. Het hof laat de beslissing over de proceskostenveroordeling bij de kantonrechter in stand. 6.22. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 7 De beslissing Het hof: in het hoger beroep van [appellant1] en ALN 7.1. verwerpt het hoger beroep van [appellant1] en ALN tegen de beschikking van de kantonrechter te Nijmegen van 18 juli 2025; 7.2. veroordeelt [appellant1] tot betaling van de volgende proceskosten van ALN: € 362 aan griffierecht en € 2.580 aan salaris van de advocaat van ALN (2 procespunten x het toepasselijke tarief II) 7.3. bepaalt dat [appellant1] over deze kosten de wettelijke rente verschuldigd is vanaf twee weken na deze uitspraak tot het moment van betaling; 7.4.