Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-14
ECLI:NL:GHARL:2026:2231
Civiel recht
Hoger beroep
7,998 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2231 text/xml public 2026-05-11T12:52:44 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-14 200.345.297 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2231 text/html public 2026-05-11T12:49:04 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2231 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 14-04-2026 / 200.345.297 Geen pachtovereenkomst tot stand gekomen. Geen gerechtvaardigd vertrouwen op wilsovereenstemming. Kennis van rentmeester van eigenaar opgedaan in verband met andere zaken leidt in dit geval niet tot andere conclusie. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.345.297 zaaknummer pachtkamer rechtbank Amsterdam 10663370 arrest van de pachtkamer van 14 april 2026 in de zaak van [appellant] die woont in [woonplaats 1] (gemeente [gemeente 1] ) die hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als eiser hierna: [appellant] advocaat: mr. A.C. Teeuw tegen Flint Beheer B.V. die is gevestigd in Amsterdam en bij de rechtbank optrad als gedaagde hierna: Flint Beheer advocaat: mr. C.F. van Helvoirt 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep Naar aanleiding van het arrest van 23 december 2025 heeft op 9 maart 2026 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen. 2 De kern van de zaak, feiten, vorderingen en beslissing van de rechtbank Kern van de zaak 2.1. Het hof moet in deze zaak de vraag beantwoorden of stilzwijgend een reguliere pachtovereenkomst tot stand is gekomen tussen [appellant] en Flint Beheer, omdat [appellant] het gebruik heeft voortgezet nadat de pachter [pachter A] was gestopt het gepachte te exploiteren. Het hof concludeert dat geen pachtovereenkomst tot stand is gekomen. Feiten 2.2. In maart 1980 hebben [pachter A] en [pachter B] een pachtovereenkomst gesloten met betrekking tot percelen land in [plaats 1] , die thans kadastraal bekend zijn als gemeente [gemeente 2] , Sectie [sectieletter] [sectienummer 1] en [sectienummer 2] en in totaal 06.82.64 ha groot zijn (hierna: de percelen). In een pachtwijzigingsovereenkomst van november 2004 is Flint Beheer als verpachter genoemd en is [pachter B] als pachter teruggetreden, zodat [pachter A] als enige pachter overbleef. 2.3. [appellant] (voor de duidelijkheid: [appellant] , de partij in deze procedure) is de achterneef van [pachter A] en heeft met ingang van 2008 een maatschap gehad met [pachter A] ten behoeve van het fokken en houden van melkvee. [pachter A] is per 1 mei 2019 na onenigheid uitgetreden en [appellant] heeft de maatschap voortgezet met zijn echtgenote. [appellant] is de percelen blijven gebruiken. 2.4. Op 4 februari 2022 heeft [medewerker 1] , werkzaam bij Flint Beheer (hierna: [medewerker 1] ), nadat [appellant] contact met hem had opgenomen, in een email aan [appellant] geschreven: “Beste meneer [appellant] . Even voor de zekerheid nu er meerdere mensen met dezelfde achternaam zijn. U wilt een factuur voor de jaarlijkse pacht. Krijgt u deze factuur altijd van Flint Beheer of van [rentmeesterskantoor] [een rentmeesterskantoor; toev. hof] ? En mag ik voor de volledigheid uw naam en adres. (...)” 2.5. Daarop heeft [appellant] op dezelfde dag geschreven: “Bedankt voor uw snelle reactie. Zoals besproken ontvangen wij jaarlijks een factuur van Flint Beheer voor 6 ha pachtland. Voor de volledigheid heb ik in de bijlage de laatste factuur even toegevoegd. Ons nieuwe adres is: [appellant] [adres 1] [woonplaats 1] [telefoonnummer] (…)” Bijgevoegd is een factuur van 11 december 2020 voor de pacht 2020 à € 3.876,00 aan de heer [pachter A] op adres [adres 2] , [woonplaats 2] . 2.6. Daarop heeft Flint Beheer een factuur met datum 8 februari 2022 en factuurnummer 2022.001 aan [appellant] gestuurd voor de pacht 2021 à € 1.996,20. [appellant] heeft die betaald. 2.7. Flint Beheer heeft de percelen met een ingangsdatum van 1 januari 2022 voor één jaar in geliberaliseerde pacht aan [pachter C] gegeven. Rond 19 maart 2022 is onenigheid ontstaan tussen [appellant] en [pachter C] over het gebruik van de percelen. [appellant] heeft zich tot [medewerker 1] gewend met de mededeling dat hij de percelen in pacht heeft en wat er aan de hand was. [medewerker 1] heeft bij e-mailbericht van 21 maart 2022 geantwoord dat intern werd uitgezocht wat er aan de hand was. Op 25 maart 2022 heeft Flint Beheer factuur 2022.001 gecrediteerd en het door [appellant] betaalde bedrag terugbetaald. Op 28 maart 2022 heeft [appellant] gesproken met [rentmeester 2] van [rentmeesterskantoor] over de percelen. Over wat in dat gesprek besproken is, verschillen partijen van mening. 2.8. Op 6 april 2022 heeft [rentmeester 2] aan [pachter A] geschreven dat hij onlangs opdracht had gekregen van Flint Beheer om haar belangen te behartigen, dat hij begrepen had dat [pachter A] de percelen niet meer gebruikte en hem gevraagd in te stemmen met beëindiging van de pachtovereenkomst. Die brief is voor akkoord ondertekend. 2.9. In mei 2022 heeft [pachter C] [appellant] gesommeerd met werkzaamheden op de percelen te stoppen en de percelen bij de RVO af te melden. 2.10. [appellant] had al eerder te maken gehad met [rentmeesterskantoor] . In april en mei 2018 en januari tot en met maart 2019 is namens [appellant] gemaild en overlegd met de heer [rentmeester 1] van [rentmeesterskantoor] over de aankoop van grond en gebouwen van de familie [familienaam A] . Die koop is niet doorgegaan. In een e-mail van 30 januari 2019 heeft de heer [adviseur] , adviseur van [appellant] , aan [rentmeester 1] geschreven dat [pachter A] de pachtrechten inleverde per 1 mei 2019. In december 2020 heeft [appellant] ook gecorrespondeerd met [echtgenoot van aandeelhouder] , het hof begrijpt dat dit de echtgenoot van een aandeelhouder van Flint Beheer is, die samen met zijn echtgenote eigenaar is van een perceel van 16,6 ha. In deze correspondentie heeft [appellant] de heer [echtgenoot van aandeelhouder] bedankt voor het door de rentmeester van [echtgenoot van aandeelhouder] , de heer [rentmeester 2] van [rentmeesterskantoor] , aan [appellant] en zijn echtgenote gedane aanbod van een nieuwe geliberaliseerde pachtovereenkomst voor deze 16,6 ha. De vorderingen van [appellant] ; oordeel van de pachtkamer Amsterdam; inzet van het hoger beroep 2.11. [appellant] heeft bij de pachtkamer in Amsterdam schriftelijke vastlegging gevorderd van een reguliere pachtovereenkomst tussen [appellant] enerzijds en Flint Beheer anderzijds met betrekking tot de percelen ingaande per 1 mei 2019 voor onbepaalde tijd voor € 332,70 per hectare per jaar (de jaarlijks wettelijke maximale pachtprijs). Ook wil [appellant] schadevergoeding, nader op te maken bij staat. 2.12. De pachtkamer in Amsterdam heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. 3 De toelichting op de beslissing van het hof Is [appellant] pachter geworden of mocht hij daar gerechtvaardigd op vertrouwen? 3.1. [appellant] stelt aan de orde dat hij per 1 mei 2019, toen [pachter A] uit de maatschap trad, pachter van de percelen is geworden, althans dat hij daar gerechtvaardigd op mocht vertrouwen. 3.2. Het hof stelt het volgende voorop. Voor een overeenkomst is wilsovereenstemming of gerechtvaardigd vertrouwen dat daarvan sprake is vereist. Of dat het geval is moet worden beantwoord aan de hand van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Deze wilsovereenstemming of het gerechtvaardigd vertrouwen daarop kan ook stilzwijgend tot stand komen. 3.3.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2231 text/xml public 2026-05-11T12:52:44 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-14 200.345.297 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2231 text/html public 2026-05-11T12:49:04 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2231 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 14-04-2026 / 200.345.297 Geen pachtovereenkomst tot stand gekomen. Geen gerechtvaardigd vertrouwen op wilsovereenstemming. Kennis van rentmeester van eigenaar opgedaan in verband met andere zaken leidt in dit geval niet tot andere conclusie. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.345.297 zaaknummer pachtkamer rechtbank Amsterdam 10663370 arrest van de pachtkamer van 14 april 2026 in de zaak van [appellant] die woont in [woonplaats 1] (gemeente [gemeente 1] ) die hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als eiser hierna: [appellant] advocaat: mr. A.C. Teeuw tegen Flint Beheer B.V. die is gevestigd in Amsterdam en bij de rechtbank optrad als gedaagde hierna: Flint Beheer advocaat: mr. C.F. van Helvoirt 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep Naar aanleiding van het arrest van 23 december 2025 heeft op 9 maart 2026 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen. 2 De kern van de zaak, feiten, vorderingen en beslissing van de rechtbank Kern van de zaak 2.1. Het hof moet in deze zaak de vraag beantwoorden of stilzwijgend een reguliere pachtovereenkomst tot stand is gekomen tussen [appellant] en Flint Beheer, omdat [appellant] het gebruik heeft voortgezet nadat de pachter [pachter A] was gestopt het gepachte te exploiteren. Het hof concludeert dat geen pachtovereenkomst tot stand is gekomen. Feiten 2.2. In maart 1980 hebben [pachter A] en [pachter B] een pachtovereenkomst gesloten met betrekking tot percelen land in [plaats 1] , die thans kadastraal bekend zijn als gemeente [gemeente 2] , Sectie [sectieletter] [sectienummer 1] en [sectienummer 2] en in totaal 06.82.64 ha groot zijn (hierna: de percelen). In een pachtwijzigingsovereenkomst van november 2004 is Flint Beheer als verpachter genoemd en is [pachter B] als pachter teruggetreden, zodat [pachter A] als enige pachter overbleef. 2.3. [appellant] (voor de duidelijkheid: [appellant] , de partij in deze procedure) is de achterneef van [pachter A] en heeft met ingang van 2008 een maatschap gehad met [pachter A] ten behoeve van het fokken en houden van melkvee. [pachter A] is per 1 mei 2019 na onenigheid uitgetreden en [appellant] heeft de maatschap voortgezet met zijn echtgenote. [appellant] is de percelen blijven gebruiken. 2.4. Op 4 februari 2022 heeft [medewerker 1] , werkzaam bij Flint Beheer (hierna: [medewerker 1] ), nadat [appellant] contact met hem had opgenomen, in een email aan [appellant] geschreven: “Beste meneer [appellant] . Even voor de zekerheid nu er meerdere mensen met dezelfde achternaam zijn. U wilt een factuur voor de jaarlijkse pacht. Krijgt u deze factuur altijd van Flint Beheer of van [rentmeesterskantoor] [een rentmeesterskantoor; toev. hof] ? En mag ik voor de volledigheid uw naam en adres. (...)” 2.5. Daarop heeft [appellant] op dezelfde dag geschreven: “Bedankt voor uw snelle reactie. Zoals besproken ontvangen wij jaarlijks een factuur van Flint Beheer voor 6 ha pachtland. Voor de volledigheid heb ik in de bijlage de laatste factuur even toegevoegd. Ons nieuwe adres is: [appellant] [adres 1] [woonplaats 1] [telefoonnummer] (…)” Bijgevoegd is een factuur van 11 december 2020 voor de pacht 2020 à € 3.876,00 aan de heer [pachter A] op adres [adres 2] , [woonplaats 2] . 2.6. Daarop heeft Flint Beheer een factuur met datum 8 februari 2022 en factuurnummer 2022.001 aan [appellant] gestuurd voor de pacht 2021 à € 1.996,20. [appellant] heeft die betaald. 2.7. Flint Beheer heeft de percelen met een ingangsdatum van 1 januari 2022 voor één jaar in geliberaliseerde pacht aan [pachter C] gegeven. Rond 19 maart 2022 is onenigheid ontstaan tussen [appellant] en [pachter C] over het gebruik van de percelen. [appellant] heeft zich tot [medewerker 1] gewend met de mededeling dat hij de percelen in pacht heeft en wat er aan de hand was. [medewerker 1] heeft bij e-mailbericht van 21 maart 2022 geantwoord dat intern werd uitgezocht wat er aan de hand was. Op 25 maart 2022 heeft Flint Beheer factuur 2022.001 gecrediteerd en het door [appellant] betaalde bedrag terugbetaald. Op 28 maart 2022 heeft [appellant] gesproken met [rentmeester 2] van [rentmeesterskantoor] over de percelen. Over wat in dat gesprek besproken is, verschillen partijen van mening. 2.8. Op 6 april 2022 heeft [rentmeester 2] aan [pachter A] geschreven dat hij onlangs opdracht had gekregen van Flint Beheer om haar belangen te behartigen, dat hij begrepen had dat [pachter A] de percelen niet meer gebruikte en hem gevraagd in te stemmen met beëindiging van de pachtovereenkomst. Die brief is voor akkoord ondertekend. 2.9. In mei 2022 heeft [pachter C] [appellant] gesommeerd met werkzaamheden op de percelen te stoppen en de percelen bij de RVO af te melden. 2.10. [appellant] had al eerder te maken gehad met [rentmeesterskantoor] . In april en mei 2018 en januari tot en met maart 2019 is namens [appellant] gemaild en overlegd met de heer [rentmeester 1] van [rentmeesterskantoor] over de aankoop van grond en gebouwen van de familie [familienaam A] . Die koop is niet doorgegaan. In een e-mail van 30 januari 2019 heeft de heer [adviseur] , adviseur van [appellant] , aan [rentmeester 1] geschreven dat [pachter A] de pachtrechten inleverde per 1 mei 2019. In december 2020 heeft [appellant] ook gecorrespondeerd met [echtgenoot van aandeelhouder] , het hof begrijpt dat dit de echtgenoot van een aandeelhouder van Flint Beheer is, die samen met zijn echtgenote eigenaar is van een perceel van 16,6 ha. In deze correspondentie heeft [appellant] de heer [echtgenoot van aandeelhouder] bedankt voor het door de rentmeester van [echtgenoot van aandeelhouder] , de heer [rentmeester 2] van [rentmeesterskantoor] , aan [appellant] en zijn echtgenote gedane aanbod van een nieuwe geliberaliseerde pachtovereenkomst voor deze 16,6 ha. De vorderingen van [appellant] ; oordeel van de pachtkamer Amsterdam; inzet van het hoger beroep 2.11. [appellant] heeft bij de pachtkamer in Amsterdam schriftelijke vastlegging gevorderd van een reguliere pachtovereenkomst tussen [appellant] enerzijds en Flint Beheer anderzijds met betrekking tot de percelen ingaande per 1 mei 2019 voor onbepaalde tijd voor € 332,70 per hectare per jaar (de jaarlijks wettelijke maximale pachtprijs). Ook wil [appellant] schadevergoeding, nader op te maken bij staat. 2.12. De pachtkamer in Amsterdam heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. 3 De toelichting op de beslissing van het hof Is [appellant] pachter geworden of mocht hij daar gerechtvaardigd op vertrouwen? 3.1. [appellant] stelt aan de orde dat hij per 1 mei 2019, toen [pachter A] uit de maatschap trad, pachter van de percelen is geworden, althans dat hij daar gerechtvaardigd op mocht vertrouwen. 3.2. Het hof stelt het volgende voorop. Voor een overeenkomst is wilsovereenstemming of gerechtvaardigd vertrouwen dat daarvan sprake is vereist. Of dat het geval is moet worden beantwoord aan de hand van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Deze wilsovereenstemming of het gerechtvaardigd vertrouwen daarop kan ook stilzwijgend tot stand komen. 3.3.
Volledig
In dit geval komen de stellingen van [appellant] erop neer dat Flint Beheer heeft ingestemd met het gebruik tegen betaling door [appellant] van de percelen of dat hij daar gerechtvaardigd op mocht vertrouwen omdat hij het gebruik van de percelen door het melkveebedrijf dat hij voorheen samen met [pachter A] in maatschapsverband exploiteerde, heeft voortgezet sinds 2019 en daarvoor heeft betaald. 3.4. Het hof oordeelt anders. [appellant] heeft niet gewezen op een verklaring van Flint Beheer in 2019 of 2020 dat zij akkoord ging met verpachting aan [appellant] . En [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat Flint Beheer in deze jaren wist of moest begrijpen dat [pachter A] niet langer betrokken was bij de exploitatie van de percelen en dat Flint Beheer daarom, door akkoord te gaan met het gebruik door [appellant] en daarvoor pachtnota’s te sturen, heeft ingestemd met verpachting aan [appellant] of gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat daarvan sprake was. [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd dat hij nooit tegen Flint Beheer heeft gezegd dat hij de exploitatie van de percelen van [pachter A] had overgenomen. Dat [pachter A] en [appellant] al jaren samen de percelen exploiteerden in een maatschap en dat de maatschap de pachtfacturen betaalde is ook niet voldoende om kennis van het vertrek van [pachter A] bij Flint Beheer aan te nemen. Het inbrengen van gebruik van een gepacht perceel in een maatschap is gebruikelijk. Dat deze maatschap vervolgens de pacht betaalde betekent dan ook niet zonder meer dat in de pachtrelatie iets gewijzigd is. Er kan ook niet uit worden afgeleid dat [pachter A] niet langer betrokken was bij de exploitatie van de percelen. Integendeel: uit de betalingsbewijzen die [appellant] heeft overgelegd blijkt dat de betalingen van de facturen tot en met 2020 zijn gedaan vanaf een bankrekening op naam van Maatschap [pachter A] en [appellant] . Het enkele gebruik door [appellant] van de percelen en de betalingen van de pacht door de maatschap zijn op zichzelf niet voldoende voor een gerechtvaardigd vertrouwen aan de kant van [appellant] dat Flint Beheer wist dat alleen hij de percelen exploiteerde en daarmee dat Flint Beheer ook wilde dat de percelen aan [appellant] in plaats van [pachter A] in pacht gegeven zouden worden. 3.5. Volgens [appellant] moet het er voor gehouden worden dat Flint Beheer wel wist dat [pachter A] al in 2019 met de exploitatie van de percelen was gestopt: [rentmeesterskantoor] wist immers dat [pachter A] de pacht had ingeleverd, omdat de heren [rentmeester 1] en [rentmeester 2] in 2018, 2019 en 2020 als rentmeesters van andere entiteiten met betrekking tot andere percelen daarvan wisten. Dat leidt niet tot een andere conclusie. [appellant] heeft niet gesteld dat hij in 2019 en 2020 ervan uitging of gerechtvaardigd erop vertrouwde dat [rentmeesterskantoor] optrad voor Flint Beheer. Flint Beheer heeft betwist dat zij al een opdrachtrelatie met [rentmeesterskantoor] had voor eind 2021 of 2022 ten aanzien van de percelen. [appellant] heeft die betwisting bij gebrek aan wetenschap wel weer betwist, maar daarmee zijn nog geen aanknopingspunten geboden waarom [appellant] ervan uitging dat [rentmeesterskantoor] toen ook al voor Flint Beheer, de verpachter, optrad en hij er ook vanuit ging of mocht gaan dat de kennis van [rentmeesterskantoor] dus ook bij Flint Beheer aanwezig was. Ook daaruit kan dus geen gerechtvaardigd vertrouwen van [appellant] in 2019 en 2020 worden afgeleid dat Flint Beheer de percelen aan hem in plaats van [pachter A] in pacht wilde geven. Indien en voor zover het door [appellant] gedane bewijsaanbod ziet op zijn stelling dat [rentmeesterskantoor] van meet af aan bij de ontvlechting en bedrijfsoverdracht nauw betrokken is geweest, wordt dit bewijsaanbod gepasseerd. Indien dit zou worden bewezen, leidt dat namelijk niet tot een andere conclusie. 3.6. [appellant] beroept zich er ook op dat [pachter A] in 2021 aan Flint Beheer heeft medegedeeld dat hij geen pachter meer was. Omdat Flint Beheer op verzoek van [appellant] vervolgens de factuur op zijn naam naar zijn adres heeft gestuurd, heeft Flint Beheer daarmee bevestigd dat [appellant] de pachter was. Ook zou de heer [rentmeester 2] in een telefoongesprek op 28 maart 2022 de pachtovereenkomst met [appellant] hebben bevestigd en hebben gezegd dat hij met de pachtovereenkomst voor [pachter C] te voorbarig geweest was, dat hij [pachter C] zou vragen deze te verscheuren en [pachter C] zou vragen niet meer op het perceel te komen. Zou dat niet kunnen dan zou er een probleem zijn. [rentmeester 2] zou een en ander herstellen. 3.7. Dit leidt niet tot een andere conclusie. [appellant] heeft in zijn verzoek aan Flint Beheer van 4 februari 2022 niet geschreven dat hij de pacht van [pachter A] heeft overgenomen. Hij spreekt alleen van een adreswijziging. Niet is duidelijk uit dit verzoek dat wanneer daaraan voldaan zou worden, daaraan juridische consequenties zouden vastzitten. Uit het antwoord van de heer [medewerker 1] blijkt ook dat deze niet precies weet waarover het gaat, want hij geeft aan dat er meerdere [familienaam van appellant] zijn. De factuur die vervolgens op 8 februari 2022 gestuurd is, bedraagt ook ongeveer de helft van de pachtsom van de voorgaande jaren (€ 1.996,20 in plaats van € 3.876,00 in 2020). Het betreft bovendien een factuur voor 2021, dus het jaar dat al was afgelopen, waarin [pachter A] aan Flint Beheer had laten weten te zijn gestopt als pachter, maar dus wel nog pachter was geweest. In die omstandigheden kon [appellant] aan deze ene factuur geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat al sinds 2019, of met ingang van 2021 of 2022 een pachtovereenkomst tot stand zou zijn gekomen met hem. Ook het gesprek met de heer [rentmeester 2] leidt niet tot een andere conclusie. De heer [rentmeester 2] betwist de lezing van [appellant] van het gesprek en stelt dat hij heeft gezegd dat het uitgezocht moest worden. Dat sluit aan bij het e-mailbericht van [medewerker 1] van 21 maart 2022. Bovendien was de pachtbetaling door [appellant] al op 25 maart 2022 teruggestort aan [appellant] , voordat hij met [rentmeester 2] sprak. In dat licht had het op de weg van [appellant] gelegen om nader te onderbouwen dat hij in deze omstandigheden aan dit telefoongesprek en de voorafgaande factuur van 8 februari 2022 een gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat Flint Beheer met hem een pachtovereenkomst was aangegaan of wilde aangaan. Om die reden komt het hof niet toe aan het door [appellant] gedane aanbod om te bewijzen dat [rentmeester 2] in het telefoongesprek van 28 maart 2022 heeft bevestigd dat [appellant] pachter is en een en ander te zullen herstellen. Bewijsaanbod 3.8. [appellant] heeft verder een algemeen bewijsaanbod gedaan van al zijn stellingen, meer in het bijzonder dat partijen met ingang van 1 mei 2019 pacht zijn overeengekomen, dat [appellant] het gepachte exploiteerde en dat Flint Beheer daarmee heeft ingestemd. Het bewijsaanbod wordt gepasseerd. Het aanbod om te bewijzen dat partijen met ingang van 1 mei 2019 pacht zijn overeengekomen wordt gepasseerd omdat de feiten die [appellant] stelt om tot die conclusie te komen onvoldoende onderbouwd zijn om toegelaten te worden tot bewijslevering, zoals het hof hierboven heeft uitgelegd. Het bewijs van de andere stellingen die in het bewijsaanbod zijn genoemd kan, ook wanneer ze bewezen zouden worden, niet tot een andere conclusie leiden. De conclusie 3.9. Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. Wettelijke rente over deze kosten is niet gevorderd. 3.10. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4 De beslissing Het hof: 4.1. bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer in de rechtbank Amsterdam van 4 april 2024; 4.2.
Volledig
In dit geval komen de stellingen van [appellant] erop neer dat Flint Beheer heeft ingestemd met het gebruik tegen betaling door [appellant] van de percelen of dat hij daar gerechtvaardigd op mocht vertrouwen omdat hij het gebruik van de percelen door het melkveebedrijf dat hij voorheen samen met [pachter A] in maatschapsverband exploiteerde, heeft voortgezet sinds 2019 en daarvoor heeft betaald. 3.4. Het hof oordeelt anders. [appellant] heeft niet gewezen op een verklaring van Flint Beheer in 2019 of 2020 dat zij akkoord ging met verpachting aan [appellant] . En [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat Flint Beheer in deze jaren wist of moest begrijpen dat [pachter A] niet langer betrokken was bij de exploitatie van de percelen en dat Flint Beheer daarom, door akkoord te gaan met het gebruik door [appellant] en daarvoor pachtnota’s te sturen, heeft ingestemd met verpachting aan [appellant] of gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat daarvan sprake was. [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd dat hij nooit tegen Flint Beheer heeft gezegd dat hij de exploitatie van de percelen van [pachter A] had overgenomen. Dat [pachter A] en [appellant] al jaren samen de percelen exploiteerden in een maatschap en dat de maatschap de pachtfacturen betaalde is ook niet voldoende om kennis van het vertrek van [pachter A] bij Flint Beheer aan te nemen. Het inbrengen van gebruik van een gepacht perceel in een maatschap is gebruikelijk. Dat deze maatschap vervolgens de pacht betaalde betekent dan ook niet zonder meer dat in de pachtrelatie iets gewijzigd is. Er kan ook niet uit worden afgeleid dat [pachter A] niet langer betrokken was bij de exploitatie van de percelen. Integendeel: uit de betalingsbewijzen die [appellant] heeft overgelegd blijkt dat de betalingen van de facturen tot en met 2020 zijn gedaan vanaf een bankrekening op naam van Maatschap [pachter A] en [appellant] . Het enkele gebruik door [appellant] van de percelen en de betalingen van de pacht door de maatschap zijn op zichzelf niet voldoende voor een gerechtvaardigd vertrouwen aan de kant van [appellant] dat Flint Beheer wist dat alleen hij de percelen exploiteerde en daarmee dat Flint Beheer ook wilde dat de percelen aan [appellant] in plaats van [pachter A] in pacht gegeven zouden worden. 3.5. Volgens [appellant] moet het er voor gehouden worden dat Flint Beheer wel wist dat [pachter A] al in 2019 met de exploitatie van de percelen was gestopt: [rentmeesterskantoor] wist immers dat [pachter A] de pacht had ingeleverd, omdat de heren [rentmeester 1] en [rentmeester 2] in 2018, 2019 en 2020 als rentmeesters van andere entiteiten met betrekking tot andere percelen daarvan wisten. Dat leidt niet tot een andere conclusie. [appellant] heeft niet gesteld dat hij in 2019 en 2020 ervan uitging of gerechtvaardigd erop vertrouwde dat [rentmeesterskantoor] optrad voor Flint Beheer. Flint Beheer heeft betwist dat zij al een opdrachtrelatie met [rentmeesterskantoor] had voor eind 2021 of 2022 ten aanzien van de percelen. [appellant] heeft die betwisting bij gebrek aan wetenschap wel weer betwist, maar daarmee zijn nog geen aanknopingspunten geboden waarom [appellant] ervan uitging dat [rentmeesterskantoor] toen ook al voor Flint Beheer, de verpachter, optrad en hij er ook vanuit ging of mocht gaan dat de kennis van [rentmeesterskantoor] dus ook bij Flint Beheer aanwezig was. Ook daaruit kan dus geen gerechtvaardigd vertrouwen van [appellant] in 2019 en 2020 worden afgeleid dat Flint Beheer de percelen aan hem in plaats van [pachter A] in pacht wilde geven. Indien en voor zover het door [appellant] gedane bewijsaanbod ziet op zijn stelling dat [rentmeesterskantoor] van meet af aan bij de ontvlechting en bedrijfsoverdracht nauw betrokken is geweest, wordt dit bewijsaanbod gepasseerd. Indien dit zou worden bewezen, leidt dat namelijk niet tot een andere conclusie. 3.6. [appellant] beroept zich er ook op dat [pachter A] in 2021 aan Flint Beheer heeft medegedeeld dat hij geen pachter meer was. Omdat Flint Beheer op verzoek van [appellant] vervolgens de factuur op zijn naam naar zijn adres heeft gestuurd, heeft Flint Beheer daarmee bevestigd dat [appellant] de pachter was. Ook zou de heer [rentmeester 2] in een telefoongesprek op 28 maart 2022 de pachtovereenkomst met [appellant] hebben bevestigd en hebben gezegd dat hij met de pachtovereenkomst voor [pachter C] te voorbarig geweest was, dat hij [pachter C] zou vragen deze te verscheuren en [pachter C] zou vragen niet meer op het perceel te komen. Zou dat niet kunnen dan zou er een probleem zijn. [rentmeester 2] zou een en ander herstellen. 3.7. Dit leidt niet tot een andere conclusie. [appellant] heeft in zijn verzoek aan Flint Beheer van 4 februari 2022 niet geschreven dat hij de pacht van [pachter A] heeft overgenomen. Hij spreekt alleen van een adreswijziging. Niet is duidelijk uit dit verzoek dat wanneer daaraan voldaan zou worden, daaraan juridische consequenties zouden vastzitten. Uit het antwoord van de heer [medewerker 1] blijkt ook dat deze niet precies weet waarover het gaat, want hij geeft aan dat er meerdere [familienaam van appellant] zijn. De factuur die vervolgens op 8 februari 2022 gestuurd is, bedraagt ook ongeveer de helft van de pachtsom van de voorgaande jaren (€ 1.996,20 in plaats van € 3.876,00 in 2020). Het betreft bovendien een factuur voor 2021, dus het jaar dat al was afgelopen, waarin [pachter A] aan Flint Beheer had laten weten te zijn gestopt als pachter, maar dus wel nog pachter was geweest. In die omstandigheden kon [appellant] aan deze ene factuur geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat al sinds 2019, of met ingang van 2021 of 2022 een pachtovereenkomst tot stand zou zijn gekomen met hem. Ook het gesprek met de heer [rentmeester 2] leidt niet tot een andere conclusie. De heer [rentmeester 2] betwist de lezing van [appellant] van het gesprek en stelt dat hij heeft gezegd dat het uitgezocht moest worden. Dat sluit aan bij het e-mailbericht van [medewerker 1] van 21 maart 2022. Bovendien was de pachtbetaling door [appellant] al op 25 maart 2022 teruggestort aan [appellant] , voordat hij met [rentmeester 2] sprak. In dat licht had het op de weg van [appellant] gelegen om nader te onderbouwen dat hij in deze omstandigheden aan dit telefoongesprek en de voorafgaande factuur van 8 februari 2022 een gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat Flint Beheer met hem een pachtovereenkomst was aangegaan of wilde aangaan. Om die reden komt het hof niet toe aan het door [appellant] gedane aanbod om te bewijzen dat [rentmeester 2] in het telefoongesprek van 28 maart 2022 heeft bevestigd dat [appellant] pachter is en een en ander te zullen herstellen. Bewijsaanbod 3.8. [appellant] heeft verder een algemeen bewijsaanbod gedaan van al zijn stellingen, meer in het bijzonder dat partijen met ingang van 1 mei 2019 pacht zijn overeengekomen, dat [appellant] het gepachte exploiteerde en dat Flint Beheer daarmee heeft ingestemd. Het bewijsaanbod wordt gepasseerd. Het aanbod om te bewijzen dat partijen met ingang van 1 mei 2019 pacht zijn overeengekomen wordt gepasseerd omdat de feiten die [appellant] stelt om tot die conclusie te komen onvoldoende onderbouwd zijn om toegelaten te worden tot bewijslevering, zoals het hof hierboven heeft uitgelegd. Het bewijs van de andere stellingen die in het bewijsaanbod zijn genoemd kan, ook wanneer ze bewezen zouden worden, niet tot een andere conclusie leiden. De conclusie 3.9. Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. Wettelijke rente over deze kosten is niet gevorderd. 3.10. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4 De beslissing Het hof: 4.1. bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer in de rechtbank Amsterdam van 4 april 2024; 4.2.