Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-01
ECLI:NL:GHARL:2026:2032
Strafrecht
Hoger beroep
48,765 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2032 text/xml public 2026-04-03T16:12:41 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-01 21-006271-19 Uitspraak Hoger beroep NL Zwolle Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2032 text/html public 2026-04-03T16:11:59 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2032 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 01-04-2026 / 21-006271-19 Onderzoek Mansfield. PGB-fraude. Gevangenisstraf van 34 maanden. Verdachte gaf feitelijk leiding aan een organisatie die zorg verleende in het kader van PGB. Voldoende bewijs dat meer zorg werd gedeclareerd dan door de organisatie werd verleend. Een deel van de PGB-bedragen werd met de budgethouders gedeeld. Oplichting voor een bedrag van ruim 4,6 miljoen euro. De geldbedragen werden vervolgens witgewassen, onder andere d.m.v. de bouw van een appartementencomplex in Turkije. Afdeling strafrecht Parketnummer:21-006271-19 Uitspraakdatum:1 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht , van 28 november 2019 met parketnummer 16-994003-18 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1976 in [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] Hoger beroep Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland. Onderzoek van de zaak Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van zittingen van het hof van 22 november 2022, 4 maart en 1 april 2026 (alleen sluiting onderzoek) en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.V. Broekmeulen en de advocaat van de benadeelde partij hebben aangevoerd. Ontvankelijkheid in hoger beroep Verdachte is door rechtbank partieel vrijgesproken van wat aan hem onder 1 en 2 is ten laste gelegd, namelijk voor zover dat ziet op: - de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding individueel januari 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-012-02) Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die beslissingen tot vrijspraak. Naar het oordeel van het hof betreffen dit beschermde deelvrijspraken. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte derhalve niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dit tegen de hiervoor bedoelde deelvrijspraken is gericht. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Het vonnis De rechtbank heeft in het vonnis de volgende beslissingen genomen: bewezenverklaring van de feiten 1 primair, 2 primair en 3 primair; oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van het ondergane voorarrest; ontzetting van het recht tot uitoefening van enig beroep in de zorg voor de duur van zes jaren; gedeeltelijke toewijzingen van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen, verhoogd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en teruggave aan verdachte van een aantal in beslag genomen voorwerpen, voor zover conservatoir beslag daaraan niet in de weg staat. Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank Midden-Nederland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht. Tenlastelegging De tenlastelegging, voor zover in hoger beroep aan de orde, is als bijlage I aan dit arrest gehecht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat: feit 1 primair: verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 in [plaats 1] , samen met anderen, 30 facturen en 2 zorgovereenkomsten, ten behoeve van het verkrijgen van PGB-vergoedingen, vals heeft opgemaakt en/of verdachte van deze facturen en zorgovereenkomsten gebruik heeft gemaakt door die in te dienen bij de Sociale Verzekeringsbank, het [benadeelde] en/of andere zorgverzekeraars/zorgkantoren; feit 1 subsidiair: [zorginstelling] in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 in [plaats 1] , samen met anderen, 30 facturen en 2 zorgovereenkomsten, ten behoeve van het verkrijgen van PGB-vergoedingen, vals heeft opgemaakt, en verdachte aan deze gedraging feitelijk leiding heeft gegeven en/of [zorginstelling] van deze facturen en zorgovereenkomsten gebruik heeft gemaakt door die in te dienen bij de Sociale Verzekeringsbank, het [benadeelde] en/of andere zorgverzekeraars/zorgkantoren, en verdachte aan deze gedraging feitelijk leiding heeft gegeven; feit 2 primair: verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 in [plaats 1] , samen met anderen, de Sociale Verzekeringsbank, het [benadeelde] en/of andere zorgverzekeraars/zorgkantoren en/of de gemeente [plaats 1] heeft opgelicht voor een bedrag van € 4.673.959,- door middel van het indienen van (onjuiste) zorgovereenkomsten, verantwoordingsformulieren, declaraties en facturen; feit 2 subsidiair: [zorginstelling] in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 in [plaats 1] , samen met anderen, de Sociale Verzekeringsbank, het [benadeelde] en/of andere zorgverzekeraars/zorgkantoren en/of de gemeente [plaats 1] heeft opgelicht voor een totaalbedrag van € 4.673.959,- door middel van het indienen van (onjuiste) zorgovereenkomsten, verantwoordingsformulieren, declaraties en facturen, en verdachte aan deze gedraging feitelijk leiding heeft gegeven; feit 3 primair: verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met heden in Nederland en Turkije, samen met anderen, een gewoonte heeft gemaakt van witwassen, voor een totaalbedrag van € 7.809.269,-; feit 3 subsidiair: [zorginstelling] in de periode van 1 januari 2014 tot en met heden in Nederland en Turkije, samen met anderen, een gewoonte heeft gemaakt van witwassen, voor een totaalbedrag van € 7.809.269,- en verdachte aan deze gedraging feitelijk leiding heeft gegeven. Niet gehoorde getuigen De volgende in de zaak van verdachte toegewezen getuigen zijn niet gehoord: [budgethouder 7] (overleden) [budgethouder 3] (gezondheidstoestand) [budgethouder 5] (gezondheidstoestand) [budgethouder 1] (gezondheidstoestand) [budgethouder 10] (niet te traceren) Gelet op de door de raadsheer-commissaris opgemaakt processen-verbaal is het onaannemelijk dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting kunnen verschijnen of alsnog door de raadsheer-commissaris kunnen worden gehoord. Het hof wijst de verzoeken daarom af. Het hof overweegt daarbij dat het niet kunnen horen niet meebrengt dat geen sprake meer is van een eerlijk proces. In de zaak [budgethouder 5] zal het hof komen tot een vrijspraak en in de overige zaken berust de bewezenverklaring niet op de verklaringen van deze getuigen. Het hof wijst daarbij met name op de bij [zorginstelling] zelf aangetroffen verdeellijsten en de verklaring daarover van [verdachte] . Daarnaast is sprake van een vast patroon van het niet verlenen van wel gedeclareerde zorg. Het hof zal dat bij de bewezenverklaring toelichten. Bewijsoverweging Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal acht het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft in dit verband – kort gezegd – de valsheid betwist van de facturen en zorgovereenkomsten genoemd in de tenlastelegging, omdat er wel degelijk zorg is verleend.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2032 text/xml public 2026-04-03T16:12:41 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-01 21-006271-19 Uitspraak Hoger beroep NL Zwolle Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2032 text/html public 2026-04-03T16:11:59 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2032 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 01-04-2026 / 21-006271-19 Onderzoek Mansfield. PGB-fraude. Gevangenisstraf van 34 maanden. Verdachte gaf feitelijk leiding aan een organisatie die zorg verleende in het kader van PGB. Voldoende bewijs dat meer zorg werd gedeclareerd dan door de organisatie werd verleend. Een deel van de PGB-bedragen werd met de budgethouders gedeeld. Oplichting voor een bedrag van ruim 4,6 miljoen euro. De geldbedragen werden vervolgens witgewassen, onder andere d.m.v. de bouw van een appartementencomplex in Turkije. Afdeling strafrecht Parketnummer:21-006271-19 Uitspraakdatum:1 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht , van 28 november 2019 met parketnummer 16-994003-18 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1976 in [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] Hoger beroep Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland. Onderzoek van de zaak Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van zittingen van het hof van 22 november 2022, 4 maart en 1 april 2026 (alleen sluiting onderzoek) en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.V. Broekmeulen en de advocaat van de benadeelde partij hebben aangevoerd. Ontvankelijkheid in hoger beroep Verdachte is door rechtbank partieel vrijgesproken van wat aan hem onder 1 en 2 is ten laste gelegd, namelijk voor zover dat ziet op: - de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding individueel januari 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-012-02) Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die beslissingen tot vrijspraak. Naar het oordeel van het hof betreffen dit beschermde deelvrijspraken. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte derhalve niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dit tegen de hiervoor bedoelde deelvrijspraken is gericht. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Het vonnis De rechtbank heeft in het vonnis de volgende beslissingen genomen: bewezenverklaring van de feiten 1 primair, 2 primair en 3 primair; oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van het ondergane voorarrest; ontzetting van het recht tot uitoefening van enig beroep in de zorg voor de duur van zes jaren; gedeeltelijke toewijzingen van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen, verhoogd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en teruggave aan verdachte van een aantal in beslag genomen voorwerpen, voor zover conservatoir beslag daaraan niet in de weg staat. Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank Midden-Nederland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht. Tenlastelegging De tenlastelegging, voor zover in hoger beroep aan de orde, is als bijlage I aan dit arrest gehecht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat: feit 1 primair: verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 in [plaats 1] , samen met anderen, 30 facturen en 2 zorgovereenkomsten, ten behoeve van het verkrijgen van PGB-vergoedingen, vals heeft opgemaakt en/of verdachte van deze facturen en zorgovereenkomsten gebruik heeft gemaakt door die in te dienen bij de Sociale Verzekeringsbank, het [benadeelde] en/of andere zorgverzekeraars/zorgkantoren; feit 1 subsidiair: [zorginstelling] in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 in [plaats 1] , samen met anderen, 30 facturen en 2 zorgovereenkomsten, ten behoeve van het verkrijgen van PGB-vergoedingen, vals heeft opgemaakt, en verdachte aan deze gedraging feitelijk leiding heeft gegeven en/of [zorginstelling] van deze facturen en zorgovereenkomsten gebruik heeft gemaakt door die in te dienen bij de Sociale Verzekeringsbank, het [benadeelde] en/of andere zorgverzekeraars/zorgkantoren, en verdachte aan deze gedraging feitelijk leiding heeft gegeven; feit 2 primair: verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 in [plaats 1] , samen met anderen, de Sociale Verzekeringsbank, het [benadeelde] en/of andere zorgverzekeraars/zorgkantoren en/of de gemeente [plaats 1] heeft opgelicht voor een bedrag van € 4.673.959,- door middel van het indienen van (onjuiste) zorgovereenkomsten, verantwoordingsformulieren, declaraties en facturen; feit 2 subsidiair: [zorginstelling] in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 in [plaats 1] , samen met anderen, de Sociale Verzekeringsbank, het [benadeelde] en/of andere zorgverzekeraars/zorgkantoren en/of de gemeente [plaats 1] heeft opgelicht voor een totaalbedrag van € 4.673.959,- door middel van het indienen van (onjuiste) zorgovereenkomsten, verantwoordingsformulieren, declaraties en facturen, en verdachte aan deze gedraging feitelijk leiding heeft gegeven; feit 3 primair: verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met heden in Nederland en Turkije, samen met anderen, een gewoonte heeft gemaakt van witwassen, voor een totaalbedrag van € 7.809.269,-; feit 3 subsidiair: [zorginstelling] in de periode van 1 januari 2014 tot en met heden in Nederland en Turkije, samen met anderen, een gewoonte heeft gemaakt van witwassen, voor een totaalbedrag van € 7.809.269,- en verdachte aan deze gedraging feitelijk leiding heeft gegeven. Niet gehoorde getuigen De volgende in de zaak van verdachte toegewezen getuigen zijn niet gehoord: [budgethouder 7] (overleden) [budgethouder 3] (gezondheidstoestand) [budgethouder 5] (gezondheidstoestand) [budgethouder 1] (gezondheidstoestand) [budgethouder 10] (niet te traceren) Gelet op de door de raadsheer-commissaris opgemaakt processen-verbaal is het onaannemelijk dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting kunnen verschijnen of alsnog door de raadsheer-commissaris kunnen worden gehoord. Het hof wijst de verzoeken daarom af. Het hof overweegt daarbij dat het niet kunnen horen niet meebrengt dat geen sprake meer is van een eerlijk proces. In de zaak [budgethouder 5] zal het hof komen tot een vrijspraak en in de overige zaken berust de bewezenverklaring niet op de verklaringen van deze getuigen. Het hof wijst daarbij met name op de bij [zorginstelling] zelf aangetroffen verdeellijsten en de verklaring daarover van [verdachte] . Daarnaast is sprake van een vast patroon van het niet verlenen van wel gedeclareerde zorg. Het hof zal dat bij de bewezenverklaring toelichten. Bewijsoverweging Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal acht het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft in dit verband – kort gezegd – de valsheid betwist van de facturen en zorgovereenkomsten genoemd in de tenlastelegging, omdat er wel degelijk zorg is verleend.
Volledig
Ook heeft de raadsman betoogd dat er geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet op de tenlastegelegde feiten, verdachte was slechts administratief medewerker en had geen feitelijke betrokkenheid bij de zorgkant van [zorginstelling] . Voor een administratief medewerker bestaat geen aanmerkelijke kans dat de informatie die hij krijgt aangeleverd vals is of dat hij zichzelf of een ander wederrechtelijk bevoordeelt. Verdachte speelde slechts een onderschikte rol en had geen invloed op het besluitvormingsproces of feitelijke invloed om de strafbare gedragingen te voorkomen. Verdachte heeft de verdeellijsten opgesteld, maar deed dat op aanwijzing van medeverdachte [medeverdachte 1] , die hij blind vertrouwde. Een en ander leidt ertoe dat eveneens niet kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap heeft gehad dat de geldbedragen zoals ten laste gelegd van enig misdrijf afkomstig waren, zodat hij ook voor het derde feit dient te worden vrijgesproken. Oordeel van het hof Het hof kan zich in grote lijnen met de overwegingen van de rechtbank verenigen, maar wijkt op enkele punten daar wel van af met tekstuele aanpassingen en met aanvullingen. Het hof gebruikt daarom hierna enkele overwegingen van de rechtbank, maar heeft die, omwille van de leesbaarheid, omgezet naar de zijne. Korte samenvatting van de zaak (onderzoek Mansfield) [zorginstelling] (hierna: [zorginstelling] ) was in de periode van 2014 tot en met begin april 2018 een [plaats 1] zorgorganisatie. Verdachte en zijn broers, medeverdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] waren (respectievelijk als directeur, zorgcoördinator en (financieel) manager) werkzaam voor deze organisatie. [zorginstelling] had verschillende cliënten, budgethouders genoemd. Deze budgethouders beschikten over een persoonsgebonden budget (hierna: PGB) waarmee zij zorg konden inkopen. Er zijn verschillende wetten op basis waarvan een PGB kan worden aangevraagd, namelijk (onder meer): de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (geldend tot 31 december 2014), de Wet langdurige zorg, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Zorgverzekeringswet (hierna afgekort als: AWBZ, Wlz, Wmo en Zvw). Ter verkrijging van gelden uit hoofde van een PGB werden bij het zorgkantoor, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en de zorgverzekeringsmaatschappij zorgovereenkomsten, verantwoordingsformulieren, declaratieformulieren en facturen ingediend. Het Openbaar Ministerie verdenkt verdachte en medeverdachten ervan dat met deze documenten de indruk werd gewekt dat door [zorginstelling] meer zorg werd geleverd dan daadwerkelijk het geval was, waardoor te hoge bedragen aan PGB zijn uitbetaald. Volgens het Openbaar Ministerie zijn deze PGB-bedragen vervolgens door verdachte in samenwerking met zijn medeverdachten met de budgethouders gedeeld. Het Openbaar Ministerie wijst in dat verband op de aangetroffen lijsten met namen van budgethouders, bedragen en percentages, die hierna ‘verdeellijsten’ worden genoemd. Kern van het verwijt Verdachten wordt een rol verweten bij het opstellen en gebruiken van valse geschriften (feit 1), het met die geschriften bewegen van organisaties tot uitbetaling van geldbedragen (feit 2) en het witwassen van verkregen gelden (feit 3). Er is veel onderzoek gedaan naar de verschillende verdeellijsten die bij [zorginstelling] zijn aangetroffen. De kern van het verwijt is echter niet dat er PGB-gelden zijn gedeeld met de budgethouders, maar dat [zorginstelling] niet de uren zorg heeft geleverd zoals die in de facturen en formulieren zijn verantwoord. Bij de beantwoording van de vraag of de verantwoorde zorg daadwerkelijk is geleverd, spelen de verdeellijsten overigens wel een belangrijke rol. Is de verantwoorde zorg geleverd? Het is een feit van algemene bekendheid dat bij zorgorganisaties als [zorginstelling] het overgrote deel van de kosten die door de organisatie worden gemaakt, bestaat uit personeelskosten. Wanneer, zoals hierna bij de bespreking van de bewijsmiddelen zal worden toegelicht, een groot deel van de omzet van een dergelijke organisatie wordt gedeeld met de budgethouders is dit naar het oordeel van het hof een aanwijzing dat niet alle gedeclareerde zorg is verleend. Daarbij komt dat uit onderzoek van de Inspectie SZW (hierna: de Inspectie) op basis van onder meer roosters, planningen, presentielijsten en verklaringen van personeel volgt dat [zorginstelling] maximaal 28,1% van de totaal gedeclareerde zorg heeft kunnen leveren. Dit vormt een tweede aanwijzing dat niet alle gedeclareerde zorg is geleverd. In de derde plaats hebben verschillende budgethouders en hun familieleden verklaard, dat door [zorginstelling] geen zorg of niet alle zorg is geleverd. Het hof zal op grond van na te noemen feiten en omstandigheden tot de conclusie komen dat de betrokken instanties PGB-gelden hebben uitgekeerd, terwijl daar niet de zorg tegenover stond die aan hen werd gefactureerd. Het hof zal komen tot een bewezenverklaring van nagenoeg alle ten laste gelegde feiten. Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zal het hof eerst de oplichting (feit 2) behandelen, daarna feit 1 (valsheid in geschrifte) en vervolgens feit 3 (witwassen). Bewijsmiddelen feiten 1, 2 en 3 Het PGB is vanaf 1995 tot en met 31 december 2014 door de Nederlandse Staat gefinancierd uit de AWBZ. De uitvoering is neergelegd bij de zorgkantoren. Het zorgkantoor controleert of de verantwoorde bedragen overeenkomen met het toegekende budget. Daarna wordt door het zorgkantoor per jaar het definitieve PGB vastgesteld op basis van de ingediende verantwoordingsformulieren en wordt een eindafrekening opgemaakt. Daarnaast is vastgelegd dat in 5% van de gevallen door het zorgkantoor een intensieve controle op de verantwoording plaatsvindt, hetgeen inhoudt dat de onderliggende contracten, declaraties en bewijzen van de betalingen moeten worden overlegd aan het zorgkantoor. Per 1 januari 2015 is de AWBZ gewijzigd. Zorgtaken vanuit de AWBZ zijn ondergebracht bij nieuwe en bestaande (zorg)wetten, namelijk de Wlz, de Wmo, de Zvw en de Jeugdwet (Jw). Bij vaststelling van de hoogte van het PGB op basis van de Zvw gaat de zorgverzekeraar uit van het aantal door een wijkverpleegkundige geïndiceerde uren. De budgethouder dient de door hem goedgekeurde declaraties in en de zorgverzekeraar keert het bedrag uit aan de budgethouder. De budgethouder is zelf verantwoordelijk voor de betaling aan de zorgverlener. De uitvoering van het PGB op basis van de Wlz is neergelegd bij de Zorgkantoren. Daar dient een PGB op basis van de Wlz aangevraagd te worden. De uitvoering van het PGB op basis van de Wmo is neergelegd bij de gemeentes. De uitbetaling vanuit het PGB-budget voor Wlz en Wmo vindt plaats via de SVB. De uitbetaling kan plaatsvinden op twee manieren: • De budgethouder spreekt met de zorgverlener een uurloon af. In dat geval betaalt de SVB aan de zorgverlener uit op basis van ingediende facturen. Na controle van de declaratie door de SVB betaalt de SVB de declaraties uit. • De budgethouder spreekt met de zorgverlener een vast maandbedrag af en dit wordt vastgelegd in een zorgovereenkomst. In dat geval betaalt de SVB de zorgverlener automatisch uit en dus niet naar aanleiding van een ingediende declaratie. [benadeelde] heeft op 22 augustus 2018 aangifte gedaan tegen [zorginstelling] , omdat zij door het indienen van valse documenten is bewogen tot het uitkeren, dan wel tot het als juist accorderen, van PGB-gelden. [naam 5] , werkzaam bij de gemeente [plaats 1] , heeft op 28 november 2018 een verklaring afgelegd. Hij merkt in deze verklaring op dat de gemeente een onderzoek is gestart naar enkele budgethouders. Uit dit onderzoek komt onder andere naar voren dat door [budgethouder 1] zorg is gedeclareerd over een periode dat zij in het buitenland verbleef. [zorginstelling] , gevestigd te [plaats 1] , is voor het eerst ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel op 13 juni 2014. Startdatum van de onderneming is 13 januari 2014. Als enig bestuurder staat geregistreerd [medeverdachte 2] . Rol [medeverdachte 2] In het personeelshandboek van [zorginstelling] van 1 oktober 2016 staat dat [medeverdachte 2] directeur is.
Volledig
Ook heeft de raadsman betoogd dat er geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet op de tenlastegelegde feiten, verdachte was slechts administratief medewerker en had geen feitelijke betrokkenheid bij de zorgkant van [zorginstelling] . Voor een administratief medewerker bestaat geen aanmerkelijke kans dat de informatie die hij krijgt aangeleverd vals is of dat hij zichzelf of een ander wederrechtelijk bevoordeelt. Verdachte speelde slechts een onderschikte rol en had geen invloed op het besluitvormingsproces of feitelijke invloed om de strafbare gedragingen te voorkomen. Verdachte heeft de verdeellijsten opgesteld, maar deed dat op aanwijzing van medeverdachte [medeverdachte 1] , die hij blind vertrouwde. Een en ander leidt ertoe dat eveneens niet kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap heeft gehad dat de geldbedragen zoals ten laste gelegd van enig misdrijf afkomstig waren, zodat hij ook voor het derde feit dient te worden vrijgesproken. Oordeel van het hof Het hof kan zich in grote lijnen met de overwegingen van de rechtbank verenigen, maar wijkt op enkele punten daar wel van af met tekstuele aanpassingen en met aanvullingen. Het hof gebruikt daarom hierna enkele overwegingen van de rechtbank, maar heeft die, omwille van de leesbaarheid, omgezet naar de zijne. Korte samenvatting van de zaak (onderzoek Mansfield) [zorginstelling] (hierna: [zorginstelling] ) was in de periode van 2014 tot en met begin april 2018 een [plaats 1] zorgorganisatie. Verdachte en zijn broers, medeverdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] waren (respectievelijk als directeur, zorgcoördinator en (financieel) manager) werkzaam voor deze organisatie. [zorginstelling] had verschillende cliënten, budgethouders genoemd. Deze budgethouders beschikten over een persoonsgebonden budget (hierna: PGB) waarmee zij zorg konden inkopen. Er zijn verschillende wetten op basis waarvan een PGB kan worden aangevraagd, namelijk (onder meer): de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (geldend tot 31 december 2014), de Wet langdurige zorg, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Zorgverzekeringswet (hierna afgekort als: AWBZ, Wlz, Wmo en Zvw). Ter verkrijging van gelden uit hoofde van een PGB werden bij het zorgkantoor, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en de zorgverzekeringsmaatschappij zorgovereenkomsten, verantwoordingsformulieren, declaratieformulieren en facturen ingediend. Het Openbaar Ministerie verdenkt verdachte en medeverdachten ervan dat met deze documenten de indruk werd gewekt dat door [zorginstelling] meer zorg werd geleverd dan daadwerkelijk het geval was, waardoor te hoge bedragen aan PGB zijn uitbetaald. Volgens het Openbaar Ministerie zijn deze PGB-bedragen vervolgens door verdachte in samenwerking met zijn medeverdachten met de budgethouders gedeeld. Het Openbaar Ministerie wijst in dat verband op de aangetroffen lijsten met namen van budgethouders, bedragen en percentages, die hierna ‘verdeellijsten’ worden genoemd. Kern van het verwijt Verdachten wordt een rol verweten bij het opstellen en gebruiken van valse geschriften (feit 1), het met die geschriften bewegen van organisaties tot uitbetaling van geldbedragen (feit 2) en het witwassen van verkregen gelden (feit 3). Er is veel onderzoek gedaan naar de verschillende verdeellijsten die bij [zorginstelling] zijn aangetroffen. De kern van het verwijt is echter niet dat er PGB-gelden zijn gedeeld met de budgethouders, maar dat [zorginstelling] niet de uren zorg heeft geleverd zoals die in de facturen en formulieren zijn verantwoord. Bij de beantwoording van de vraag of de verantwoorde zorg daadwerkelijk is geleverd, spelen de verdeellijsten overigens wel een belangrijke rol. Is de verantwoorde zorg geleverd? Het is een feit van algemene bekendheid dat bij zorgorganisaties als [zorginstelling] het overgrote deel van de kosten die door de organisatie worden gemaakt, bestaat uit personeelskosten. Wanneer, zoals hierna bij de bespreking van de bewijsmiddelen zal worden toegelicht, een groot deel van de omzet van een dergelijke organisatie wordt gedeeld met de budgethouders is dit naar het oordeel van het hof een aanwijzing dat niet alle gedeclareerde zorg is verleend. Daarbij komt dat uit onderzoek van de Inspectie SZW (hierna: de Inspectie) op basis van onder meer roosters, planningen, presentielijsten en verklaringen van personeel volgt dat [zorginstelling] maximaal 28,1% van de totaal gedeclareerde zorg heeft kunnen leveren. Dit vormt een tweede aanwijzing dat niet alle gedeclareerde zorg is geleverd. In de derde plaats hebben verschillende budgethouders en hun familieleden verklaard, dat door [zorginstelling] geen zorg of niet alle zorg is geleverd. Het hof zal op grond van na te noemen feiten en omstandigheden tot de conclusie komen dat de betrokken instanties PGB-gelden hebben uitgekeerd, terwijl daar niet de zorg tegenover stond die aan hen werd gefactureerd. Het hof zal komen tot een bewezenverklaring van nagenoeg alle ten laste gelegde feiten. Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zal het hof eerst de oplichting (feit 2) behandelen, daarna feit 1 (valsheid in geschrifte) en vervolgens feit 3 (witwassen). Bewijsmiddelen feiten 1, 2 en 3 Het PGB is vanaf 1995 tot en met 31 december 2014 door de Nederlandse Staat gefinancierd uit de AWBZ. De uitvoering is neergelegd bij de zorgkantoren. Het zorgkantoor controleert of de verantwoorde bedragen overeenkomen met het toegekende budget. Daarna wordt door het zorgkantoor per jaar het definitieve PGB vastgesteld op basis van de ingediende verantwoordingsformulieren en wordt een eindafrekening opgemaakt. Daarnaast is vastgelegd dat in 5% van de gevallen door het zorgkantoor een intensieve controle op de verantwoording plaatsvindt, hetgeen inhoudt dat de onderliggende contracten, declaraties en bewijzen van de betalingen moeten worden overlegd aan het zorgkantoor. Per 1 januari 2015 is de AWBZ gewijzigd. Zorgtaken vanuit de AWBZ zijn ondergebracht bij nieuwe en bestaande (zorg)wetten, namelijk de Wlz, de Wmo, de Zvw en de Jeugdwet (Jw). Bij vaststelling van de hoogte van het PGB op basis van de Zvw gaat de zorgverzekeraar uit van het aantal door een wijkverpleegkundige geïndiceerde uren. De budgethouder dient de door hem goedgekeurde declaraties in en de zorgverzekeraar keert het bedrag uit aan de budgethouder. De budgethouder is zelf verantwoordelijk voor de betaling aan de zorgverlener. De uitvoering van het PGB op basis van de Wlz is neergelegd bij de Zorgkantoren. Daar dient een PGB op basis van de Wlz aangevraagd te worden. De uitvoering van het PGB op basis van de Wmo is neergelegd bij de gemeentes. De uitbetaling vanuit het PGB-budget voor Wlz en Wmo vindt plaats via de SVB. De uitbetaling kan plaatsvinden op twee manieren: • De budgethouder spreekt met de zorgverlener een uurloon af. In dat geval betaalt de SVB aan de zorgverlener uit op basis van ingediende facturen. Na controle van de declaratie door de SVB betaalt de SVB de declaraties uit. • De budgethouder spreekt met de zorgverlener een vast maandbedrag af en dit wordt vastgelegd in een zorgovereenkomst. In dat geval betaalt de SVB de zorgverlener automatisch uit en dus niet naar aanleiding van een ingediende declaratie. [benadeelde] heeft op 22 augustus 2018 aangifte gedaan tegen [zorginstelling] , omdat zij door het indienen van valse documenten is bewogen tot het uitkeren, dan wel tot het als juist accorderen, van PGB-gelden. [naam 5] , werkzaam bij de gemeente [plaats 1] , heeft op 28 november 2018 een verklaring afgelegd. Hij merkt in deze verklaring op dat de gemeente een onderzoek is gestart naar enkele budgethouders. Uit dit onderzoek komt onder andere naar voren dat door [budgethouder 1] zorg is gedeclareerd over een periode dat zij in het buitenland verbleef. [zorginstelling] , gevestigd te [plaats 1] , is voor het eerst ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel op 13 juni 2014. Startdatum van de onderneming is 13 januari 2014. Als enig bestuurder staat geregistreerd [medeverdachte 2] . Rol [medeverdachte 2] In het personeelshandboek van [zorginstelling] van 1 oktober 2016 staat dat [medeverdachte 2] directeur is.
Volledig
[medeverdachte 2] heeft zelf verklaard dat hij de directie ‘doet’ van [zorginstelling] . Hij zit wekelijks de vergadering voor. Rol [medeverdachte 1] In het personeelshandboek staat bij [medeverdachte 1] “zorgcoördinator” vermeld. Als taken van de zorgcoördinator staan onder meer omschreven: • Vertegenwoordiging van de organisatie naar de buitenwereld. • Afspraken maken omtrent zorg. • Stelt de zorgteam samen voor de cliënt. • Begeleiden van de begeleiders. [medeverdachte 1] heeft zelf verklaard dat van hem gezegd kan worden dat hij een leidinggevende functie heeft. Rol [verdachte] Bij [verdachte] staat in het personeelshandboek “manager”. Als taken staan onder meer omschreven: • Bedrijfsvoering: maakt begroting, beheert en bewaakt het budget en onderneemt actie bij evt. overschrijding • Administratieve werkzaamheden • Managen van de financiën en lease • Facturen maken/facturen betalen [verdachte] heeft in zijn verhoor verklaard dat hij de facturen maakte bij [zorginstelling] . Hij maakte de werkbrieven op basis van de informatie die hij kreeg van [medeverdachte 1] of de afdeling van [medeverdachte 1] . Die werkbrieven waren de basis voor de facturen. Mensen die geen vast maandbedrag hadden, declareerden zelf hun facturen met behulp van DigiD. Van sommige cliënten werd de declaratie door [verdachte] en [medeverdachte 1] gedaan. Zij beschikten hiervoor over de DigiD van de cliënt om dit te kunnen doen. De zorgovereenkomsten werden volgens [verdachte] door [medeverdachte 1] gemaakt. Verdeellijsten In de bedrijfsadministratie zijn de volgende verdeellijsten aangetroffen: 2014: 1 maand (alleen digitaal van januari tot en met mei 2014, tot en met april staan er percentages aangegeven, maar alleen bij januari zijn de bedragen ingevuld. Daarom is alleen januari meegenomen) 2015: 1 maand (digitaal van december 2015) 2016: 10 maanden (digitaal alle maanden van het jaar behalve november en december) 2017: 12 maanden (zowel fysiek als digitaal van alle maanden van het jaar) 2018: 3 maanden (digitaal de maanden januari tot en met maart) Over de onderzoeksperiode van 1 januari 2014 tot en met maart 2018 (totaal 51 maanden) werden derhalve van 27 maanden verdeellijsten aangetroffen waarop bedragen zijn ingevuld. Ook over de maanden september, oktober en november 2013 zijn excellijsten aangetroffen waarin kolommen staan met cliëntnamen, binnenkomend, te betalen, provisie en percentage. De gegevens op de verdeellijsten zijn door het onderzoeksteam van de Inspectie gecontroleerd op juistheid. De op de verdeellijst genoemde namen van personen betreffen feitelijk, volgens de overige bescheiden in de bedrijfsadministratie, cliënten van [zorginstelling] . Van deze cliënten werden in de fysieke en digitale bedrijfsadministratie van [zorginstelling] onder meer facturen aangetroffen waarop zorg in rekening werd gebracht. De factuurnummers en factuurbedragen vermeld op deze facturen komen grotendeels overeen met de gegevens zoals die waren vermeld op de verdeellijst. Indien er bankbetalingen hebben plaats gevonden komen deze bedragen grotendeels overeen met de gegevens op de verdeellijsten. Tijdens één van de verhoren is aan verdachte [verdachte] een lijst getoond die in zijn bureau is aangetroffen, namelijk DOC-006-01 (het hof begrijpt: de fysieke verdeellijsten van 2017). Op de vraag of hetgeen in de laatste kolom staat onder ‘betaald’ de verdeling met de cliënten is, antwoordt [verdachte] bevestigend. [verdachte] zegt dat dit het bedrag is dat naar de cliënten toe is gegaan. De digitale Excel-lijst die is aangetroffen, heeft [verdachte] zelf gemaakt. [verdachte] verklaart verder dat, als er op de lijst een percentage van 40% staat, dit het percentage is dat [zorginstelling] houdt. Op 6 april 2018 is met een technisch hulpmiddel vertrouwelijke communicatie tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] opgenomen. De opgenomen communicatie was in de Turkse taal en is vertaald door een beëdigde tolk. In dit gesprek zegt [medeverdachte 2] het volgende tegen [medeverdachte 1] : “Hopelijk gaat er geen een van de cliënten iets zeggen. Het zou goed zijn als jij eerst vrijkomen zou.” De verdeellijsten van 27 maanden zijn door de Inspectie samengevoegd tot één bestand; daaruit is een draaitabel gegenereerd. Uit de draaitabel is op te maken dat door [zorginstelling] 153 uniek identificeerbare budgethouders zijn opgenomen op de verdeellijsten. Niet bij alle 153 budgethouders werd een bedrag genoemd in de kolom ‘Totalen’ onder ‘Uitbetaald aan BH’. In het geval in deze kolommen een bedrag van € 0,- of geen bedrag was ingevuld, zijn deze budgethouders uit de draaitabel verwijderd. Het totaal aantal budgethouders komt daarmee uit op 132. Vervolgens zijn ook de facturen verwijderd waarbij in de kolommen 2014 tot en met 2018 onder ‘Uitbetaald aan BH’ een bedrag van € 0 of een negatief bedrag stond vermeld. Het totale factuurbedrag met betrekking tot de budgethouders waarmee volgens de verdeellijsten over 27 maanden zorggeld zou zijn gedeeld, komt uit op € 4.673.959,-. [budgethouder 8] Budgethouder [budgethouder 8] heeft vanaf januari 2014 facturen ontvangen van [zorginstelling] . Hij heeft verklaard dat [medeverdachte 1] bij hem thuis kwam om de zorg te bespreken. [budgethouder 8] ’s ouders waren daarbij. Buiten heeft [medeverdachte 1] toen met hem besproken dat ze het zorggeld zouden gaan delen. Er werd 50/50 gedeeld. De afspraak liep vanaf het moment dat [budgethouder 8] een PGB ontving. In het begin, maximaal twee weken, is er iemand van [zorginstelling] geweest. Daarna heeft hij nooit meer zorg gehad van iemand van [zorginstelling] . Hij kreeg elke maand € 1.400,-. Dat kreeg hij contant of via de bank. Het contante geld kreeg hij altijd van [medeverdachte 1] , een enkele keer van [medeverdachte 1] neefje. Tijdens doorzoekingen bij [zorginstelling] werd een lijst aangetroffen met verdeelpercentages. Op deze lijst stond achter de naam [budgethouder 8] het percentage van 50% vermeld. De factuurbedragen van [zorginstelling] aan [budgethouder 8] betreffen ongeveer € 2.800,00 per maand. 50% daarvan betreft € 1.400,00. Uit een Whatsapp-gesprek tussen [budgethouder 8] en [medeverdachte 1] blijkt het volgende: 10-10-2017 [budgethouder 8] : Broer, komt het van de maand morgen? 12-10-2017 [medeverdachte 1] : Ik heb het overgemaakt, mijn broer, maar het staat pas morgen op je rekening. 13-10-2017 [budgethouder 8] : Het staat erop, broer. Bedankt. Op de bankrekening [rekeningnummer] , op naam van [budgethouder 8] , is te zien dat er op 13 oktober 2017 € 1.400,00 werd ontvangen, afkomstig van de rekening [rekeningnummer] , op naam van [medeverdachte 1] . Uit een Whatsapp-gesprek tussen [budgethouder 8] en ‘ [naam 6] ’ op 3 januari 2017 blijkt het volgende: [naam 6] : Wilde weten als alles oké is met je na die aanslag [budgethouder 8] : Dankjewel schat gaat goed hoor gelukkig [budgethouder 8] : Was wel in de buurt maar bij een andere nachtclub [naam 6] : Woon je nu daar? [budgethouder 8] : Ben al 6 maanden hier maar 15 januari ga ik terug naar nl ik heb hier een bar geopend met me oom en een goede vriend samen Op 1 januari 2017 heeft een aanslag plaatsgevonden in een nachtclub in Istanbul (Turkije). [budgethouder 8] verbleef kennelijk gedurende een halfjaar in Turkije, terwijl in die periode door [zorginstelling] zorg is gefactureerd aan [budgethouder 8] . Voorafgaand aan het huisbezoek van het [benadeelde] bij [budgethouder 8] op 9 november 2017 hadden [medeverdachte 1] en [budgethouder 8] het volgende gesprek: 8-11-2017 [budgethouder 8] : Broer, zal ik me scheren? [medeverdachte 1] : Ja doe maar. [medeverdachte 1] : Het is belangrijk dat je er schoon/verzorgd uitziet, want we doen (persoonlijke) zorg. [budgethouder 8] : Ok broer. [budgethouder 1] [naam 7] , de zoon van budgethouder [budgethouder 1] , heeft verklaard dat hij zorg verleende aan zijn moeder. Dat doet hij al zijn hele leven. Eind 2015 heeft hij de bewindvoering over zijn moeder overgenomen en is hij met [zorginstelling] in aanraking gekomen. [medeverdachte 1] zei op een bepaald moment tegen hem: je kan bij ons in dienst komen voor de zorg van je moeder en dan kan je daarvoor een contract krijgen.
Volledig
[medeverdachte 2] heeft zelf verklaard dat hij de directie ‘doet’ van [zorginstelling] . Hij zit wekelijks de vergadering voor. Rol [medeverdachte 1] In het personeelshandboek staat bij [medeverdachte 1] “zorgcoördinator” vermeld. Als taken van de zorgcoördinator staan onder meer omschreven: • Vertegenwoordiging van de organisatie naar de buitenwereld. • Afspraken maken omtrent zorg. • Stelt de zorgteam samen voor de cliënt. • Begeleiden van de begeleiders. [medeverdachte 1] heeft zelf verklaard dat van hem gezegd kan worden dat hij een leidinggevende functie heeft. Rol [verdachte] Bij [verdachte] staat in het personeelshandboek “manager”. Als taken staan onder meer omschreven: • Bedrijfsvoering: maakt begroting, beheert en bewaakt het budget en onderneemt actie bij evt. overschrijding • Administratieve werkzaamheden • Managen van de financiën en lease • Facturen maken/facturen betalen [verdachte] heeft in zijn verhoor verklaard dat hij de facturen maakte bij [zorginstelling] . Hij maakte de werkbrieven op basis van de informatie die hij kreeg van [medeverdachte 1] of de afdeling van [medeverdachte 1] . Die werkbrieven waren de basis voor de facturen. Mensen die geen vast maandbedrag hadden, declareerden zelf hun facturen met behulp van DigiD. Van sommige cliënten werd de declaratie door [verdachte] en [medeverdachte 1] gedaan. Zij beschikten hiervoor over de DigiD van de cliënt om dit te kunnen doen. De zorgovereenkomsten werden volgens [verdachte] door [medeverdachte 1] gemaakt. Verdeellijsten In de bedrijfsadministratie zijn de volgende verdeellijsten aangetroffen: 2014: 1 maand (alleen digitaal van januari tot en met mei 2014, tot en met april staan er percentages aangegeven, maar alleen bij januari zijn de bedragen ingevuld. Daarom is alleen januari meegenomen) 2015: 1 maand (digitaal van december 2015) 2016: 10 maanden (digitaal alle maanden van het jaar behalve november en december) 2017: 12 maanden (zowel fysiek als digitaal van alle maanden van het jaar) 2018: 3 maanden (digitaal de maanden januari tot en met maart) Over de onderzoeksperiode van 1 januari 2014 tot en met maart 2018 (totaal 51 maanden) werden derhalve van 27 maanden verdeellijsten aangetroffen waarop bedragen zijn ingevuld. Ook over de maanden september, oktober en november 2013 zijn excellijsten aangetroffen waarin kolommen staan met cliëntnamen, binnenkomend, te betalen, provisie en percentage. De gegevens op de verdeellijsten zijn door het onderzoeksteam van de Inspectie gecontroleerd op juistheid. De op de verdeellijst genoemde namen van personen betreffen feitelijk, volgens de overige bescheiden in de bedrijfsadministratie, cliënten van [zorginstelling] . Van deze cliënten werden in de fysieke en digitale bedrijfsadministratie van [zorginstelling] onder meer facturen aangetroffen waarop zorg in rekening werd gebracht. De factuurnummers en factuurbedragen vermeld op deze facturen komen grotendeels overeen met de gegevens zoals die waren vermeld op de verdeellijst. Indien er bankbetalingen hebben plaats gevonden komen deze bedragen grotendeels overeen met de gegevens op de verdeellijsten. Tijdens één van de verhoren is aan verdachte [verdachte] een lijst getoond die in zijn bureau is aangetroffen, namelijk DOC-006-01 (het hof begrijpt: de fysieke verdeellijsten van 2017). Op de vraag of hetgeen in de laatste kolom staat onder ‘betaald’ de verdeling met de cliënten is, antwoordt [verdachte] bevestigend. [verdachte] zegt dat dit het bedrag is dat naar de cliënten toe is gegaan. De digitale Excel-lijst die is aangetroffen, heeft [verdachte] zelf gemaakt. [verdachte] verklaart verder dat, als er op de lijst een percentage van 40% staat, dit het percentage is dat [zorginstelling] houdt. Op 6 april 2018 is met een technisch hulpmiddel vertrouwelijke communicatie tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] opgenomen. De opgenomen communicatie was in de Turkse taal en is vertaald door een beëdigde tolk. In dit gesprek zegt [medeverdachte 2] het volgende tegen [medeverdachte 1] : “Hopelijk gaat er geen een van de cliënten iets zeggen. Het zou goed zijn als jij eerst vrijkomen zou.” De verdeellijsten van 27 maanden zijn door de Inspectie samengevoegd tot één bestand; daaruit is een draaitabel gegenereerd. Uit de draaitabel is op te maken dat door [zorginstelling] 153 uniek identificeerbare budgethouders zijn opgenomen op de verdeellijsten. Niet bij alle 153 budgethouders werd een bedrag genoemd in de kolom ‘Totalen’ onder ‘Uitbetaald aan BH’. In het geval in deze kolommen een bedrag van € 0,- of geen bedrag was ingevuld, zijn deze budgethouders uit de draaitabel verwijderd. Het totaal aantal budgethouders komt daarmee uit op 132. Vervolgens zijn ook de facturen verwijderd waarbij in de kolommen 2014 tot en met 2018 onder ‘Uitbetaald aan BH’ een bedrag van € 0 of een negatief bedrag stond vermeld. Het totale factuurbedrag met betrekking tot de budgethouders waarmee volgens de verdeellijsten over 27 maanden zorggeld zou zijn gedeeld, komt uit op € 4.673.959,-. [budgethouder 8] Budgethouder [budgethouder 8] heeft vanaf januari 2014 facturen ontvangen van [zorginstelling] . Hij heeft verklaard dat [medeverdachte 1] bij hem thuis kwam om de zorg te bespreken. [budgethouder 8] ’s ouders waren daarbij. Buiten heeft [medeverdachte 1] toen met hem besproken dat ze het zorggeld zouden gaan delen. Er werd 50/50 gedeeld. De afspraak liep vanaf het moment dat [budgethouder 8] een PGB ontving. In het begin, maximaal twee weken, is er iemand van [zorginstelling] geweest. Daarna heeft hij nooit meer zorg gehad van iemand van [zorginstelling] . Hij kreeg elke maand € 1.400,-. Dat kreeg hij contant of via de bank. Het contante geld kreeg hij altijd van [medeverdachte 1] , een enkele keer van [medeverdachte 1] neefje. Tijdens doorzoekingen bij [zorginstelling] werd een lijst aangetroffen met verdeelpercentages. Op deze lijst stond achter de naam [budgethouder 8] het percentage van 50% vermeld. De factuurbedragen van [zorginstelling] aan [budgethouder 8] betreffen ongeveer € 2.800,00 per maand. 50% daarvan betreft € 1.400,00. Uit een Whatsapp-gesprek tussen [budgethouder 8] en [medeverdachte 1] blijkt het volgende: 10-10-2017 [budgethouder 8] : Broer, komt het van de maand morgen? 12-10-2017 [medeverdachte 1] : Ik heb het overgemaakt, mijn broer, maar het staat pas morgen op je rekening. 13-10-2017 [budgethouder 8] : Het staat erop, broer. Bedankt. Op de bankrekening [rekeningnummer] , op naam van [budgethouder 8] , is te zien dat er op 13 oktober 2017 € 1.400,00 werd ontvangen, afkomstig van de rekening [rekeningnummer] , op naam van [medeverdachte 1] . Uit een Whatsapp-gesprek tussen [budgethouder 8] en ‘ [naam 6] ’ op 3 januari 2017 blijkt het volgende: [naam 6] : Wilde weten als alles oké is met je na die aanslag [budgethouder 8] : Dankjewel schat gaat goed hoor gelukkig [budgethouder 8] : Was wel in de buurt maar bij een andere nachtclub [naam 6] : Woon je nu daar? [budgethouder 8] : Ben al 6 maanden hier maar 15 januari ga ik terug naar nl ik heb hier een bar geopend met me oom en een goede vriend samen Op 1 januari 2017 heeft een aanslag plaatsgevonden in een nachtclub in Istanbul (Turkije). [budgethouder 8] verbleef kennelijk gedurende een halfjaar in Turkije, terwijl in die periode door [zorginstelling] zorg is gefactureerd aan [budgethouder 8] . Voorafgaand aan het huisbezoek van het [benadeelde] bij [budgethouder 8] op 9 november 2017 hadden [medeverdachte 1] en [budgethouder 8] het volgende gesprek: 8-11-2017 [budgethouder 8] : Broer, zal ik me scheren? [medeverdachte 1] : Ja doe maar. [medeverdachte 1] : Het is belangrijk dat je er schoon/verzorgd uitziet, want we doen (persoonlijke) zorg. [budgethouder 8] : Ok broer. [budgethouder 1] [naam 7] , de zoon van budgethouder [budgethouder 1] , heeft verklaard dat hij zorg verleende aan zijn moeder. Dat doet hij al zijn hele leven. Eind 2015 heeft hij de bewindvoering over zijn moeder overgenomen en is hij met [zorginstelling] in aanraking gekomen. [medeverdachte 1] zei op een bepaald moment tegen hem: je kan bij ons in dienst komen voor de zorg van je moeder en dan kan je daarvoor een contract krijgen.
Volledig
Vanaf 1 juli 2017 is hij de zorg gaan verlenen via met een contract, maar feitelijk veranderde er niks. Ook voor die tijd werden er al bedragen door [zorginstelling] gestort of contant uitbetaald. Dat betrof het delen van zorggelden. Het ging om geldbedragen van rond de € 1.600,-. Als het geld aan hem werd afgegeven, gebeurde dat door [medeverdachte 1] en één keer door iemand anders. De moeder [budgethouder 1] ging een tijdje naar groepsbegeleiding van [zorginstelling] . Op met moment van het verhoor (mei 2018) was ze daar al meer dan een jaar niet meer geweest. Op de bankrekening van [naam 7] zijn in de periode van 2014 tot en met 2017 voor een totaal bedrag van € 8.180,- drie overboekingen vanaf een rekening van [zorginstelling] en één overboeking vanaf een rekening van [medeverdachte 1] aangetroffen. [budgethouder 9] [naam 1] , de vader van budgethouder [budgethouder 9] , heeft verklaard dat hij zorg verleende aan zijn zoon. Dat deed hij niet als werknemer van [zorginstelling] maar als vader. [naam 1] heeft verklaard dat er geld is gedeeld. Dat gebeurde in de periode van 2014 tot en met februari 2018. De hoogte van de bedragen verschilde, soms € 1.500,- soms € 2.000,-. [medeverdachte 1] nam het initiatief voor deze betalingen; hij kwam met het voorstel. [medeverdachte 1] zei: ‘ [budgethouder 9] woont bij jullie, dus dit is mogelijk’. [naam 1] heeft een keer zijn DigiD-code aan [medeverdachte 1] gegeven. [medeverdachte 1] wilde zelf inloggen. Op de bankrekening op naam van voornoemde budgethouder [budgethouder 9] is in juli 2014 een overboeking van € 2.400,- van [zorginstelling] en in september 2014 een contante storting van € 2.000,- te zien. Op de bankrekening van [naam 1] , de vader van [budgethouder 9] , staan 12 ontvangsten afkomstig van de bankrekeningen op naam van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [verdachte] en [naam 2] , de echtgenote van [verdachte] . Daarnaast werd er ook 36 keer een contant bedrag op deze bankrekening gestort. Uit een Whatsapp-gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] op 21 april 2017 blijkt onder meer het volgende: [verdachte] : Ik ga je nu 4000 sturen, wil je dat naar [naam 1] sturen [medeverdachte 2] : Stuur ook rekeningnummer mee [verdachte] : [naam 1] [rekeningnummer] [medeverdachte 2] : Goed, ik kom vanavond wel langs kantoor om te betalen Op de bankrekening van [medeverdachte 2] is te zien dat er op 21 april 2017 € 4.000,00 gestort wordt vanaf de bankrekening op naam van [zorginstelling] , met in de omschrijving ‘Divident uitkering’. Vervolgens is te zien dat er op 21 april 2017 € 4.000,00 gestort wordt naar de bankrekening op naam van [naam 1] . [budgethouder 4] [naam 3] , de man van budgethouder [budgethouder 4] , heeft verklaard dat [medeverdachte 1] hem heeft uitgelegd dat hij een vergoeding kreeg van de Nederlandse overheid, een soort ouderdomsgeld. Er kwam niemand van [zorginstelling] om voor zijn vrouw te zorgen; dat deed [naam 3] zelf. Het geld werd gestort op de rekening van zijn schoonzoon, [naam 4] . [medeverdachte 1] gaf door als er geld was overgemaakt. Door [zorginstelling] , [verdachte] en [medeverdachte 1] , zijn gedurende negen maanden geldbedragen op de bankrekeningen op naam van [naam 4] gestort die nagenoeg overeenkomen met de hoogte van de bedragen, zoals die genoemd staan bij budgethouder [budgethouder 4] in de kolom ‘te betalen’ of ‘betaald' op de verdeellijsten van 2016 en 2017. [budgethouder 11] [naam 8] , de broer van budgethouder [budgethouder 11] , heeft verklaard dat hij in de periode van januari 2017 tot eind maart 2018 een bepaald percentage kreeg. Van het PGB-budget van zijn broer kreeg hij maandelijks 40 procent. Dat was een bedrag van ongeveer € 1.400,-. Hij wist dat de mogelijkheid er was om het PGB-budget met [zorginstelling] te delen. De afspraken hierover heeft [naam 8] gemaakt met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] bracht het geld ook bij hem. Op het bankrekeningnummer op naam van [naam 8] is op 27 juli 2017 een bedrag van € 1.400,- contant gestort. Dit bedrag komt overeen met het bedrag op de verdeellijst in de maand juli 2017. Op 27 januari 2017 is een bedrag van € 1.150 contant gestort. Dit bedrag komt overeen met het bedrag op de verdeellijst van januari 2017. Personeelskostendruk - geleverde zorg Uit onderzoek is gebleken dat in de thuiszorg en aanverwante zorginstellingen personeelskosten de grootste kostenpost vormen. Fors lagere personeelskosten ten opzichte van andere bedrijven in deze branche kunnen een aanwijzing zijn dat geen of minder zorg is geleverd. Diverse instanties houden zich bezig met het analyseren van de financiële gegevens van de groep van verpleeghuizen, verzorghuizen en zorginstellingen. Er zijn geen cijfers bekend van alleen de thuiszorg, maar aangezien de verpleeghuizen en verzorgingshuizen qua zorg veel overeenkomsten hebben met de thuiszorg geven de cijfers wel een goede indicatie over de personeelskostendruk. Deze komt in vrijwel alle publicaties uit op ruim 71%. Dit betekent dus dat er in deze branche gemiddeld ruim 71 % van de omzet wordt geïnvesteerd aan personeelskosten om de zorg te kunnen leveren. Op basis van de belastinggegevens van [zorginstelling] van 2014 tot en met 2016, komt de personeelskostendruk bij [zorginstelling] als volgt uit: - 2014: 8,2 % - 2015: 9,6 % - 2016: 11,3 %. Over 2017 en 2018 zijn (nog) geen omzetgegevens van [zorginstelling] beschikbaar. Door de Inspectie is onderzoek gedaan naar de geleverde zorg door [zorginstelling] . Daarbij is gebruik gemaakt van de volgende gegevens: - de gegevens met betrekking tot de loonheffingen afkomstig van de Belastingdienst; - de digitale administratie van [zorginstelling] ; - de mutaties op de bankrekeningen van [zorginstelling] ; - de verklaringen die door verdachten en getuigen zijn afgelegd; - AMB-020-03: proces-verbaal van bevindingen telefoon [medeverdachte 2] . Op basis van de bevindingen blijkt dat, in de periode van 2014 tot en met 2017, er maximaal 37.904 uren aan individuele zorg (persoonlijke verzorging, individuele begeleiding, verpleging en huishoudelijke hulp) geleverd kan zijn door [zorginstelling] . Uit het onderzoek naar de betaalde facturen van [zorginstelling] over de jaren 2014 tot en met 2017 komt naar voren dat 170.830 uren aan begeleiding individueel, persoonlijke verzorging, huishoudelijke hulp en verpleging (is één op één zorg) gefactureerd en betaald zijn. Uit deze getallen (37.904 / 170.830) volgt dat [zorginstelling] maximaal 22,2 % van de totale uren begeleiding individueel, persoonlijke verzorging, huishoudelijke hulp en verpleging geleverd kan hebben. Daarnaast is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van cliënten op de dagbesteding. Op basis van de presentielijsten en de planningen komt het maximaal aantal dagdelen te leveren dagbesteding in de periode van 2014 tot en met 2017 uit op 14.664 dagdelen. Dagbesteding of begeleiding groep wordt gefactureerd en geïndiceerd in dagdelen. Uit het onderzoek naar de betaalde facturen van [zorginstelling] over de jaren 2014 tot en met 2017, volgt dat in totaal 25.894 dagdelen dagbesteding of begeleiding groep gefactureerd en betaald zijn. Op basis van deze getallen (14.664 / 25.894) volgt dat [zorginstelling] maximaal 56,6 % van de totale dagdelen dagbesteding of begeleiding groep geleverd kan hebben. Geleverde zorg in relatie tot omzet Omdat individuele zorg in uren en dagbesteding/begeleiding groep in dagdelen gefactureerd en geleverd worden, is ook gekeken op welke manier de geleverde zorgvormen hebben bijgedragen aan de omzet. Er is een berekening gemaakt van de omzet die is gebaseerd op zorg, die vermoedelijk maximaal geleverd is door [zorginstelling] in de periode 2014 tot en met 2017. Deze omzet komt uit op een bedrag van € 2.118.898,50. Door [zorginstelling] is op basis van de facturen in de periode van 2014 tot en met 2017 per bank een bedrag van € 7.539.228,- ontvangen. Uit deze getallen volgt dat [zorginstelling] maximaal 28,1 % van de totale zorg geleverd kan hebben.
Volledig
Vanaf 1 juli 2017 is hij de zorg gaan verlenen via met een contract, maar feitelijk veranderde er niks. Ook voor die tijd werden er al bedragen door [zorginstelling] gestort of contant uitbetaald. Dat betrof het delen van zorggelden. Het ging om geldbedragen van rond de € 1.600,-. Als het geld aan hem werd afgegeven, gebeurde dat door [medeverdachte 1] en één keer door iemand anders. De moeder [budgethouder 1] ging een tijdje naar groepsbegeleiding van [zorginstelling] . Op met moment van het verhoor (mei 2018) was ze daar al meer dan een jaar niet meer geweest. Op de bankrekening van [naam 7] zijn in de periode van 2014 tot en met 2017 voor een totaal bedrag van € 8.180,- drie overboekingen vanaf een rekening van [zorginstelling] en één overboeking vanaf een rekening van [medeverdachte 1] aangetroffen. [budgethouder 9] [naam 1] , de vader van budgethouder [budgethouder 9] , heeft verklaard dat hij zorg verleende aan zijn zoon. Dat deed hij niet als werknemer van [zorginstelling] maar als vader. [naam 1] heeft verklaard dat er geld is gedeeld. Dat gebeurde in de periode van 2014 tot en met februari 2018. De hoogte van de bedragen verschilde, soms € 1.500,- soms € 2.000,-. [medeverdachte 1] nam het initiatief voor deze betalingen; hij kwam met het voorstel. [medeverdachte 1] zei: ‘ [budgethouder 9] woont bij jullie, dus dit is mogelijk’. [naam 1] heeft een keer zijn DigiD-code aan [medeverdachte 1] gegeven. [medeverdachte 1] wilde zelf inloggen. Op de bankrekening op naam van voornoemde budgethouder [budgethouder 9] is in juli 2014 een overboeking van € 2.400,- van [zorginstelling] en in september 2014 een contante storting van € 2.000,- te zien. Op de bankrekening van [naam 1] , de vader van [budgethouder 9] , staan 12 ontvangsten afkomstig van de bankrekeningen op naam van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [verdachte] en [naam 2] , de echtgenote van [verdachte] . Daarnaast werd er ook 36 keer een contant bedrag op deze bankrekening gestort. Uit een Whatsapp-gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] op 21 april 2017 blijkt onder meer het volgende: [verdachte] : Ik ga je nu 4000 sturen, wil je dat naar [naam 1] sturen [medeverdachte 2] : Stuur ook rekeningnummer mee [verdachte] : [naam 1] [rekeningnummer] [medeverdachte 2] : Goed, ik kom vanavond wel langs kantoor om te betalen Op de bankrekening van [medeverdachte 2] is te zien dat er op 21 april 2017 € 4.000,00 gestort wordt vanaf de bankrekening op naam van [zorginstelling] , met in de omschrijving ‘Divident uitkering’. Vervolgens is te zien dat er op 21 april 2017 € 4.000,00 gestort wordt naar de bankrekening op naam van [naam 1] . [budgethouder 4] [naam 3] , de man van budgethouder [budgethouder 4] , heeft verklaard dat [medeverdachte 1] hem heeft uitgelegd dat hij een vergoeding kreeg van de Nederlandse overheid, een soort ouderdomsgeld. Er kwam niemand van [zorginstelling] om voor zijn vrouw te zorgen; dat deed [naam 3] zelf. Het geld werd gestort op de rekening van zijn schoonzoon, [naam 4] . [medeverdachte 1] gaf door als er geld was overgemaakt. Door [zorginstelling] , [verdachte] en [medeverdachte 1] , zijn gedurende negen maanden geldbedragen op de bankrekeningen op naam van [naam 4] gestort die nagenoeg overeenkomen met de hoogte van de bedragen, zoals die genoemd staan bij budgethouder [budgethouder 4] in de kolom ‘te betalen’ of ‘betaald' op de verdeellijsten van 2016 en 2017. [budgethouder 11] [naam 8] , de broer van budgethouder [budgethouder 11] , heeft verklaard dat hij in de periode van januari 2017 tot eind maart 2018 een bepaald percentage kreeg. Van het PGB-budget van zijn broer kreeg hij maandelijks 40 procent. Dat was een bedrag van ongeveer € 1.400,-. Hij wist dat de mogelijkheid er was om het PGB-budget met [zorginstelling] te delen. De afspraken hierover heeft [naam 8] gemaakt met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] bracht het geld ook bij hem. Op het bankrekeningnummer op naam van [naam 8] is op 27 juli 2017 een bedrag van € 1.400,- contant gestort. Dit bedrag komt overeen met het bedrag op de verdeellijst in de maand juli 2017. Op 27 januari 2017 is een bedrag van € 1.150 contant gestort. Dit bedrag komt overeen met het bedrag op de verdeellijst van januari 2017. Personeelskostendruk - geleverde zorg Uit onderzoek is gebleken dat in de thuiszorg en aanverwante zorginstellingen personeelskosten de grootste kostenpost vormen. Fors lagere personeelskosten ten opzichte van andere bedrijven in deze branche kunnen een aanwijzing zijn dat geen of minder zorg is geleverd. Diverse instanties houden zich bezig met het analyseren van de financiële gegevens van de groep van verpleeghuizen, verzorghuizen en zorginstellingen. Er zijn geen cijfers bekend van alleen de thuiszorg, maar aangezien de verpleeghuizen en verzorgingshuizen qua zorg veel overeenkomsten hebben met de thuiszorg geven de cijfers wel een goede indicatie over de personeelskostendruk. Deze komt in vrijwel alle publicaties uit op ruim 71%. Dit betekent dus dat er in deze branche gemiddeld ruim 71 % van de omzet wordt geïnvesteerd aan personeelskosten om de zorg te kunnen leveren. Op basis van de belastinggegevens van [zorginstelling] van 2014 tot en met 2016, komt de personeelskostendruk bij [zorginstelling] als volgt uit: - 2014: 8,2 % - 2015: 9,6 % - 2016: 11,3 %. Over 2017 en 2018 zijn (nog) geen omzetgegevens van [zorginstelling] beschikbaar. Door de Inspectie is onderzoek gedaan naar de geleverde zorg door [zorginstelling] . Daarbij is gebruik gemaakt van de volgende gegevens: - de gegevens met betrekking tot de loonheffingen afkomstig van de Belastingdienst; - de digitale administratie van [zorginstelling] ; - de mutaties op de bankrekeningen van [zorginstelling] ; - de verklaringen die door verdachten en getuigen zijn afgelegd; - AMB-020-03: proces-verbaal van bevindingen telefoon [medeverdachte 2] . Op basis van de bevindingen blijkt dat, in de periode van 2014 tot en met 2017, er maximaal 37.904 uren aan individuele zorg (persoonlijke verzorging, individuele begeleiding, verpleging en huishoudelijke hulp) geleverd kan zijn door [zorginstelling] . Uit het onderzoek naar de betaalde facturen van [zorginstelling] over de jaren 2014 tot en met 2017 komt naar voren dat 170.830 uren aan begeleiding individueel, persoonlijke verzorging, huishoudelijke hulp en verpleging (is één op één zorg) gefactureerd en betaald zijn. Uit deze getallen (37.904 / 170.830) volgt dat [zorginstelling] maximaal 22,2 % van de totale uren begeleiding individueel, persoonlijke verzorging, huishoudelijke hulp en verpleging geleverd kan hebben. Daarnaast is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van cliënten op de dagbesteding. Op basis van de presentielijsten en de planningen komt het maximaal aantal dagdelen te leveren dagbesteding in de periode van 2014 tot en met 2017 uit op 14.664 dagdelen. Dagbesteding of begeleiding groep wordt gefactureerd en geïndiceerd in dagdelen. Uit het onderzoek naar de betaalde facturen van [zorginstelling] over de jaren 2014 tot en met 2017, volgt dat in totaal 25.894 dagdelen dagbesteding of begeleiding groep gefactureerd en betaald zijn. Op basis van deze getallen (14.664 / 25.894) volgt dat [zorginstelling] maximaal 56,6 % van de totale dagdelen dagbesteding of begeleiding groep geleverd kan hebben. Geleverde zorg in relatie tot omzet Omdat individuele zorg in uren en dagbesteding/begeleiding groep in dagdelen gefactureerd en geleverd worden, is ook gekeken op welke manier de geleverde zorgvormen hebben bijgedragen aan de omzet. Er is een berekening gemaakt van de omzet die is gebaseerd op zorg, die vermoedelijk maximaal geleverd is door [zorginstelling] in de periode 2014 tot en met 2017. Deze omzet komt uit op een bedrag van € 2.118.898,50. Door [zorginstelling] is op basis van de facturen in de periode van 2014 tot en met 2017 per bank een bedrag van € 7.539.228,- ontvangen. Uit deze getallen volgt dat [zorginstelling] maximaal 28,1 % van de totale zorg geleverd kan hebben.
Volledig
Bewijsoverweging oplichting (feit 2) Op grond van de bewijsmiddelen die in de vorige paragraaf zijn uitgewerkt, komt het hof tot de conclusie dat [zorginstelling] niet de uren zorg heeft geleverd zoals die in de facturen en formulieren zijn verantwoord. Het hof baseert zijn oordeel, zoals in de inleidende opmerkingen overwogen, op de volgende drie pijlers: - de verdeellijsten; - het onderzoek van de Inspectie, waaruit blijkt dat [zorginstelling] met haar personeelsbestand en inzet slechts maximaal 28,1% van de zorg heeft kunnen leveren; - de verklaringen van verschillende budgethouders en hun familieleden, dat door [zorginstelling] geen zorg of niet alle zorg is geleverd. De verdachte heeft naar voren gebracht dat de verdeellijsten moeten worden gezien als een overzicht van de inkomsten en kosten per budgethouder (“kostenplaatje”). Het hof acht die uitleg in het licht van de bewijsmiddelen volstrekt onaannemelijk. Zo volgt uit verschillende bewijsmiddelen dat bedragen die bij de budgethouders worden genoemd ook daadwerkelijk aan hen werden uitbetaald. Niet alleen de betalingen zelf bevestigen dit beeld, maar ook de verklaringen van de budgethouders en de uitgewerkte tapgesprekken. Daarnaast heeft ook de verklaring van [verdachte] , die hij heeft afgelegd bij de Inspectie, deze strekking. Gelet op alle bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien is het hof van oordeel dat de verdeellijsten een betrouwbaar beeld geven van wat er met de verschillende budgethouders werd gedeeld. In het opsporingsonderzoek is door de Inspectie kritisch gekeken naar alle verdeellijsten die zijn aangetroffen. Uiteindelijk heeft de Inspectie alleen de ingevulde verdeellijsten gebruikt, die betrekking hebben op een periode van 27 (niet aaneengesloten) maanden. Alle budgethouders waarbij niet duidelijk was of een bedrag is gedeeld (waarbij geen bedrag of € 0,- was ingevuld) zijn door de Inspectie verwijderd. Kortom: alleen in het geval dat in de verdeellijst een bedrag is opgenomen, is dit in de berekening van de Inspectie meegenomen. De Inspectie komt dan tot een totaalbedrag van € 4.673.959,- aan factuurbedragen, waarvan een deel aan de budgethouders is uitbetaald. Op geen enkele manier is aannemelijk geworden dat een of meer van de geldbedragen die volgens de verdeellijst zijn gedeeld niet aan de betreffende budgethouder zijn uitbetaald. Het hof concludeert dan ook dat voor alle facturen over 27 maanden met 132 budgethouders zorggeld is gedeeld en dat de gedeclareerde zorg niet of niet volledig is verleend Dat niet alle gedeclareerde zorg daadwerkelijk is verleend blijkt daarnaast ook uit het volgende. De Inspectie heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar de zorg die door [zorginstelling] in de onderzoeksperiode kan zijn geleverd. Daarbij is gekeken naar het personeel dat [zorginstelling] tot haar beschikking had en naar de aanwezigheid van de budgethouders op de dagbesteding. Bij twijfel is door de Inspectie in het voordeel van [zorginstelling] en de verdachten gerekend. Uit dit uitgebreide en gedegen onderzoek komt naar voren dat [zorginstelling] maximaal 28,1% van de zorg die in totaal is gefactureerd heeft kunnen leveren. Dat [zorginstelling] slechts een klein deel van de zorg leverde, wordt ook bevestigd door verschillende budgethouders. Tekenend is de verklaring van [naam 8] , die opmerkt dat zijn broer wel persoonlijke verzorging nodig had, maar alleen groepsbegeleiding kreeg, omdat [zorginstelling] anders meer personeel in moest zetten en dit tot gevolg zou hebben dat er geen geld meer met [budgethouder 11] kon worden gedeeld. Al het hiervoor genoemde bewijs wijst erop dat veel minder zorg werd geleverd dan werd gefactureerd en verantwoord. Het hof is van oordeel dat dit bewijs ‘schreeuwt’ om een verklaring van de verdachte. Door de verdediging is echter niet aangegeven op welke punten de berekening van de Inspectie van de maximaal verleende zorg door [zorginstelling] niet klopt. Het hof komt tot de conclusie dat door [zorginstelling] in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 structureel beduidend minder zorg is verleend dan gefactureerd of verantwoord. Door meer zorg te factureren dan werd geleverd, zijn de instanties die het PGB verstrekten opgelicht. Zij hebben op grond van valse facturen, declaraties, zorgovereenkomsten en verantwoordingsformulieren meer PGB-gelden uitgekeerd dan waar de budgethouder daadwerkelijk recht op had. In het geval deze instanties op de hoogte waren geweest dat er een groot deel van de zorg niet werd verleend, dan waren de PGB-gelden niet verstrekt. Uit de structurele manier van werken en de termijn waarover dit is volgehouden, leidt het hof af dat het oogmerk was gericht op wederrechtelijke bevoordeling. Dat de instanties die PGB hebben verstrekt zijn opgelicht acht het hof dan ook wettig en overtuigend bewezen. Aanvullende bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen valsheid in geschrift (feit 1) Van alle door [zorginstelling] opgemaakte stukken heeft het Openbaar Ministerie onder feit 1 met betrekking tot 30 facturen en 2 zorgovereenkomsten de valsheid in geschrift ten laste gelegd. Al deze facturen en zorgovereenkomsten kunnen volgens het Openbaar Ministerie worden aangemerkt als valse geschriften, omdat deze facturen en zorgovereenkomsten meer zorg vermelden dan daadwerkelijk door [zorginstelling] werd verleend. De meeste van deze 30 facturen komen voor op een verdeellijst met vermelding van bedragen in de kolommen “factuurbedrag” en “te betalen”. In dat geval gaat het hof ervan uit dat er zorggeld is gedeeld en dat, gelet op de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen, de gedeclareerde zorg niet volledig is verleend. In het geval dat er van een specifieke maand geen verdeellijst is aangetroffen, zal het hof aanvullend bewijs opnemen waaruit blijkt dat er met de budgethouder is gedeeld of dit nader motiveren in een bewijsoverweging. Ook in die gevallen komt het hof tot de conclusie dat de gedeclareerde zorg niet volledig is geleverd. Bewijsmiddelen [budgethouder 8] Nummer Factuurdatum Omschrijving Uren Factuurbedrag DOC-012-05 31 december 2016 Persoonlijke verzorging WLZ december 2016 24 € 3.440,00 Begeleiding individueel WLZ december 2016 62 DOC-012-07 3 april 2017 Persoonlijke verzorging WLZ maart 2017 30 € 2.880,00 Begeleiding individueel WLZ maart 2017 42 Van de maand december 2016 is geen verdeellijst aangetroffen. Op 20 januari 2017 vindt er een overboeking plaats van € 1.400,00 van een bankrekening op naam van [verdachte] naar de bankrekening op naam van budgethouder [budgethouder 8] . Dit bedrag komt overeen met het bedrag dat op de aangetroffen verdeellijsten bij de overige maanden wordt vermeld. Op deze lijsten staat steeds een bedrag van € 1.400,00 vermeld als het deel voor deze budgethouder. Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 8] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.880,00 is en er staat een percentage van 50%. Naast het percentage staat het bedrag € 1.440,00 in de kolom “te betalen”. [medeverdachte 1] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: “ Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven. (…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen .” Op grond van de hiervoor en eerder weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof vast dat door [zorginstelling] – afgezien van maximaal twee weken in het begin – geen zorg aan [budgethouder 8] is verleend en de facturen dus vals zijn. Bewijsmiddelen [budgethouder 1] Nummer Factuurdatum Omschrijving Uren Factuurbedrag DOC-015-06 4 januari 2016 Begeleiding individueel december 2015 31 € 2.840,00 Begeleiding groep december 2015 40 DOC-015-25 1 mei 2017 Persoonlijke verzorging april 2017 120 € 4.651,20 DOC-015-26 1 mei 2017 Begeleiding groep (WMO) april 2017 28 € 1.120,00 [medeverdachte 1] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: “ Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven.
Volledig
Bewijsoverweging oplichting (feit 2) Op grond van de bewijsmiddelen die in de vorige paragraaf zijn uitgewerkt, komt het hof tot de conclusie dat [zorginstelling] niet de uren zorg heeft geleverd zoals die in de facturen en formulieren zijn verantwoord. Het hof baseert zijn oordeel, zoals in de inleidende opmerkingen overwogen, op de volgende drie pijlers: - de verdeellijsten; - het onderzoek van de Inspectie, waaruit blijkt dat [zorginstelling] met haar personeelsbestand en inzet slechts maximaal 28,1% van de zorg heeft kunnen leveren; - de verklaringen van verschillende budgethouders en hun familieleden, dat door [zorginstelling] geen zorg of niet alle zorg is geleverd. De verdachte heeft naar voren gebracht dat de verdeellijsten moeten worden gezien als een overzicht van de inkomsten en kosten per budgethouder (“kostenplaatje”). Het hof acht die uitleg in het licht van de bewijsmiddelen volstrekt onaannemelijk. Zo volgt uit verschillende bewijsmiddelen dat bedragen die bij de budgethouders worden genoemd ook daadwerkelijk aan hen werden uitbetaald. Niet alleen de betalingen zelf bevestigen dit beeld, maar ook de verklaringen van de budgethouders en de uitgewerkte tapgesprekken. Daarnaast heeft ook de verklaring van [verdachte] , die hij heeft afgelegd bij de Inspectie, deze strekking. Gelet op alle bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien is het hof van oordeel dat de verdeellijsten een betrouwbaar beeld geven van wat er met de verschillende budgethouders werd gedeeld. In het opsporingsonderzoek is door de Inspectie kritisch gekeken naar alle verdeellijsten die zijn aangetroffen. Uiteindelijk heeft de Inspectie alleen de ingevulde verdeellijsten gebruikt, die betrekking hebben op een periode van 27 (niet aaneengesloten) maanden. Alle budgethouders waarbij niet duidelijk was of een bedrag is gedeeld (waarbij geen bedrag of € 0,- was ingevuld) zijn door de Inspectie verwijderd. Kortom: alleen in het geval dat in de verdeellijst een bedrag is opgenomen, is dit in de berekening van de Inspectie meegenomen. De Inspectie komt dan tot een totaalbedrag van € 4.673.959,- aan factuurbedragen, waarvan een deel aan de budgethouders is uitbetaald. Op geen enkele manier is aannemelijk geworden dat een of meer van de geldbedragen die volgens de verdeellijst zijn gedeeld niet aan de betreffende budgethouder zijn uitbetaald. Het hof concludeert dan ook dat voor alle facturen over 27 maanden met 132 budgethouders zorggeld is gedeeld en dat de gedeclareerde zorg niet of niet volledig is verleend Dat niet alle gedeclareerde zorg daadwerkelijk is verleend blijkt daarnaast ook uit het volgende. De Inspectie heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar de zorg die door [zorginstelling] in de onderzoeksperiode kan zijn geleverd. Daarbij is gekeken naar het personeel dat [zorginstelling] tot haar beschikking had en naar de aanwezigheid van de budgethouders op de dagbesteding. Bij twijfel is door de Inspectie in het voordeel van [zorginstelling] en de verdachten gerekend. Uit dit uitgebreide en gedegen onderzoek komt naar voren dat [zorginstelling] maximaal 28,1% van de zorg die in totaal is gefactureerd heeft kunnen leveren. Dat [zorginstelling] slechts een klein deel van de zorg leverde, wordt ook bevestigd door verschillende budgethouders. Tekenend is de verklaring van [naam 8] , die opmerkt dat zijn broer wel persoonlijke verzorging nodig had, maar alleen groepsbegeleiding kreeg, omdat [zorginstelling] anders meer personeel in moest zetten en dit tot gevolg zou hebben dat er geen geld meer met [budgethouder 11] kon worden gedeeld. Al het hiervoor genoemde bewijs wijst erop dat veel minder zorg werd geleverd dan werd gefactureerd en verantwoord. Het hof is van oordeel dat dit bewijs ‘schreeuwt’ om een verklaring van de verdachte. Door de verdediging is echter niet aangegeven op welke punten de berekening van de Inspectie van de maximaal verleende zorg door [zorginstelling] niet klopt. Het hof komt tot de conclusie dat door [zorginstelling] in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 structureel beduidend minder zorg is verleend dan gefactureerd of verantwoord. Door meer zorg te factureren dan werd geleverd, zijn de instanties die het PGB verstrekten opgelicht. Zij hebben op grond van valse facturen, declaraties, zorgovereenkomsten en verantwoordingsformulieren meer PGB-gelden uitgekeerd dan waar de budgethouder daadwerkelijk recht op had. In het geval deze instanties op de hoogte waren geweest dat er een groot deel van de zorg niet werd verleend, dan waren de PGB-gelden niet verstrekt. Uit de structurele manier van werken en de termijn waarover dit is volgehouden, leidt het hof af dat het oogmerk was gericht op wederrechtelijke bevoordeling. Dat de instanties die PGB hebben verstrekt zijn opgelicht acht het hof dan ook wettig en overtuigend bewezen. Aanvullende bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen valsheid in geschrift (feit 1) Van alle door [zorginstelling] opgemaakte stukken heeft het Openbaar Ministerie onder feit 1 met betrekking tot 30 facturen en 2 zorgovereenkomsten de valsheid in geschrift ten laste gelegd. Al deze facturen en zorgovereenkomsten kunnen volgens het Openbaar Ministerie worden aangemerkt als valse geschriften, omdat deze facturen en zorgovereenkomsten meer zorg vermelden dan daadwerkelijk door [zorginstelling] werd verleend. De meeste van deze 30 facturen komen voor op een verdeellijst met vermelding van bedragen in de kolommen “factuurbedrag” en “te betalen”. In dat geval gaat het hof ervan uit dat er zorggeld is gedeeld en dat, gelet op de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen, de gedeclareerde zorg niet volledig is verleend. In het geval dat er van een specifieke maand geen verdeellijst is aangetroffen, zal het hof aanvullend bewijs opnemen waaruit blijkt dat er met de budgethouder is gedeeld of dit nader motiveren in een bewijsoverweging. Ook in die gevallen komt het hof tot de conclusie dat de gedeclareerde zorg niet volledig is geleverd. Bewijsmiddelen [budgethouder 8] Nummer Factuurdatum Omschrijving Uren Factuurbedrag DOC-012-05 31 december 2016 Persoonlijke verzorging WLZ december 2016 24 € 3.440,00 Begeleiding individueel WLZ december 2016 62 DOC-012-07 3 april 2017 Persoonlijke verzorging WLZ maart 2017 30 € 2.880,00 Begeleiding individueel WLZ maart 2017 42 Van de maand december 2016 is geen verdeellijst aangetroffen. Op 20 januari 2017 vindt er een overboeking plaats van € 1.400,00 van een bankrekening op naam van [verdachte] naar de bankrekening op naam van budgethouder [budgethouder 8] . Dit bedrag komt overeen met het bedrag dat op de aangetroffen verdeellijsten bij de overige maanden wordt vermeld. Op deze lijsten staat steeds een bedrag van € 1.400,00 vermeld als het deel voor deze budgethouder. Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 8] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.880,00 is en er staat een percentage van 50%. Naast het percentage staat het bedrag € 1.440,00 in de kolom “te betalen”. [medeverdachte 1] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: “ Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven. (…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen .” Op grond van de hiervoor en eerder weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof vast dat door [zorginstelling] – afgezien van maximaal twee weken in het begin – geen zorg aan [budgethouder 8] is verleend en de facturen dus vals zijn. Bewijsmiddelen [budgethouder 1] Nummer Factuurdatum Omschrijving Uren Factuurbedrag DOC-015-06 4 januari 2016 Begeleiding individueel december 2015 31 € 2.840,00 Begeleiding groep december 2015 40 DOC-015-25 1 mei 2017 Persoonlijke verzorging april 2017 120 € 4.651,20 DOC-015-26 1 mei 2017 Begeleiding groep (WMO) april 2017 28 € 1.120,00 [medeverdachte 1] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: “ Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven.
Volledig
(…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen .” Op grond van de hiervoor en eerder weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [naam 7] de persoonlijke verzorging van zijn moeder deed. Vanaf juli 2017 was [naam 7] in dienst bij [zorginstelling] , daarvoor verzorgde hij zijn moeder op persoonlijke titel. Zijn moeder ging niet meer naar de dagbesteding van [zorginstelling] . Omdat [zorginstelling] geen persoonlijke zorg heeft verleend en de moeder van [budgethouder 1] geen gebruik meer maakte van de dagbesteding terwijl wel uren zijn gedeclareerd, zijn de vermelde facturen vals. Mogelijk ontving de moeder van [budgethouder 1] in december 2015 nog wel dagbesteding/begeleiding groep, nu echter sprake is van een factuur waarop ook individuele begeleiding is vermeld kan ook worden vastgesteld dat de factuur 015-06 vals is. Bewijsmiddelen [budgethouder 9] Nummer Factuurdatum Omschrijving Uren Factuurbedrag DOC-016-02 21 maart 2014 Begeleiding individueel april 2014 45 € 1.800,00 DOC-016-04 4 januari 2016 Begeleiding groep december 2015 42 € 1.680,00 DOC-016-05 31 december 2016 Begeleiding individueel (WLZ) december 2016 44,65 € 3.466,00 Begeleiding groep (WLZ) december 2016 42 Bij de stukken bevindt zich een “Model zorgovereenkomst” waarop is vermeld als budgethouder en [budgethouder 9] en als zorginstelling (opdrachtnemer) [zorginstelling] , vertegenwoordigd door [verdachte] , zorgcoördinator. Overeengekomen wordt dat de zorginstelling met ingang van 8 januari 2016 20 uren per week werkzaamheden op grond van de Wlz gaat verrichten en daarvoor een vast bedrag per maand ontvangt van € 3466,00. Van de maand december 2015 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 9] staat vermeld. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.680,00 is en er staat een percentage van 30%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.176,00. [medeverdachte 1] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: ” Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven. (…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen .” Op grond van de hiervoor en eerder weergegeven bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de vader van [budgethouder 9] zorg verleende aan [budgethouder 9] en daartoe niet in dienst van [zorginstelling] was. Op voorstel van [medeverdachte 1] is een constructie bedacht waardoor zorggelden met de vader van [budgethouder 9] konden worden gedeeld. Het hof stelt op grond daarvan vast dat de zorgovereenkomst vals is omdat hierin wordt gedaan alsof voor het volledige PGB-bedrag zorg bij [zorginstelling] werd ingekocht en door [zorginstelling] zou worden geleverd, terwijl deze in feite deel was van de constructie die het delen van zorggelden met de vader van [budgethouder 9] mogelijk maakte. Hoewel uit het dossier kan worden afgeleid dat [budgethouder 9] (wel) dagbesteding van [zorginstelling] ontving, kan op grond van de bewijsmiddelen worden vastgesteld dat ook de voor dagbesteding in december 2015 in rekening gebrachte bedrag met de vader van [budgethouder 9] is gedeeld en ook deze factuur dus deel uitmaakte van de constructie . Bewijsmiddelen [budgethouder 2] Nummer Factuurdatum Omschrijving Uren Factuurbedrag DOC-014-02 2 januari 2014 Persoonlijke verzorging + verpleging januari 2014 50,75 € 2.030,00 DOC-014-04 4 januari 2016 Begeleiding groep december 2015 10 € 400,00 DOC-014-10 3 april 2017 Persoonlijke verzorging maart 2017 135 € 5.859,60 Van de maand januari 2014 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 2] staat vermeld. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.030,00 is en er staat een percentage van 31%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.400,00. Van de maand december 2015 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 2] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 400,00 is en er staat een percentage van 30%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 280,00. Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 2] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 5.859,60 en er staat een percentage van 45%. Naast het percentage staat het bedrag € 3.222,78 in de kolom “te betalen”. [medeverdachte 1] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: ” Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven. (…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen .” Nu met [budgethouder 2] bedragen zijn gedeeld, kan op grond van de verklaring van [medeverdachte 1] worden vastgesteld dat de zorg (deels) niet of door de familie [budgethouder 2] is verleend zodat bedragen konden worden gedeeld. Nu [zorginstelling] de persoonlijke zorg niet (geheel) heeft verleend maar wel uren heeft gedeclareerd zijn de vermelde facturen vals. Bewijsmiddelen [budgethouder 3] Nummer Factuurdatum Omschrijving Uren Factuurbedrag DOC-013-02 2 januari 2014 Persoonlijke verzorging + begeleiding individueel januari 2014 89 € 3.560,00 DOC-013-11 3 april 2017 Persoonlijke verzorging maart 2017 98 € 3.798,48 Van de maand januari 2014 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 3] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.565,00 is en er staat een percentage van 30%. In de kolom “te betalen” staat een bedrag van € 1.795,00. Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 3] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 3.798,48 is en er staat een percentage van 30%. In de kolom “te betalen” staat een bedrag van € 2.658,94. [medeverdachte 1] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: ” Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven. (…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen .” Nu met [budgethouder 3] bedragen zijn gedeeld, kan op grond van de verklaring van [medeverdachte 1] worden vastgesteld dat de zorg (deels) niet of door de familie [budgethouder 3] is verleend zodat bedragen konden worden gedeeld. Nu [zorginstelling] de persoonlijke zorg niet (geheel) heeft verleend maar wel uren heeft gedeclareerd zijn de vermelde facturen vals. Bewijsmiddelen [budgethouder 4] Nummer Factuurdatum Omschrijving Uren Factuurbedrag DOC-025-01 1 november 2016 Persoonlijke verzorging oktober 2016 43,5 € 1.670,40 DOC-025-03 31 december 2016 Persoonlijke verzorging december 2016 43 € 1.651,20 DOC-025-04 1 februari 2017 Persoonlijke verzorging januari 2017 31 € 1.201,56 Van de maand oktober 2016 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 4] staat. Op deze lijst staat dat het factuurbedrag € 1.689,60 is (dit bedrag wijkt af van het bedrag dat op de factuur staat) en er staat een percentage van 40%. Naast het percentage staat het bedrag € 1.013,76 in de kolom “te betalen”. Op 9 januari 2017 vindt er een overboeking plaats van € 1.000,00 van de bankrekening op naam van verdachte [verdachte] naar de bankrekening op naam van [naam 4] , de schoonzoon van de budgethouder. Van de maand januari 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 4] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.201,56 is en er staat een percentage van 40%. Naast het percentage staat het bedrag € 720,94 in de kolom “te betalen”. Van de maand december 2016 is geen verdeellijst aangetroffen. Gelet op de betaling van € 1.000,- op 9 januari 2017 neemt het hof echter aan dat er ook in deze maand zorggeld is gedeeld.
Volledig
(…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen .” Op grond van de hiervoor en eerder weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [naam 7] de persoonlijke verzorging van zijn moeder deed. Vanaf juli 2017 was [naam 7] in dienst bij [zorginstelling] , daarvoor verzorgde hij zijn moeder op persoonlijke titel. Zijn moeder ging niet meer naar de dagbesteding van [zorginstelling] . Omdat [zorginstelling] geen persoonlijke zorg heeft verleend en de moeder van [budgethouder 1] geen gebruik meer maakte van de dagbesteding terwijl wel uren zijn gedeclareerd, zijn de vermelde facturen vals. Mogelijk ontving de moeder van [budgethouder 1] in december 2015 nog wel dagbesteding/begeleiding groep, nu echter sprake is van een factuur waarop ook individuele begeleiding is vermeld kan ook worden vastgesteld dat de factuur 015-06 vals is. Bewijsmiddelen [budgethouder 9] Nummer Factuurdatum Omschrijving Uren Factuurbedrag DOC-016-02 21 maart 2014 Begeleiding individueel april 2014 45 € 1.800,00 DOC-016-04 4 januari 2016 Begeleiding groep december 2015 42 € 1.680,00 DOC-016-05 31 december 2016 Begeleiding individueel (WLZ) december 2016 44,65 € 3.466,00 Begeleiding groep (WLZ) december 2016 42 Bij de stukken bevindt zich een “Model zorgovereenkomst” waarop is vermeld als budgethouder en [budgethouder 9] en als zorginstelling (opdrachtnemer) [zorginstelling] , vertegenwoordigd door [verdachte] , zorgcoördinator. Overeengekomen wordt dat de zorginstelling met ingang van 8 januari 2016 20 uren per week werkzaamheden op grond van de Wlz gaat verrichten en daarvoor een vast bedrag per maand ontvangt van € 3466,00. Van de maand december 2015 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 9] staat vermeld. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.680,00 is en er staat een percentage van 30%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.176,00. [medeverdachte 1] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: ” Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven. (…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen .” Op grond van de hiervoor en eerder weergegeven bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de vader van [budgethouder 9] zorg verleende aan [budgethouder 9] en daartoe niet in dienst van [zorginstelling] was. Op voorstel van [medeverdachte 1] is een constructie bedacht waardoor zorggelden met de vader van [budgethouder 9] konden worden gedeeld. Het hof stelt op grond daarvan vast dat de zorgovereenkomst vals is omdat hierin wordt gedaan alsof voor het volledige PGB-bedrag zorg bij [zorginstelling] werd ingekocht en door [zorginstelling] zou worden geleverd, terwijl deze in feite deel was van de constructie die het delen van zorggelden met de vader van [budgethouder 9] mogelijk maakte. Hoewel uit het dossier kan worden afgeleid dat [budgethouder 9] (wel) dagbesteding van [zorginstelling] ontving, kan op grond van de bewijsmiddelen worden vastgesteld dat ook de voor dagbesteding in december 2015 in rekening gebrachte bedrag met de vader van [budgethouder 9] is gedeeld en ook deze factuur dus deel uitmaakte van de constructie . Bewijsmiddelen [budgethouder 2] Nummer Factuurdatum Omschrijving Uren Factuurbedrag DOC-014-02 2 januari 2014 Persoonlijke verzorging + verpleging januari 2014 50,75 € 2.030,00 DOC-014-04 4 januari 2016 Begeleiding groep december 2015 10 € 400,00 DOC-014-10 3 april 2017 Persoonlijke verzorging maart 2017 135 € 5.859,60 Van de maand januari 2014 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 2] staat vermeld. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.030,00 is en er staat een percentage van 31%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.400,00. Van de maand december 2015 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 2] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 400,00 is en er staat een percentage van 30%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 280,00. Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 2] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 5.859,60 en er staat een percentage van 45%. Naast het percentage staat het bedrag € 3.222,78 in de kolom “te betalen”. [medeverdachte 1] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: ” Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven. (…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen .” Nu met [budgethouder 2] bedragen zijn gedeeld, kan op grond van de verklaring van [medeverdachte 1] worden vastgesteld dat de zorg (deels) niet of door de familie [budgethouder 2] is verleend zodat bedragen konden worden gedeeld. Nu [zorginstelling] de persoonlijke zorg niet (geheel) heeft verleend maar wel uren heeft gedeclareerd zijn de vermelde facturen vals. Bewijsmiddelen [budgethouder 3] Nummer Factuurdatum Omschrijving Uren Factuurbedrag DOC-013-02 2 januari 2014 Persoonlijke verzorging + begeleiding individueel januari 2014 89 € 3.560,00 DOC-013-11 3 april 2017 Persoonlijke verzorging maart 2017 98 € 3.798,48 Van de maand januari 2014 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 3] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.565,00 is en er staat een percentage van 30%. In de kolom “te betalen” staat een bedrag van € 1.795,00. Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 3] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 3.798,48 is en er staat een percentage van 30%. In de kolom “te betalen” staat een bedrag van € 2.658,94. [medeverdachte 1] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: ” Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven. (…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen .” Nu met [budgethouder 3] bedragen zijn gedeeld, kan op grond van de verklaring van [medeverdachte 1] worden vastgesteld dat de zorg (deels) niet of door de familie [budgethouder 3] is verleend zodat bedragen konden worden gedeeld. Nu [zorginstelling] de persoonlijke zorg niet (geheel) heeft verleend maar wel uren heeft gedeclareerd zijn de vermelde facturen vals. Bewijsmiddelen [budgethouder 4] Nummer Factuurdatum Omschrijving Uren Factuurbedrag DOC-025-01 1 november 2016 Persoonlijke verzorging oktober 2016 43,5 € 1.670,40 DOC-025-03 31 december 2016 Persoonlijke verzorging december 2016 43 € 1.651,20 DOC-025-04 1 februari 2017 Persoonlijke verzorging januari 2017 31 € 1.201,56 Van de maand oktober 2016 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 4] staat. Op deze lijst staat dat het factuurbedrag € 1.689,60 is (dit bedrag wijkt af van het bedrag dat op de factuur staat) en er staat een percentage van 40%. Naast het percentage staat het bedrag € 1.013,76 in de kolom “te betalen”. Op 9 januari 2017 vindt er een overboeking plaats van € 1.000,00 van de bankrekening op naam van verdachte [verdachte] naar de bankrekening op naam van [naam 4] , de schoonzoon van de budgethouder. Van de maand januari 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 4] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.201,56 is en er staat een percentage van 40%. Naast het percentage staat het bedrag € 720,94 in de kolom “te betalen”. Van de maand december 2016 is geen verdeellijst aangetroffen. Gelet op de betaling van € 1.000,- op 9 januari 2017 neemt het hof echter aan dat er ook in deze maand zorggeld is gedeeld.
Volledig
Uit de verdeellijsten blijkt dat [zorginstelling] een percentage van 40% hield en dus 60% uitbetaalde aan de budgethouder. Een percentage van 60% van het factuurbedrag van december 2016 komt nagenoeg overeen met het bedrag dat op 9 januari 2017 is overgemaakt naar de rekening van [naam 4] , de schoonzoon van de budgethouder. [medeverdachte 1] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: ” Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven. (…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen .” Op grond van de hiervoor en eerder weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof vast dat door [zorginstelling] facturen zijn gestuurd voor zorg die niet door [zorginstelling] is verleend. De facturen zijn dus vals. Vrijspraak [budgethouder 5] De zorg voor mevrouw [budgethouder 5] werd geleverd door haar dochter die ook in dienst was van [zorginstelling] . Het hof kan niet vaststellen dat [zorginstelling] minder zorg heeft geleverd dan gefactureerd is. Het hof zal daarom verdachte op dit punt vrijspreken. Bewijsmiddelen [budgethouder 10] Nummer Factuurdatum Omschrijving Uren Factuurbedrag DOC-028-03 4 januari 2016 Persoonlijke verzorging december 2015 9 € 2.030,00 Begeleiding individueel december 2015 20,75 Begeleiding groep december 2015 21 DOC-028-05 3 april 2017 Persoonlijke verzorging (WMO) maart 2017 10 € 1.600,00 Begeleiding individueel (WMO) maart 2017 5 Begeleiding groep (WMO) maart 2017 25 Van de maand december 2015 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 10] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.030,00 is en er staat een percentage van 33%. Naast het percentage staat een bedrag van € 1.360,10. Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 10] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.600,00 is en er staat een percentage van 33%. Naast het percentage staat een bedrag van € 1.072,00. [medeverdachte 1] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: ” Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven. (…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen .” Nu met [budgethouder 10] bedragen zijn gedeeld, kan op grond van de verklaring van [medeverdachte 1] worden vastgesteld dat de zorg (deels) niet of door de familie [budgethouder 10] is verleend zodat bedragen konden worden gedeeld. Nu [zorginstelling] de persoonlijke zorg niet (geheel) heeft verleend maar wel uren heeft gedeclareerd zijn de vermelde facturen vals. Bewijsmiddelen [budgethouder 6] en [budgethouder 7] [budgethouder 6] Nummer Factuurdatum Omschrijving Uren Factuurbedrag DOC-032-01 1 februari 2017 Persoonlijke verzorging januari 2017 43,5 € 1.686,06 DOC-032-02 1 juni 2017 Persoonlijke verzorging mei 2017 81,5 € 3.158,94 DOC-032-03 1 december 2017 Persoonlijke verzorging november 2017 96 € 3.720,96 Van de maand januari 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 6] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.686,06 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.011,64 in de kolom “te betalen”. Van de maand mei 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 6] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 3.158,94 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.895,36 in de kolom “te betalen”. Van de maand november 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 6] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 3.720,96 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 2.232,58. In de administratie van [zorginstelling] zijn verder declaratieformulieren aangetroffen, die betrekking hebben op maart , juni en september 2017 , waarmee PGB gedeclareerd kan worden bij zorgverzekeraar [benadeelde] . [budgethouder 7] Nummer Factuurdatum Omschrijving Uren Factuurbedrag DOC-033-01 1 februari 2017 Persoonlijke verzorging januari 2017 25,5 € 988,38 DOC-033-02 1 juni 2017 Persoonlijke verzorging mei 2017 48,5 € 1.879,86 DOC-033-03 1 december 2017 Persoonlijke verzorging november 2017 60 € 2.325,60 Van de maand januari 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 7] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 988,38 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 593,03. Van de maand mei 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 7] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.879,86 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.127,92 in de kolom “te betalen”. Van de maand november 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 7] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.325,60 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 868,36 in de kolom “te betalen”. In de administratie van [zorginstelling] zijn verder declaratieformulieren aangetroffen, die betrekking hebben op januari , mei en november 2017 , waarmee PGB gedeclareerd kan worden bij zorgverzekeraar [benadeelde] . Bij de raadsheer-commissaris heeft [budgethouder 6] het volgende verklaard met betrekking tot de hulp die zij en haar man [budgethouder 7] ontvingen van hun zoon [naam 9] : “ Hij deed het huishouden, schoonmaken, stofzuigen. Hij hielp met koken en de was en tijdens het douchen. U vraagt mij of ik ook andere kinderen of familieleden heb die hielpen met dat soort dingen. Ook mijn dochter hielp mij, vooral met het douchen. U vraagt mij of ik hulp kreeg in die periode van mensen buiten mijn gezin. Nee, zo iemand is niet gekomen . (…) U vraagt mij of mijn zoon ook mijn man hielp. Ja, hij heeft heel veel geholpen. (…) ” [naam 9] had een arbeidsovereenkomst met [zorginstelling] voor 12 uur in de week. [medeverdachte 1] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: ” Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven. (…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen .” Op grond van de hiervoor en eerder weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [zorginstelling] voor de maanden januari, mei en november 2017 veel meer uren heeft gedeclareerd dan waarvoor [zorginstelling] een arbeidsovereenkomst had met [naam 9] en dat door andere medewerkers van [zorginstelling] geen zorg is verleend. Nu [zorginstelling] minder persoonlijke zorg heeft verleend dan dat [zorginstelling] heeft gedeclareerd zijn de vermelde facturen vals. Bewijsmiddelen [budgethouder 11] Nummer Factuurdatum Omschrijving Uren Factuurbedrag DOC-034-01 1 februari 2017 Begeleiding individueel (WLZ) januari 2017 36 € 2.080,00 Begeleiding groep (WLZ) januari 2017 16 Van de maand januari 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 11] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.300,00 is en er staat een percentage van 50%. Twee kolommen naast het percentage staat in de kolom “te betalen” een bedrag van € 1.150,00. Het factuurnummer op de verdeellijst correspondeert met het factuurnummer op de factuur; het factuurbedrag op de verdeellijst wijkt echter af van de factuur. Bij de stukken bevindt zich een “Model zorgovereenkomst” waarop is vermeld als budgethouder en [budgethouder 11] en als zorginstelling (opdrachtnemer) [zorginstelling] , vertegenwoordigd door [verdachte] , zorgcoördinator.
Volledig
Uit de verdeellijsten blijkt dat [zorginstelling] een percentage van 40% hield en dus 60% uitbetaalde aan de budgethouder. Een percentage van 60% van het factuurbedrag van december 2016 komt nagenoeg overeen met het bedrag dat op 9 januari 2017 is overgemaakt naar de rekening van [naam 4] , de schoonzoon van de budgethouder. [medeverdachte 1] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: ” Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven. (…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen .” Op grond van de hiervoor en eerder weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof vast dat door [zorginstelling] facturen zijn gestuurd voor zorg die niet door [zorginstelling] is verleend. De facturen zijn dus vals. Vrijspraak [budgethouder 5] De zorg voor mevrouw [budgethouder 5] werd geleverd door haar dochter die ook in dienst was van [zorginstelling] . Het hof kan niet vaststellen dat [zorginstelling] minder zorg heeft geleverd dan gefactureerd is. Het hof zal daarom verdachte op dit punt vrijspreken. Bewijsmiddelen [budgethouder 10] Nummer Factuurdatum Omschrijving Uren Factuurbedrag DOC-028-03 4 januari 2016 Persoonlijke verzorging december 2015 9 € 2.030,00 Begeleiding individueel december 2015 20,75 Begeleiding groep december 2015 21 DOC-028-05 3 april 2017 Persoonlijke verzorging (WMO) maart 2017 10 € 1.600,00 Begeleiding individueel (WMO) maart 2017 5 Begeleiding groep (WMO) maart 2017 25 Van de maand december 2015 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 10] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.030,00 is en er staat een percentage van 33%. Naast het percentage staat een bedrag van € 1.360,10. Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 10] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.600,00 is en er staat een percentage van 33%. Naast het percentage staat een bedrag van € 1.072,00. [medeverdachte 1] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: ” Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven. (…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen .” Nu met [budgethouder 10] bedragen zijn gedeeld, kan op grond van de verklaring van [medeverdachte 1] worden vastgesteld dat de zorg (deels) niet of door de familie [budgethouder 10] is verleend zodat bedragen konden worden gedeeld. Nu [zorginstelling] de persoonlijke zorg niet (geheel) heeft verleend maar wel uren heeft gedeclareerd zijn de vermelde facturen vals. Bewijsmiddelen [budgethouder 6] en [budgethouder 7] [budgethouder 6] Nummer Factuurdatum Omschrijving Uren Factuurbedrag DOC-032-01 1 februari 2017 Persoonlijke verzorging januari 2017 43,5 € 1.686,06 DOC-032-02 1 juni 2017 Persoonlijke verzorging mei 2017 81,5 € 3.158,94 DOC-032-03 1 december 2017 Persoonlijke verzorging november 2017 96 € 3.720,96 Van de maand januari 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 6] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.686,06 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.011,64 in de kolom “te betalen”. Van de maand mei 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 6] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 3.158,94 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.895,36 in de kolom “te betalen”. Van de maand november 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 6] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 3.720,96 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 2.232,58. In de administratie van [zorginstelling] zijn verder declaratieformulieren aangetroffen, die betrekking hebben op maart , juni en september 2017 , waarmee PGB gedeclareerd kan worden bij zorgverzekeraar [benadeelde] . [budgethouder 7] Nummer Factuurdatum Omschrijving Uren Factuurbedrag DOC-033-01 1 februari 2017 Persoonlijke verzorging januari 2017 25,5 € 988,38 DOC-033-02 1 juni 2017 Persoonlijke verzorging mei 2017 48,5 € 1.879,86 DOC-033-03 1 december 2017 Persoonlijke verzorging november 2017 60 € 2.325,60 Van de maand januari 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 7] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 988,38 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 593,03. Van de maand mei 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 7] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.879,86 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.127,92 in de kolom “te betalen”. Van de maand november 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 7] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.325,60 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 868,36 in de kolom “te betalen”. In de administratie van [zorginstelling] zijn verder declaratieformulieren aangetroffen, die betrekking hebben op januari , mei en november 2017 , waarmee PGB gedeclareerd kan worden bij zorgverzekeraar [benadeelde] . Bij de raadsheer-commissaris heeft [budgethouder 6] het volgende verklaard met betrekking tot de hulp die zij en haar man [budgethouder 7] ontvingen van hun zoon [naam 9] : “ Hij deed het huishouden, schoonmaken, stofzuigen. Hij hielp met koken en de was en tijdens het douchen. U vraagt mij of ik ook andere kinderen of familieleden heb die hielpen met dat soort dingen. Ook mijn dochter hielp mij, vooral met het douchen. U vraagt mij of ik hulp kreeg in die periode van mensen buiten mijn gezin. Nee, zo iemand is niet gekomen . (…) U vraagt mij of mijn zoon ook mijn man hielp. Ja, hij heeft heel veel geholpen. (…) ” [naam 9] had een arbeidsovereenkomst met [zorginstelling] voor 12 uur in de week. [medeverdachte 1] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: ” Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven. (…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen .” Op grond van de hiervoor en eerder weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [zorginstelling] voor de maanden januari, mei en november 2017 veel meer uren heeft gedeclareerd dan waarvoor [zorginstelling] een arbeidsovereenkomst had met [naam 9] en dat door andere medewerkers van [zorginstelling] geen zorg is verleend. Nu [zorginstelling] minder persoonlijke zorg heeft verleend dan dat [zorginstelling] heeft gedeclareerd zijn de vermelde facturen vals. Bewijsmiddelen [budgethouder 11] Nummer Factuurdatum Omschrijving Uren Factuurbedrag DOC-034-01 1 februari 2017 Begeleiding individueel (WLZ) januari 2017 36 € 2.080,00 Begeleiding groep (WLZ) januari 2017 16 Van de maand januari 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 11] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.300,00 is en er staat een percentage van 50%. Twee kolommen naast het percentage staat in de kolom “te betalen” een bedrag van € 1.150,00. Het factuurnummer op de verdeellijst correspondeert met het factuurnummer op de factuur; het factuurbedrag op de verdeellijst wijkt echter af van de factuur. Bij de stukken bevindt zich een “Model zorgovereenkomst” waarop is vermeld als budgethouder en [budgethouder 11] en als zorginstelling (opdrachtnemer) [zorginstelling] , vertegenwoordigd door [verdachte] , zorgcoördinator.
Volledig
Overeengekomen wordt dat de zorginstelling met ingang van 1 januari 2017 12 uren per week werkzaamheden op grond van de Wlz gaat verrichten en daarvoor een vast bedrag per maand ontvangt van € 2.300,00. [naam 8] , broer van de budgethouder, heeft bij de raadsheer-commissaris het volgende verklaard: “ U vraagt mij of ik de persoonlijke verzorging van mijn broer heb waargenomen. Ja, hij kreeg thuis begeleiding, verzorging in zijn kamer, kleding wisselen en zo. Hij kreeg veel begeleiding, omdat hij zich snel isoleert. Ik en mijn moeder gaven hem ook vaak persoonlijke verzorging, wij controleerden ook de boodschappen. Hij moet sowieso altijd in de gaten worden gehouden. U vraagt mij of u het goed begrijpt dat het merendeel van de persoonlijke verzorging werd geleverd door de begeleiders en de stagiaires. Ik en mijn moeder deden dat veel meer. U houdt mij voor dat er op de declaratie (doc-034-01) staat dat er aan persoonlijke verzorging 36 uur per maand zou zijn geleverd. U vraagt mij of dat kan kloppen. Verspreid over een maand kan dat niet kloppen, hij kreeg twee dagen per week ongeveer anderhalf uur persoonlijke verzorging van [zorginstelling] . Ik gaf zelf ook persoonlijke verzorging, zowel in het kader van mijn dienstverband als privé. In het kader van mijn dienstverband bij [zorginstelling] zal ik zo’n drie uur per week persoonlijke verzorging hebben gegeven. ” [medeverdachte 1] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: ” Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven. (…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen .” Op grond van de hiervoor en eerder weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de factuur vals is. Op grond van de verklaring van de broer van [budgethouder 11] kan worden vastgesteld dat 6 uur per week en dus ongeveer 24 per maand zorg werd verleend en niet, zoals op de factuur is vermeld, 36 uur. Uit de verklaring van de broer van [budgethouder 11] volgt verder dat een constructie is bedacht: [medeverdachte 1] heeft hem voorgesteld om het PGB-budget van zijn broer te delen. Vanaf januari 2017 kreeg hij daarom maandelijks 40 procent, een bedrag van ongeveer € 1.400,-. Het hof stelt op grond daarvan vast dat de zorgovereenkomst vals is omdat hierin wordt gedaan alsof voor het volledige PGB-bedrag zorg bij [zorginstelling] werd ingekocht en door [zorginstelling] zou worden geleverd, terwijl deze in feite deel was van de constructie die het delen van zorggelden met de broer van [budgethouder 11] mogelijk maakte. Aanvullende bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen witwassen (PGB-)inkomsten In het kader van het onderzoek Mansfield zijn van [zorginstelling] de transactieoverzichten opgevraagd van de zakelijke bankrekeningen. Deze transactieoverzichten zijn over de periode van 1 januari 2014 tot en met 11 april 2018 geanalyseerd en op de onderzochte bankrekeningen zijn (PGB-)inkomsten aangetroffen van in totaal € 8.110.121,52. Daarvan zijn verschillende uitgaven, van in totaal € 6.484.600,95, nader onderzocht. Contante opnames: € 3.915.822,32 In de periode van 1 januari 2014 tot en met 11 april 2018 is van verschillende bedrijfsrekeningen van [zorginstelling] gebruik gemaakt om gelden contant op te nemen. In deze periode is van drie verschillende bankrekeningen een bedrag opgenomen van in totaal € 3.915.822,32. In de in beslag genomen bedrijfsadministratie van [zorginstelling] is geen (formele) kasadministratie aangetroffen waarin de contante geldstroom was verwerkt. In de digitale administratie zijn wel bestanden aangetroffen waarop vermoedelijk staat aangegeven hoe contante bedragen zijn besteed of uitbetaald. In deze bestanden zijn, onder andere, cliëntnamen en bedragen te zien. Deze bestanden zijn veiliggesteld vanaf de computer op het bureau waaraan [verdachte] werkte. Het betaaloverzicht van januari 2017 uit dit bestand is vergeleken met de fysieke verdeellijst van januari 2017. De bedragen ‘betaald’ uit het bestand “jan-dec 2017” komen grotendeels overeen met de bedragen op de fysieke verdeellijst. Er staan 100 cliëntnamen op het betaaloverzicht. Bij 33 cliënten staat geen bedrag ingevuld op de betaallijst maar wel handmatig op de fysieke verdeellijst. De rest van de bedragen komt overeen. In de back-up van de telefoon van [verdachte] zijn WhatsApp-gesprekken aangetroffen, waaronder gesprekken met het telefoonnummer dat in gebruik is bij [medeverdachte 1] . Onder meer vinden tussen hen de volgende gesprekken plaats: 13-4-2015 [medeverdachte 1] : Even wachten met [medeverdachte 1] : Het betalen van het geld [medeverdachte 1] : want ik moet nog mensen betalen 26-9-2015 [medeverdachte 1] : Ik moet nog aan 3 klanten geld geven [medeverdachte 1] : Volgende week zijn de loonbetalingen/uitkeringsbetalingen [medeverdachte 1] : Mijn broer [medeverdachte 2] heeft geen geld [medeverdachte 1] : Iedereen loopt me maar te bellen omdat ze geld willen 6-4-2016 [verdachte] : [medeverdachte 1] , zeg tegen de personen die geld krijgen: voortaan krijgen ze het een week later . Op 4 mei 2017 stuurt verdachte [verdachte] in een WhatsApp-groepsgesprek als bijlage een document. Dit betreft een brief gericht aan [medeverdachte 2] van de ABN AMRO Bank, waarin staat dat de contante opnames vanaf de zakelijke rekening op naam van [zorginstelling] “niet gebruikelijk zijn” en dat de contante opnames alleen zijn toegestaan “als u de bestemming hiervan kunt aantonen en deze betrekking hebben op de bedrijfsactiviteiten van de onderneming”. Vervolgens schrijft verdachte [medeverdachte 2] : “ Geen contante opnames meer heren ” en schrijft verdachte [verdachte] : “ Hoe gaan we het doen joh ”. Op de vraag wie de contante opnames deed, noemt [verdachte] in zijn verhoor de namen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Zelf deed [verdachte] ook af en toe contante opnames als er geld nodig was en hij op dat moment beschikbaar was. Dat gebeurde zo’n twee tot drie keer per maand. Op de vraag hoe groot deze bedragen waren, antwoordt [verdachte] “soms vijf, soms tien” (het hof begrijpt: € 5.000,- of € 10.000,-). [verdachte] dacht dat de contante opnames voor de verdeling van het zorggeld waren. Overboekingen naar Turkije: € 978.640,- Van twee bankrekeningen van [zorginstelling] zijn er bedragen overgeboekt naar bankrekeningen in Turkije. Dit bedroeg in de onderzoeksperiode in totaal een bedrag van € 978.640,-. In de omschrijvingen van de overboekingen van € 10.000,00 of meer zijn veelvuldig de woorden “ [omschrijving] ” of “ [omschrijving 2] ” te zien. De woorden “ [omschrijving] ” zijn vertaald door een tolk Turks en betekenen: “Bouw(project) Europa Woningen”. Op 2 april 2015 vindt tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het volgende gesprek plaats: [medeverdachte 1] : Hoeveel gaat er deze maand naar Turkije? [medeverdachte 2] : Mijn broer, het is daar belangrijk voor ons allemaal. [medeverdachte 2] : Deze maand 25 [medeverdachte 1] : ok In het verhoor van [verdachte] wordt opgemerkt dat er best veel geld naar Turkije is overgeboekt dat van zorggeld afkomstig is. [verdachte] geeft daarop aan dat zijn broer bezig was met projecten in Turkije. Voor de bouw stuurden ze regelmatig geld naar Turkije. Op de vraag over welke projecten [verdachte] het heeft, antwoordt hij dat er maar één project was in Turkije, het appartementencomplex. Overboekingen naar [medeverdachte 2] : € 894.014,87 In de onderzoeksperiode is van verschillende bedrijfsrekeningen van [zorginstelling] gebruik gemaakt om gelden over te boeken naar rekeningen op naam van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [verdachte] en [naam 10] . Bij [medeverdachte 2] betreft het een totaalbedrag van € 894.014,87. Van dit bedrag is in de onderzoeksperiode een bedrag van € 613.318,74 contant opgenomen. De overboekingen vanaf zakelijke bankrekeningen op naam van [zorginstelling] naar de privérekeningen op naam van [medeverdachte 2] betreffen in 2017 € 652.706,22, tegenover € 38.205,56 in 2016.
Volledig
Overeengekomen wordt dat de zorginstelling met ingang van 1 januari 2017 12 uren per week werkzaamheden op grond van de Wlz gaat verrichten en daarvoor een vast bedrag per maand ontvangt van € 2.300,00. [naam 8] , broer van de budgethouder, heeft bij de raadsheer-commissaris het volgende verklaard: “ U vraagt mij of ik de persoonlijke verzorging van mijn broer heb waargenomen. Ja, hij kreeg thuis begeleiding, verzorging in zijn kamer, kleding wisselen en zo. Hij kreeg veel begeleiding, omdat hij zich snel isoleert. Ik en mijn moeder gaven hem ook vaak persoonlijke verzorging, wij controleerden ook de boodschappen. Hij moet sowieso altijd in de gaten worden gehouden. U vraagt mij of u het goed begrijpt dat het merendeel van de persoonlijke verzorging werd geleverd door de begeleiders en de stagiaires. Ik en mijn moeder deden dat veel meer. U houdt mij voor dat er op de declaratie (doc-034-01) staat dat er aan persoonlijke verzorging 36 uur per maand zou zijn geleverd. U vraagt mij of dat kan kloppen. Verspreid over een maand kan dat niet kloppen, hij kreeg twee dagen per week ongeveer anderhalf uur persoonlijke verzorging van [zorginstelling] . Ik gaf zelf ook persoonlijke verzorging, zowel in het kader van mijn dienstverband als privé. In het kader van mijn dienstverband bij [zorginstelling] zal ik zo’n drie uur per week persoonlijke verzorging hebben gegeven. ” [medeverdachte 1] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard: ” Als wij zorg verleenden kregen ze geen geld, maar wanneer ze zelf hun kind of moeder zouden verzorgen, dan kon ik ze geld geven. (…) Op een gegeven moment vonden sommigen het wel fijn om geld te krijgen en ook zelf de zorg te verlenen. (…) Eigenlijk ben ik de fout in gegaan om dit te doen en had ik nee moeten zeggen .” Op grond van de hiervoor en eerder weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de factuur vals is. Op grond van de verklaring van de broer van [budgethouder 11] kan worden vastgesteld dat 6 uur per week en dus ongeveer 24 per maand zorg werd verleend en niet, zoals op de factuur is vermeld, 36 uur. Uit de verklaring van de broer van [budgethouder 11] volgt verder dat een constructie is bedacht: [medeverdachte 1] heeft hem voorgesteld om het PGB-budget van zijn broer te delen. Vanaf januari 2017 kreeg hij daarom maandelijks 40 procent, een bedrag van ongeveer € 1.400,-. Het hof stelt op grond daarvan vast dat de zorgovereenkomst vals is omdat hierin wordt gedaan alsof voor het volledige PGB-bedrag zorg bij [zorginstelling] werd ingekocht en door [zorginstelling] zou worden geleverd, terwijl deze in feite deel was van de constructie die het delen van zorggelden met de broer van [budgethouder 11] mogelijk maakte. Aanvullende bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen witwassen (PGB-)inkomsten In het kader van het onderzoek Mansfield zijn van [zorginstelling] de transactieoverzichten opgevraagd van de zakelijke bankrekeningen. Deze transactieoverzichten zijn over de periode van 1 januari 2014 tot en met 11 april 2018 geanalyseerd en op de onderzochte bankrekeningen zijn (PGB-)inkomsten aangetroffen van in totaal € 8.110.121,52. Daarvan zijn verschillende uitgaven, van in totaal € 6.484.600,95, nader onderzocht. Contante opnames: € 3.915.822,32 In de periode van 1 januari 2014 tot en met 11 april 2018 is van verschillende bedrijfsrekeningen van [zorginstelling] gebruik gemaakt om gelden contant op te nemen. In deze periode is van drie verschillende bankrekeningen een bedrag opgenomen van in totaal € 3.915.822,32. In de in beslag genomen bedrijfsadministratie van [zorginstelling] is geen (formele) kasadministratie aangetroffen waarin de contante geldstroom was verwerkt. In de digitale administratie zijn wel bestanden aangetroffen waarop vermoedelijk staat aangegeven hoe contante bedragen zijn besteed of uitbetaald. In deze bestanden zijn, onder andere, cliëntnamen en bedragen te zien. Deze bestanden zijn veiliggesteld vanaf de computer op het bureau waaraan [verdachte] werkte. Het betaaloverzicht van januari 2017 uit dit bestand is vergeleken met de fysieke verdeellijst van januari 2017. De bedragen ‘betaald’ uit het bestand “jan-dec 2017” komen grotendeels overeen met de bedragen op de fysieke verdeellijst. Er staan 100 cliëntnamen op het betaaloverzicht. Bij 33 cliënten staat geen bedrag ingevuld op de betaallijst maar wel handmatig op de fysieke verdeellijst. De rest van de bedragen komt overeen. In de back-up van de telefoon van [verdachte] zijn WhatsApp-gesprekken aangetroffen, waaronder gesprekken met het telefoonnummer dat in gebruik is bij [medeverdachte 1] . Onder meer vinden tussen hen de volgende gesprekken plaats: 13-4-2015 [medeverdachte 1] : Even wachten met [medeverdachte 1] : Het betalen van het geld [medeverdachte 1] : want ik moet nog mensen betalen 26-9-2015 [medeverdachte 1] : Ik moet nog aan 3 klanten geld geven [medeverdachte 1] : Volgende week zijn de loonbetalingen/uitkeringsbetalingen [medeverdachte 1] : Mijn broer [medeverdachte 2] heeft geen geld [medeverdachte 1] : Iedereen loopt me maar te bellen omdat ze geld willen 6-4-2016 [verdachte] : [medeverdachte 1] , zeg tegen de personen die geld krijgen: voortaan krijgen ze het een week later . Op 4 mei 2017 stuurt verdachte [verdachte] in een WhatsApp-groepsgesprek als bijlage een document. Dit betreft een brief gericht aan [medeverdachte 2] van de ABN AMRO Bank, waarin staat dat de contante opnames vanaf de zakelijke rekening op naam van [zorginstelling] “niet gebruikelijk zijn” en dat de contante opnames alleen zijn toegestaan “als u de bestemming hiervan kunt aantonen en deze betrekking hebben op de bedrijfsactiviteiten van de onderneming”. Vervolgens schrijft verdachte [medeverdachte 2] : “ Geen contante opnames meer heren ” en schrijft verdachte [verdachte] : “ Hoe gaan we het doen joh ”. Op de vraag wie de contante opnames deed, noemt [verdachte] in zijn verhoor de namen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Zelf deed [verdachte] ook af en toe contante opnames als er geld nodig was en hij op dat moment beschikbaar was. Dat gebeurde zo’n twee tot drie keer per maand. Op de vraag hoe groot deze bedragen waren, antwoordt [verdachte] “soms vijf, soms tien” (het hof begrijpt: € 5.000,- of € 10.000,-). [verdachte] dacht dat de contante opnames voor de verdeling van het zorggeld waren. Overboekingen naar Turkije: € 978.640,- Van twee bankrekeningen van [zorginstelling] zijn er bedragen overgeboekt naar bankrekeningen in Turkije. Dit bedroeg in de onderzoeksperiode in totaal een bedrag van € 978.640,-. In de omschrijvingen van de overboekingen van € 10.000,00 of meer zijn veelvuldig de woorden “ [omschrijving] ” of “ [omschrijving 2] ” te zien. De woorden “ [omschrijving] ” zijn vertaald door een tolk Turks en betekenen: “Bouw(project) Europa Woningen”. Op 2 april 2015 vindt tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het volgende gesprek plaats: [medeverdachte 1] : Hoeveel gaat er deze maand naar Turkije? [medeverdachte 2] : Mijn broer, het is daar belangrijk voor ons allemaal. [medeverdachte 2] : Deze maand 25 [medeverdachte 1] : ok In het verhoor van [verdachte] wordt opgemerkt dat er best veel geld naar Turkije is overgeboekt dat van zorggeld afkomstig is. [verdachte] geeft daarop aan dat zijn broer bezig was met projecten in Turkije. Voor de bouw stuurden ze regelmatig geld naar Turkije. Op de vraag over welke projecten [verdachte] het heeft, antwoordt hij dat er maar één project was in Turkije, het appartementencomplex. Overboekingen naar [medeverdachte 2] : € 894.014,87 In de onderzoeksperiode is van verschillende bedrijfsrekeningen van [zorginstelling] gebruik gemaakt om gelden over te boeken naar rekeningen op naam van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [verdachte] en [naam 10] . Bij [medeverdachte 2] betreft het een totaalbedrag van € 894.014,87. Van dit bedrag is in de onderzoeksperiode een bedrag van € 613.318,74 contant opgenomen. De overboekingen vanaf zakelijke bankrekeningen op naam van [zorginstelling] naar de privérekeningen op naam van [medeverdachte 2] betreffen in 2017 € 652.706,22, tegenover € 38.205,56 in 2016.
Volledig
Overboekingen naar [medeverdachte 1] : € 223.988,98 In de onderzoeksperiode is van verschillende bedrijfsrekeningen van [zorginstelling] geld overgeboekt naar de rekeningen van [medeverdachte 1] . Het gaat om een totaalbedrag van € 223.988,98. Van de bankrekeningen op naam van [medeverdachte 1] is in totaal een bedrag van € 109.684,47 contant opgenomen. Overboekingen naar [verdachte] : € 178.267,53 In de onderzoeksperiode is van verschillende bedrijfsrekeningen van [zorginstelling] geld overgeboekt naar de rekeningen van [verdachte] . Het gaat om een totaalbedrag van € 178.267,53. Overboekingen naar [naam 10] : € 72.700,- [naam 10] , ook een broer van verdachte, ontving op bankrekening [rekeningnummer] bedragen van de bankrekeningen van [zorginstelling] . In de periode van 2014 tot en met 2017 betreft dat in totaal € 72.700,00. [verdachte] geeft in zijn verhoor aan dat zijn broer [naam 10] in de ziektewet zat en op een gegeven moment niet meer uitbetaald werd. [medeverdachte 2] vond dat ze hem, omdat het hun broer is, moesten helpen. Daarom gaven ze hem € 2.500,- per maand. [verdachte] heeft verklaard dat [naam 10] niet werkte voor [zorginstelling] , maar dat hij dit maandelijkse bedrag kreeg zonder dat hij daarvoor een tegenprestatie leverde. Leningen: € 221.167,25 Van twee bankrekeningen van [zorginstelling] zijn bedragen overgeboekt naar andere bankrekeningen, met als omschrijving “lening”. In totaal is in de onderzoeksperiode een bedrag van € 221.167,25 overgeboekt met deze omschrijving. Door de boekhouder van [zorginstelling] , [naam 11] , is verklaard dat zodra er ‘lening’ bij een bedrag stond bij de overboeking op de bank, dit bedrag als lening werd geboekt. Een aantal bedragen die werden overgeboekt naar derden en waar niks bijstond, werden besproken met [medeverdachte 2] en daarna werden ze alsnog als lening geboekt. [verdachte] heeft verklaard dat een aantal betalingen aan cliënten via de bankrekeningen ging. Als hij via de bank aan een cliënt moest betalen, dan kreeg hij dit van [medeverdachte 1] te horen. [medeverdachte 1] gaf dan aan dat het een lening aan de cliënt was. [verdachte] moest het dan als lening boeken. Van misdrijf afkomstig Zoals het hof bij de bespreking van de oplichting heeft overwogen, zijn bij [zorginstelling] van 27 maanden verdeellijsten aangetroffen. Daarop staan 132 budgethouders met wie geld is gedeeld. In die 27 maanden is in totaal een bedrag van € 4.673.959,- gefactureerd terwijl een groot deel van de zorg niet werd geleverd en het zorggeld met de budgethouders is gedeeld. Het bedrag van € 4.673.959,- is voor het overgrote deel door oplichting verkregen, en derhalve van misdrijf afkomstig. Over de onderzoeksperiode van 51 maanden ontbreken van 24 maanden (complete) verdeellijsten. Het hof kan met onvoldoende zekerheid vaststellen dat ook in deze 24 maanden met alle 132 budgethouders – voor zover voor hen over die maanden een zorgvergoeding is uitbetaald – zorggelden zijn gedeeld. Op grond van het dossier neemt het hof aan dat over de gehele ten laste gelegde periode het grootste deel van de gefactureerde zorg (rond de twee/derde) niet is verleend. Dat resulteert in en ten onrechte verkregen bedrag over de gehele periode van ongeveer € 5,4 miljoen. Vermenging Het hof stelt vast dat het bedrag van € 4.673.959,- in het vermogen van [zorginstelling] is terecht gekomen en ziet zich voor de vraag gesteld in hoeverre dat invloed heeft gehad op het totale vermogen van [zorginstelling] . Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om niet alleen voorwerpen onder het bereik van de witwasbepalingen te brengen die onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig zijn, maar ook voorwerpen die gedeeltelijk van misdrijf afkomstig zijn. In het geval vermogensbestanddelen die van misdrijf afkomstig zijn, vermengd zijn geraakt met vermogensbestanddelen die zijn verkregen door middel van legale activiteiten, kan het vermengde vermogen worden aangemerkt als “gedeeltelijk” uit misdrijf afkomstig. Omdat een onbegrensde wetstoepassing niet in alle gevallen strookt met de bedoeling van de wetgever, kan bepaald gedrag onder omstandigheden niet als witwassen worden gekwalificeerd. De Hoge Raad noemt in zijn arrest van 23 november 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BN0578), kort gezegd, de volgende omstandigheden: een geringe waarde van het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel, een groot tijdsverloop na het moment van vermenging, een groot aantal of bijzondere veranderingen in het vermogen en een incidenteel karakter van de vermenging. Het hof is van oordeel dat het door oplichting verkregen geldbedrag met het legale vermogen van [zorginstelling] is vermengd geraakt. De omstandigheden die door de Hoge Raad worden genoemd doen zich niet voor. Integendeel, er is sprake van een aanzienlijk geldbedrag (ruim de helft van de totale inkomsten) dat kan worden aangemerkt als van misdrijf afkomstig. Bovendien heeft de vermenging gedurende een lange periode van ruim 4 jaar plaatsgevonden. Iedere maand kwamen PGB-gelden binnen die onterecht verkregen waren, welke deel gingen uitmaken van het vermogen van [zorginstelling] . Van een incidenteel karakter is derhalve allerminst sprake. Nu het hof heeft vastgesteld dat van vermenging sprake is, kan het gehele bedrag aan PGB-inkomsten van ruim € 8,1 miljoen worden aangemerkt als gedeeltelijk van misdrijf afkomstig. De tenlastelegging is overigens beperkt tot € 7.809.269,-. Witwashandelingen [zorginstelling] heeft het bedrag van € 7.809.269,- verworven en voorhanden gehad. Van een gedeelte hiervan kan worden vastgesteld dat het is overdragen en/of omgezet. Zo is er in ieder geval een bedrag van € 978.640,- overgeboekt naar Turkse bankrekeningen. Ten aanzien van dat bedrag is voldoende bewijs voorhanden dat daarvan uiteindelijk gebruik is gemaakt voor de bouw van een appartementencomplex in Turkije. Van het van de rekening van [zorginstelling] naar de rekening van verdachte overgeboekte totaal bedrag van € 894.000,- is ongeveer € 613.000,- contant opgenomen. Ten slotte hebben er ook contante opnames plaatsgevonden van de rekeningen van [zorginstelling] voor een bedrag van € 3.915.822,32. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat die contante opnames plaatsvonden om daarmee contante betalingen te kunnen doen. Met name uit de verklaringen van [verdachte] en van verschillende budgethouders en uit de tapgesprekken kan worden afgeleid dat deze contante opnames met name werden gebruikt om het gedeelde zorggeld uit te betalen aan de (familieleden van de) budgethouders. Een bedrag van € 72.000,- is overgeboekt naar een broer van verdachte en medeverdachten. Tot 1 januari 2017 was het enkele verwerven en voorhanden hebben van door eigen misdrijf verkregen gelden niet strafbaar. Vanaf die datum zijn dergelijke handelingen strafbaar als eenvoudig witwassen. Bij de straftoemeting speelt dit feit slechts een geringe rol. Daarnaast zijn dossier en tenlastelegging niet toegespitst op de vraag welke bedragen door welke persoon/personen in welke periode zijn overgedragen/omgezet. Van de vanuit [zorginstelling] opgenomen contante gelden kan worden aangenomen dat die voornamelijk zijn aangewend om budgethouders uit te betalen. Daarbij waren alle drie de broers betrokken zodat het hof bewezen acht dat verdachte dit tezamen en in vereniging met zijn mededaders heeft witgewassen. Een deel van de witwashandelingen zijn door verdachte alleen gepleegd. Het hof denkt daarbij aan de gelden die naar Turkije zijn overgeboekt. Die gelden zijn door verdachte geïnvesteerd in voornamelijk onroerend goed. Bij de straftoemeting is voor het hof niet van belang welk deel verdachte tezamen en in vereniging heeft begaan en welk deel hij alleen heeft begaan. Gewoonte maken van witwassen? Gelet op de lange periode waarin het witwassen heeft plaatsgevonden, de grote bedragen die op structurele wijze zijn overgedragen en in het legale verkeer zijn gebracht, is het hof van oordeel dat verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Toerekening aan rechtspersonen en feitelijk leidinggeven Op grond van artikel 51 Sr kunnen strafbare feiten worden begaan door een rechtspersoon.
Volledig
Overboekingen naar [medeverdachte 1] : € 223.988,98 In de onderzoeksperiode is van verschillende bedrijfsrekeningen van [zorginstelling] geld overgeboekt naar de rekeningen van [medeverdachte 1] . Het gaat om een totaalbedrag van € 223.988,98. Van de bankrekeningen op naam van [medeverdachte 1] is in totaal een bedrag van € 109.684,47 contant opgenomen. Overboekingen naar [verdachte] : € 178.267,53 In de onderzoeksperiode is van verschillende bedrijfsrekeningen van [zorginstelling] geld overgeboekt naar de rekeningen van [verdachte] . Het gaat om een totaalbedrag van € 178.267,53. Overboekingen naar [naam 10] : € 72.700,- [naam 10] , ook een broer van verdachte, ontving op bankrekening [rekeningnummer] bedragen van de bankrekeningen van [zorginstelling] . In de periode van 2014 tot en met 2017 betreft dat in totaal € 72.700,00. [verdachte] geeft in zijn verhoor aan dat zijn broer [naam 10] in de ziektewet zat en op een gegeven moment niet meer uitbetaald werd. [medeverdachte 2] vond dat ze hem, omdat het hun broer is, moesten helpen. Daarom gaven ze hem € 2.500,- per maand. [verdachte] heeft verklaard dat [naam 10] niet werkte voor [zorginstelling] , maar dat hij dit maandelijkse bedrag kreeg zonder dat hij daarvoor een tegenprestatie leverde. Leningen: € 221.167,25 Van twee bankrekeningen van [zorginstelling] zijn bedragen overgeboekt naar andere bankrekeningen, met als omschrijving “lening”. In totaal is in de onderzoeksperiode een bedrag van € 221.167,25 overgeboekt met deze omschrijving. Door de boekhouder van [zorginstelling] , [naam 11] , is verklaard dat zodra er ‘lening’ bij een bedrag stond bij de overboeking op de bank, dit bedrag als lening werd geboekt. Een aantal bedragen die werden overgeboekt naar derden en waar niks bijstond, werden besproken met [medeverdachte 2] en daarna werden ze alsnog als lening geboekt. [verdachte] heeft verklaard dat een aantal betalingen aan cliënten via de bankrekeningen ging. Als hij via de bank aan een cliënt moest betalen, dan kreeg hij dit van [medeverdachte 1] te horen. [medeverdachte 1] gaf dan aan dat het een lening aan de cliënt was. [verdachte] moest het dan als lening boeken. Van misdrijf afkomstig Zoals het hof bij de bespreking van de oplichting heeft overwogen, zijn bij [zorginstelling] van 27 maanden verdeellijsten aangetroffen. Daarop staan 132 budgethouders met wie geld is gedeeld. In die 27 maanden is in totaal een bedrag van € 4.673.959,- gefactureerd terwijl een groot deel van de zorg niet werd geleverd en het zorggeld met de budgethouders is gedeeld. Het bedrag van € 4.673.959,- is voor het overgrote deel door oplichting verkregen, en derhalve van misdrijf afkomstig. Over de onderzoeksperiode van 51 maanden ontbreken van 24 maanden (complete) verdeellijsten. Het hof kan met onvoldoende zekerheid vaststellen dat ook in deze 24 maanden met alle 132 budgethouders – voor zover voor hen over die maanden een zorgvergoeding is uitbetaald – zorggelden zijn gedeeld. Op grond van het dossier neemt het hof aan dat over de gehele ten laste gelegde periode het grootste deel van de gefactureerde zorg (rond de twee/derde) niet is verleend. Dat resulteert in en ten onrechte verkregen bedrag over de gehele periode van ongeveer € 5,4 miljoen. Vermenging Het hof stelt vast dat het bedrag van € 4.673.959,- in het vermogen van [zorginstelling] is terecht gekomen en ziet zich voor de vraag gesteld in hoeverre dat invloed heeft gehad op het totale vermogen van [zorginstelling] . Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om niet alleen voorwerpen onder het bereik van de witwasbepalingen te brengen die onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig zijn, maar ook voorwerpen die gedeeltelijk van misdrijf afkomstig zijn. In het geval vermogensbestanddelen die van misdrijf afkomstig zijn, vermengd zijn geraakt met vermogensbestanddelen die zijn verkregen door middel van legale activiteiten, kan het vermengde vermogen worden aangemerkt als “gedeeltelijk” uit misdrijf afkomstig. Omdat een onbegrensde wetstoepassing niet in alle gevallen strookt met de bedoeling van de wetgever, kan bepaald gedrag onder omstandigheden niet als witwassen worden gekwalificeerd. De Hoge Raad noemt in zijn arrest van 23 november 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BN0578), kort gezegd, de volgende omstandigheden: een geringe waarde van het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel, een groot tijdsverloop na het moment van vermenging, een groot aantal of bijzondere veranderingen in het vermogen en een incidenteel karakter van de vermenging. Het hof is van oordeel dat het door oplichting verkregen geldbedrag met het legale vermogen van [zorginstelling] is vermengd geraakt. De omstandigheden die door de Hoge Raad worden genoemd doen zich niet voor. Integendeel, er is sprake van een aanzienlijk geldbedrag (ruim de helft van de totale inkomsten) dat kan worden aangemerkt als van misdrijf afkomstig. Bovendien heeft de vermenging gedurende een lange periode van ruim 4 jaar plaatsgevonden. Iedere maand kwamen PGB-gelden binnen die onterecht verkregen waren, welke deel gingen uitmaken van het vermogen van [zorginstelling] . Van een incidenteel karakter is derhalve allerminst sprake. Nu het hof heeft vastgesteld dat van vermenging sprake is, kan het gehele bedrag aan PGB-inkomsten van ruim € 8,1 miljoen worden aangemerkt als gedeeltelijk van misdrijf afkomstig. De tenlastelegging is overigens beperkt tot € 7.809.269,-. Witwashandelingen [zorginstelling] heeft het bedrag van € 7.809.269,- verworven en voorhanden gehad. Van een gedeelte hiervan kan worden vastgesteld dat het is overdragen en/of omgezet. Zo is er in ieder geval een bedrag van € 978.640,- overgeboekt naar Turkse bankrekeningen. Ten aanzien van dat bedrag is voldoende bewijs voorhanden dat daarvan uiteindelijk gebruik is gemaakt voor de bouw van een appartementencomplex in Turkije. Van het van de rekening van [zorginstelling] naar de rekening van verdachte overgeboekte totaal bedrag van € 894.000,- is ongeveer € 613.000,- contant opgenomen. Ten slotte hebben er ook contante opnames plaatsgevonden van de rekeningen van [zorginstelling] voor een bedrag van € 3.915.822,32. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat die contante opnames plaatsvonden om daarmee contante betalingen te kunnen doen. Met name uit de verklaringen van [verdachte] en van verschillende budgethouders en uit de tapgesprekken kan worden afgeleid dat deze contante opnames met name werden gebruikt om het gedeelde zorggeld uit te betalen aan de (familieleden van de) budgethouders. Een bedrag van € 72.000,- is overgeboekt naar een broer van verdachte en medeverdachten. Tot 1 januari 2017 was het enkele verwerven en voorhanden hebben van door eigen misdrijf verkregen gelden niet strafbaar. Vanaf die datum zijn dergelijke handelingen strafbaar als eenvoudig witwassen. Bij de straftoemeting speelt dit feit slechts een geringe rol. Daarnaast zijn dossier en tenlastelegging niet toegespitst op de vraag welke bedragen door welke persoon/personen in welke periode zijn overgedragen/omgezet. Van de vanuit [zorginstelling] opgenomen contante gelden kan worden aangenomen dat die voornamelijk zijn aangewend om budgethouders uit te betalen. Daarbij waren alle drie de broers betrokken zodat het hof bewezen acht dat verdachte dit tezamen en in vereniging met zijn mededaders heeft witgewassen. Een deel van de witwashandelingen zijn door verdachte alleen gepleegd. Het hof denkt daarbij aan de gelden die naar Turkije zijn overgeboekt. Die gelden zijn door verdachte geïnvesteerd in voornamelijk onroerend goed. Bij de straftoemeting is voor het hof niet van belang welk deel verdachte tezamen en in vereniging heeft begaan en welk deel hij alleen heeft begaan. Gewoonte maken van witwassen? Gelet op de lange periode waarin het witwassen heeft plaatsgevonden, de grote bedragen die op structurele wijze zijn overgedragen en in het legale verkeer zijn gebracht, is het hof van oordeel dat verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Toerekening aan rechtspersonen en feitelijk leidinggeven Op grond van artikel 51 Sr kunnen strafbare feiten worden begaan door een rechtspersoon.
Volledig
Hiertoe is van belang of de verboden gedragingen redelijkerwijs aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend. Het hof is van oordeel dat dat bij [zorginstelling] het geval was, nu de gedragingen hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. [zorginstelling] presenteerde zich immers als verlener van zorg aan PGB-houders. Het opstellen van factureren voor zorg past daarmee binnen de normale bedrijfsvoering van deze rechtspersoon. Verdachte en zijn medeverdachten hadden belangrijke rollen binnen de rechtspersoon en hebben de constructie opgezet waarbij meer werd gedeclareerd dan daadwerkelijk aan zorg werd verleend. Dit handelen is de rechtspersoon dienstig geweest. Op grond van artikel 51 lid 2 onder 3° Sr kan, indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, tegen hen die feitelijk leiding hebben gegeven aan die verboden gedraging een straf of maatregel worden opgelegd. De vraag die vervolgens aan de orde komt is of kan worden bewezen dat verdachte aan die gedraging feitelijk leiding heeft gegeven. Verdachte speelde vanaf de oprichting van [zorginstelling] een cruciale functie binnen de organisatie, net als medeverdachten. De concrete afspraken met de budgethouders werden voornamelijk gemaakt door [medeverdachte 1] , [verdachte] had het overzicht over de financiën, hield de verdeellijsten bij en deed (in ieder geval) de betalingen aan budgethouders per bank. [medeverdachte 2] zat wekelijks vergaderingen voor, ondertekende diverse overeenkomsten en gaf opdracht voor betalingen aan budgethouders. Het opmaken van valse facturen en het verdelen van daarmee verkregen zorggeld kwam binnen [zorginstelling] structureel voor. Al vanaf de oprichtingsdatum worden valse facturen opgemaakt en uit de verdeellijsten die zijn aangetroffen volgt dat al voor de formele oprichtingsdatum sprake is geweest van verdeling van zorggelden. Dat verdachte van dit verdienmodel niet op de hoogte was, acht het hof volstrekt niet aannemelijk. Verdachte is hiervan op de hoogte geweest en werkte hieraan actief mee door het opmaken van de facturen en verdeellijsten. Daarbij betrekt het hof verder dat uit de verklaringen van verdachte, [medeverdachte 1] en van verschillende (familieleden van) PGB-houders volgt dat openlijk over de fraude werd gesproken, in die zin dat mensen actief werden benaderd om voor zorg die zij al verleenden een PGB-constructie op te zetten waardoor gelden konden worden (verkregen en) verdeeld. Tussen onder meer [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] is op de telefoon van [medeverdachte 2] een groepsgesprek aangetroffen. In februari en maart 2015 verschijnen daarop berichten van [medeverdachte 1] met de volgende inhoud: “Wat ik niet begrijp is waarom je het zo ver laat komen. Help deze zorgzaken niet naar de knoppen. We gaan zo echt de ondergrond in. Vind deze maand het geld in Turkije. Het zorggeld moet betaald worden aan wie uitbetaald moeten worden” [medeverdachte 2] reageert met “Als het binnenkomt, zal ik dat regelen” [medeverdachte 1] schrijft: “Niemand moet meer geld van de rekening opnemen. Ik ga de mensen betalen” In juli 2016 schrijft [medeverdachte 1] : “Ik heb geld op mijn rekening overgeschreven. Begrijp dat niet verkeerd, want ik zal het naar de klanten overmaken” Ook vraagt verdachte aan [medeverdachte 2] in een bericht van 21 april 2017 om 4.000 naar de PGB-houder [naam 1] over te boeken , en bespreekt verdachte met [medeverdachte 1] wanneer betalingen aan PGB-houders kennelijk spaak lopen dat mensen (blijven) bellen omdat ze geld willen. Bewezenverklaring Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1.subsidiair [zorginstelling] op een of meer tijdstip ( pen ) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander ( en ) , althans alleen, vijfentwintig (25), althans een of meer factu (u) r ( en ) van [zorginstelling] , ten behoeve van de declaratie van Persoonsgebonden Budget ( ten ) en/of ter onderbouwing van (een) verantwoordingsformulier ( en ) met betrekking tot Persoonsgebonden Budget ( ten ) , te weten: - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-012-05) en /of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WLZ) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-012-07) (telkens) inzake de klant [budgethouder 8] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-015-06) en /of ‘Persoonlijke Verzorging april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-25) en /of ‘Begeleiding Groep (WMO) april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-26) (telkens) inzake de klant [budgethouder 1] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel april 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-016-02) en /of ‘Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-016-04) en /of ‘Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-016-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 9] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Verpleging januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-014-02) en /of ‘Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-014-04) en /of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017 en Verpleging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-014-10) (telkens) inzake de klant [budgethouder 2] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding Individueel januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-013-02) en /of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-013-11) (telkens) inzake de klant [budgethouder 3] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging oktober 2016’ en factuurdatum 1 november 2016 (DOC-025-01) en /of ‘Persoonlijke Verzorging december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-025-03) en /of ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-025-04) (telkens) inzake de klant [budgethouder 4] en /of - de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-027-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging juni 2017’ en factuurdatum 1 juli 2017 (DOC-027-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging september 2017’ en factuurdatum 2 oktober 2017 (DOC-027-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 5] en/of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging december 2015 en Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-028-03) en /of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-028-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WMO) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WMO) maart 2017 en Begeleiding Groep (WMO) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-028-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 10] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-032-01) en /of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-032-02) en /of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-032-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 6] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-033-01) en /of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-033-02) en /of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-033-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 7] en /of - de factuur met als omschrijving ‘Begeleiding Indi
Volledig
Hiertoe is van belang of de verboden gedragingen redelijkerwijs aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend. Het hof is van oordeel dat dat bij [zorginstelling] het geval was, nu de gedragingen hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. [zorginstelling] presenteerde zich immers als verlener van zorg aan PGB-houders. Het opstellen van factureren voor zorg past daarmee binnen de normale bedrijfsvoering van deze rechtspersoon. Verdachte en zijn medeverdachten hadden belangrijke rollen binnen de rechtspersoon en hebben de constructie opgezet waarbij meer werd gedeclareerd dan daadwerkelijk aan zorg werd verleend. Dit handelen is de rechtspersoon dienstig geweest. Op grond van artikel 51 lid 2 onder 3° Sr kan, indien een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, tegen hen die feitelijk leiding hebben gegeven aan die verboden gedraging een straf of maatregel worden opgelegd. De vraag die vervolgens aan de orde komt is of kan worden bewezen dat verdachte aan die gedraging feitelijk leiding heeft gegeven. Verdachte speelde vanaf de oprichting van [zorginstelling] een cruciale functie binnen de organisatie, net als medeverdachten. De concrete afspraken met de budgethouders werden voornamelijk gemaakt door [medeverdachte 1] , [verdachte] had het overzicht over de financiën, hield de verdeellijsten bij en deed (in ieder geval) de betalingen aan budgethouders per bank. [medeverdachte 2] zat wekelijks vergaderingen voor, ondertekende diverse overeenkomsten en gaf opdracht voor betalingen aan budgethouders. Het opmaken van valse facturen en het verdelen van daarmee verkregen zorggeld kwam binnen [zorginstelling] structureel voor. Al vanaf de oprichtingsdatum worden valse facturen opgemaakt en uit de verdeellijsten die zijn aangetroffen volgt dat al voor de formele oprichtingsdatum sprake is geweest van verdeling van zorggelden. Dat verdachte van dit verdienmodel niet op de hoogte was, acht het hof volstrekt niet aannemelijk. Verdachte is hiervan op de hoogte geweest en werkte hieraan actief mee door het opmaken van de facturen en verdeellijsten. Daarbij betrekt het hof verder dat uit de verklaringen van verdachte, [medeverdachte 1] en van verschillende (familieleden van) PGB-houders volgt dat openlijk over de fraude werd gesproken, in die zin dat mensen actief werden benaderd om voor zorg die zij al verleenden een PGB-constructie op te zetten waardoor gelden konden worden (verkregen en) verdeeld. Tussen onder meer [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] is op de telefoon van [medeverdachte 2] een groepsgesprek aangetroffen. In februari en maart 2015 verschijnen daarop berichten van [medeverdachte 1] met de volgende inhoud: “Wat ik niet begrijp is waarom je het zo ver laat komen. Help deze zorgzaken niet naar de knoppen. We gaan zo echt de ondergrond in. Vind deze maand het geld in Turkije. Het zorggeld moet betaald worden aan wie uitbetaald moeten worden” [medeverdachte 2] reageert met “Als het binnenkomt, zal ik dat regelen” [medeverdachte 1] schrijft: “Niemand moet meer geld van de rekening opnemen. Ik ga de mensen betalen” In juli 2016 schrijft [medeverdachte 1] : “Ik heb geld op mijn rekening overgeschreven. Begrijp dat niet verkeerd, want ik zal het naar de klanten overmaken” Ook vraagt verdachte aan [medeverdachte 2] in een bericht van 21 april 2017 om 4.000 naar de PGB-houder [naam 1] over te boeken , en bespreekt verdachte met [medeverdachte 1] wanneer betalingen aan PGB-houders kennelijk spaak lopen dat mensen (blijven) bellen omdat ze geld willen. Bewezenverklaring Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: 1.subsidiair [zorginstelling] op een of meer tijdstip ( pen ) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander ( en ) , althans alleen, vijfentwintig (25), althans een of meer factu (u) r ( en ) van [zorginstelling] , ten behoeve van de declaratie van Persoonsgebonden Budget ( ten ) en/of ter onderbouwing van (een) verantwoordingsformulier ( en ) met betrekking tot Persoonsgebonden Budget ( ten ) , te weten: - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-012-05) en /of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WLZ) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-012-07) (telkens) inzake de klant [budgethouder 8] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-015-06) en /of ‘Persoonlijke Verzorging april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-25) en /of ‘Begeleiding Groep (WMO) april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-26) (telkens) inzake de klant [budgethouder 1] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel april 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-016-02) en /of ‘Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-016-04) en /of ‘Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-016-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 9] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Verpleging januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-014-02) en /of ‘Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-014-04) en /of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017 en Verpleging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-014-10) (telkens) inzake de klant [budgethouder 2] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding Individueel januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-013-02) en /of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-013-11) (telkens) inzake de klant [budgethouder 3] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging oktober 2016’ en factuurdatum 1 november 2016 (DOC-025-01) en /of ‘Persoonlijke Verzorging december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-025-03) en /of ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-025-04) (telkens) inzake de klant [budgethouder 4] en /of - de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-027-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging juni 2017’ en factuurdatum 1 juli 2017 (DOC-027-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging september 2017’ en factuurdatum 2 oktober 2017 (DOC-027-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 5] en/of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging december 2015 en Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-028-03) en /of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-028-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WMO) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WMO) maart 2017 en Begeleiding Groep (WMO) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-028-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 10] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-032-01) en /of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-032-02) en /of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-032-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 6] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-033-01) en /of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-033-02) en /of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-033-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 7] en /of - de factuur met als omschrijving ‘Begeleiding Indi
Volledig
vidueel (WLZ) januari 2017 en Begeleiding Groep (WLZ) januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-034-01) inzake de klant [budgethouder 11] , en/of een of meer zorgovereenkomst ( en ) , ten behoeve van de vastlegging van (onder meer) werkzaamheden en /of werkafspraken en /of het te ontvangen (vaste) maandbedrag in het kader van het Persoonsgebonden Budget, te weten: - een zorgovereenkomst tussen [zorginstelling] en budgethouder [budgethouder 9] gedateerd op 1 maart 2016 (DOC-016-07) en /of - een zorgovereenkomst tussen [zorginstelling] en budgethouder [budgethouder 11] gedateerd op 30 december 2016 (DOC-034-06 t/m -11), ( telkens ) zijnde (een) geschrift ( en ) dat/ die bestemd was/ waren om tot bewijs van enig feit te dienen, ( telkens ) valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of doen opmaken en/of vervalst en/of doen vervalsen , immers heeft/hebben zij en/of haar mededader ( s ) ( telkens ) valselijk en in strijd met de waarheid op die factu (u) r ( en ) vermeld en/of doen vermelden dat [zorginstelling] aan voornoemde klant ( en ) : - zorg heeft verleend (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging) en/of - zorg heeft verleend voor het aantal op die factu (u) r ( en ) vermelde uren (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging heeft verleend) en /of - zorg heeft verleend voor het/ de op die factu (u) r ( en ) vermelde ( totaal ) bedrag ( en ) , en /of valselijk en in strijd met de waarheid in die zorgovereenkomst ( en ) vermeld en/of doen vermelden en/of ingevuld en/of doen invullen dat de vergoeding voor de door [zorginstelling] verleende zorg en/of nog te verlenen zorg op grond van de Wlz per maand 3.466 euro en /of 2.300 euro en /of 3.680 euro bedraagt, zulks ( telkens ) met het oogmerk om dat/ die geschift ( en ) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte feitelijk leiding heeft gegeven, en /of [zorginstelling] op een of meer tijdstip ( pen ) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander ( en ), althans alleen, ( telkens ) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt en/of heeft/hebben afgeleverd en/of voorhanden heeft/hebben gehad van vijfentwintig (25), althans een of meer vals ( e ) en/of vervalst(e) factu (u) r ( en ) van [zorginstelling] , ten behoeve van de declaratie van Persoonsgebonden Budget ( ten ) en/of ter onderbouwing van (een) verantwoordingsformulier ( en ) met betrekking tot Persoonsgebonden Budget ( ten ) , te weten: - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-012-05) en /of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WLZ) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-012-07) ( telkens ) inzake de klant [budgethouder 8] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-015-06) en /of ‘Persoonlijke Verzorging april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-25) en /of ‘Begeleiding Groep (WMO) april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-26) (telkens) inzake de klant [budgethouder 1] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel april 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-016-02) en /of ‘Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-016-04) en /of ‘Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-016-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 9] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Verpleging januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-014-02) en /of ‘Begeleiding Groep december 2016’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-014-04) en /of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017 en Verpleging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-014-10) (telkens) inzake de klant [budgethouder 2] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding Individueel januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-013-02) en /of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-013-11) (telkens) inzake de klant [budgethouder 3] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging oktober 2016’ en factuurdatum 1 november 2016 (DOC-025-01) en /of ‘Persoonlijke Verzorging december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-025-03) en /of ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-025-04) (telkens) op naam van budgethouder [budgethouder 4] en /of - de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-027-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging juni 2017’ en factuurdatum 1 juli 2017 (DOC-027-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging september 2017’ en factuurdatum 2 oktober 2017 (DOC-027-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 5] en/of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging december 2015 en Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-028-03) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-028-04) en /of ‘Persoonlijke Verzorging (WMO) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WMO) maart 2017 en Begeleiding Groep (WMO) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 217 (DOC-028-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 10] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-032-01) en /of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-032-02) en /of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-032-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 6] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-033-01) en /of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-033-02) en /of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-033-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 7] en /of - de factuur met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel (WLZ) januari 2017 en Begeleiding Groep (WLZ) januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-034-01) inzake de klant [budgethouder 11] , en /of een of meer zorgovereenkomst ( en ) , ten behoeve van de vastlegging van (onder meer) werkzaamheden en/of werkafspraken en /of het te ontvangen (vaste) maandbedrag in het kader van het Persoonsgebonden Budget, te weten: - een zorgovereenkomst tussen [zorginstelling] en budgethouder [budgethouder 9] gedateerd op 1 maart 2016 (DOC-016-07) en /of - een zorgovereenkomst tussen [zorginstelling] en budgethouder [budgethouder 11] gedateerd op 30 december 2016 (DOC-034-06 t/m -11), ( telkens ) zijnde (een) geschrift ( en ) dat/ die bestemd was/ waren om tot bewijs van enig feit te dienen, bestaande die valsheid en/of vervalsing (telkens ) hierin dat op die factu (u) r ( en ) – in strijd met de waarheid – stond vermeld dat [zorginstelling] aan voornoemde klant ( en ) : - zorg heeft verleend (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging) en/of - zorg heeft verleend voor het aantal op die factu (u) r ( en ) vermelde uren (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging heeft verleend) en /of - zorg heeft verleend voor het/de op die factu(u)r(en) vermelde (totaal) bedrag(en), en /of op die zorgovereenkomst ( en ) – in strijd met de waarheid – stond vermeld en/of ingevuld dat de vergoe
Volledig
vidueel (WLZ) januari 2017 en Begeleiding Groep (WLZ) januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-034-01) inzake de klant [budgethouder 11] , en/of een of meer zorgovereenkomst ( en ) , ten behoeve van de vastlegging van (onder meer) werkzaamheden en /of werkafspraken en /of het te ontvangen (vaste) maandbedrag in het kader van het Persoonsgebonden Budget, te weten: - een zorgovereenkomst tussen [zorginstelling] en budgethouder [budgethouder 9] gedateerd op 1 maart 2016 (DOC-016-07) en /of - een zorgovereenkomst tussen [zorginstelling] en budgethouder [budgethouder 11] gedateerd op 30 december 2016 (DOC-034-06 t/m -11), ( telkens ) zijnde (een) geschrift ( en ) dat/ die bestemd was/ waren om tot bewijs van enig feit te dienen, ( telkens ) valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of doen opmaken en/of vervalst en/of doen vervalsen , immers heeft/hebben zij en/of haar mededader ( s ) ( telkens ) valselijk en in strijd met de waarheid op die factu (u) r ( en ) vermeld en/of doen vermelden dat [zorginstelling] aan voornoemde klant ( en ) : - zorg heeft verleend (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging) en/of - zorg heeft verleend voor het aantal op die factu (u) r ( en ) vermelde uren (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging heeft verleend) en /of - zorg heeft verleend voor het/ de op die factu (u) r ( en ) vermelde ( totaal ) bedrag ( en ) , en /of valselijk en in strijd met de waarheid in die zorgovereenkomst ( en ) vermeld en/of doen vermelden en/of ingevuld en/of doen invullen dat de vergoeding voor de door [zorginstelling] verleende zorg en/of nog te verlenen zorg op grond van de Wlz per maand 3.466 euro en /of 2.300 euro en /of 3.680 euro bedraagt, zulks ( telkens ) met het oogmerk om dat/ die geschift ( en ) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte feitelijk leiding heeft gegeven, en /of [zorginstelling] op een of meer tijdstip ( pen ) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander ( en ), althans alleen, ( telkens ) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt en/of heeft/hebben afgeleverd en/of voorhanden heeft/hebben gehad van vijfentwintig (25), althans een of meer vals ( e ) en/of vervalst(e) factu (u) r ( en ) van [zorginstelling] , ten behoeve van de declaratie van Persoonsgebonden Budget ( ten ) en/of ter onderbouwing van (een) verantwoordingsformulier ( en ) met betrekking tot Persoonsgebonden Budget ( ten ) , te weten: - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-012-05) en /of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WLZ) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-012-07) ( telkens ) inzake de klant [budgethouder 8] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-015-06) en /of ‘Persoonlijke Verzorging april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-25) en /of ‘Begeleiding Groep (WMO) april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-26) (telkens) inzake de klant [budgethouder 1] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel april 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-016-02) en /of ‘Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-016-04) en /of ‘Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-016-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 9] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Verpleging januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-014-02) en /of ‘Begeleiding Groep december 2016’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-014-04) en /of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017 en Verpleging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-014-10) (telkens) inzake de klant [budgethouder 2] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding Individueel januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-013-02) en /of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-013-11) (telkens) inzake de klant [budgethouder 3] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging oktober 2016’ en factuurdatum 1 november 2016 (DOC-025-01) en /of ‘Persoonlijke Verzorging december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-025-03) en /of ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-025-04) (telkens) op naam van budgethouder [budgethouder 4] en /of - de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-027-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging juni 2017’ en factuurdatum 1 juli 2017 (DOC-027-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging september 2017’ en factuurdatum 2 oktober 2017 (DOC-027-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 5] en/of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging december 2015 en Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-028-03) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-028-04) en /of ‘Persoonlijke Verzorging (WMO) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WMO) maart 2017 en Begeleiding Groep (WMO) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 217 (DOC-028-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 10] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-032-01) en /of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-032-02) en /of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-032-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 6] en /of - de factu (u) r ( en ) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-033-01) en /of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-033-02) en /of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-033-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 7] en /of - de factuur met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel (WLZ) januari 2017 en Begeleiding Groep (WLZ) januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-034-01) inzake de klant [budgethouder 11] , en /of een of meer zorgovereenkomst ( en ) , ten behoeve van de vastlegging van (onder meer) werkzaamheden en/of werkafspraken en /of het te ontvangen (vaste) maandbedrag in het kader van het Persoonsgebonden Budget, te weten: - een zorgovereenkomst tussen [zorginstelling] en budgethouder [budgethouder 9] gedateerd op 1 maart 2016 (DOC-016-07) en /of - een zorgovereenkomst tussen [zorginstelling] en budgethouder [budgethouder 11] gedateerd op 30 december 2016 (DOC-034-06 t/m -11), ( telkens ) zijnde (een) geschrift ( en ) dat/ die bestemd was/ waren om tot bewijs van enig feit te dienen, bestaande die valsheid en/of vervalsing (telkens ) hierin dat op die factu (u) r ( en ) – in strijd met de waarheid – stond vermeld dat [zorginstelling] aan voornoemde klant ( en ) : - zorg heeft verleend (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging) en/of - zorg heeft verleend voor het aantal op die factu (u) r ( en ) vermelde uren (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging heeft verleend) en /of - zorg heeft verleend voor het/de op die factu(u)r(en) vermelde (totaal) bedrag(en), en /of op die zorgovereenkomst ( en ) – in strijd met de waarheid – stond vermeld en/of ingevuld dat de vergoe
Volledig
ding voor de door [zorginstelling] verleende zorg en/of nog te verlenen zorg op grond van de Wlz per maand 3.466 euro en /of 2.300 en /of 3.680 euro bedraagt, en bestaande dat gebruikmaken en /of afleveren hieruit dat zij en/of haar mededader ( s ) die factu (u) r ( en ) en /of die zorgovereenkomst ( en ) ( telkens ) - heeft/hebben verstrekt en/of doen verstrekken aan de klant ( en ) [budgethouder 8] en /of [budgethouder 1] en /of [budgethouder 9] en /of [budgethouder 2] en /of [budgethouder 3] en /of [budgethouder 4] en /of [budgethouder 5] en/of [budgethouder 10] en /of [budgethouder 6] en /of [budgethouder 7] en /of [budgethouder 11] en/of een familielid en/of familieleden van deze klant ( en ) en/of heeft/hebben ingediend en/of doen indienen bij de Sociale Verzekeringsbank en/of het [benadeelde] en/of ( een ) ( andere ) zorgverzekeraar (s) en/of (een) zorgkanto ( o ) r (en) , en /of bestaande het voorhanden hebben hieruit dat zij en/of haar mededader(s) die factu ( u ) r ( en ) en/of die zorgovereenkomst ( en ) ( telkens ) heeft/hebben opgenomen en/of doen opnemen in de (digitale) administratie van [zorginstelling] , zulks terwijl zij en haar mededader ( s ) ( telkens ) wist ( en ) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/ deze geschrift ( en ) bestemd was/ waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit ( en ) verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging ( en ) verdachte feitelijk leiding heeft gegeven. Feit 2: [zorginstelling] op een of meer tijdstip ( pen ) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander ( en ), althans alleen, ( telkens ) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen ( telkens ) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefstel van verdichtsels, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en /of het [benadeelde] en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en /of de gemeente [plaats 1] en/of (een) (andere) gemeente(n) , heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag ( en ) ( ten behoeve van Persoonsgebonden Budget ) , in elk geval van enig goed, te weten ( een ) geldbedrag (en) van (ongeveer ) 4.673.959 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor de op de verdeellijsten vermelde budgethouders (AMB-053-01 en DOC-023-03 ), althans, - 73.860 euro, althans 2.780 euro en/of 3.440 euro en/of 2.880 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 8] en/of - 100.740 euro, althans 2.840 euro en/of 4.651,20 euro en/of 1.120 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 1] en/of - 88.330 euro, althans 1.800 euro en/of 1.680 euro en/of 3.466 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 9] en/of - 128.140 euro, althans 2.030 euro en/of 400 euro en/of 5.859,60 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 2] en/of - 86.747 euro, althans 3.560 euro en/of 800 euro en/of 3.798,48 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 3] en/of - 25.147 euro, althans 1.670,40 euro en/of 1.651,20 euro en/of 1.201,56 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 4] en/of - 55.093 euro, althans 6.201,60 euro en/of 5.814 euro en/of 3.333,36 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 5] en/of - 25.000 euro, althans 2.030 euro en/of 1.560 euro en/of 1.600 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 10] en/of - 40.174 euro, althans 1.686,06 euro en/of 3.158,94 euro en/of 3.720,96 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 6] en/of - 24.771 euro, althans 988,38 euro en/of 1.879,86 euro en/of 2.325,60 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 7] en/of - 26.300 euro, althans 2.300 euro en/of 3.680 euro met betrekking tot gefactureerde en/of vergoedde zorg voor budgethouder [budgethouder 11] , immers heeft zij en/of haar mededader(s) ( telkens ) met voornoemd oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en /of in strijd met de waarheid aan bovengenoemde SVB en /of het [benadeelde] en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en /of de gemeente [plaats 1] en/of (een) (andere) gemeente(n) voorgehouden en/of voorgewend dat [zorginstelling] voor het/ de ( totaal ) gedeclareerde geldbedrag ( en ) en /of het/ de ( totaal ) vastgestelde ( maand ) bedrag ( en ) aan zorg heeft verleend en/of zou gaan verlenen aan de bovengenoemde (en op de verdeellijsten vermelde) budgethouder ( s ) en: - ( daartoe ) een of meer zorgovereenkomst ( en ) en /of verantwoordingsformulier ( en ) en /of declaratieformulier ( en ) en /of factu (u) r ( en ) op naam van deze budgethouder ( s ) heeft/hebben ingediend en/of doen indienen en/of opgestuurd en/of doen opsturen bij/naar de SVB en/of het [benadeelde] en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en/of de gemeente [plaats 1] en/of (een) (andere) gemeente(n) en /of - ( aldus ) met die /dat zorgovereenkomst ( en ) en /of verantwoordingsformulier ( en ) en /of declaratieformulier ( en ) en /of factu (u) r ( en ) (een) Persoonsgebonden Budget ( ten ) op naam van deze budgethouders heeft/hebben aangevraagd en/of doen aanvragen en/of verantwoord en/of doen verantwoorden en/of gedeclareerd en/of doen declareren, waardoor de SVB en /of het [benadeelde] en /of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en ) en /of de gemeente [plaats 1] en/of (een) (andere) gemeente(n) ( telkens ) is/ zijn bewogen tot het definitief toekennen van Persoonsgebonden Budget ( ten ) dat bij wijze van voorschot was uitgekeerd en/of afgifte van het/ de Persoonsgebonden Budget ( ten ) , tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging ( en ) verdachte feitelijk leiding heeft gegeven. Feit 3: hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met heden te [plaats 1] , althans Nederland en/of te [plaats 2] , althans Turkije, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans heeft witgewassen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van (ongeveer) (in totaal) 7.809.269 euro (AMB-053-01 en DOC-023-03), verworven en voorhanden gehad en daarvan (ongeveer) 3.915.822,32 euro en (ongeveer) (in totaal) 978.640 euro en 613.000 euro en/of 72.700 euro (AMB-006-01/01a), althans van enig(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en), (telkens) de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing van dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) heeft/hebben verborgen en/of verhuld, en/of (telkens) heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) is en/of dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) wist(en) dat voormeld(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf en/of hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) dat/die voorwerpen(en) en/of geldbedrag(en) heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen en/of heeft/hebben omgezet en/of van dat/die voorwerpen(en) en/of geldbedrag(en) gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) wist(en) dat voormeld(e) voorwerpen(en) en/of geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf. Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Volledig
ding voor de door [zorginstelling] verleende zorg en/of nog te verlenen zorg op grond van de Wlz per maand 3.466 euro en /of 2.300 en /of 3.680 euro bedraagt, en bestaande dat gebruikmaken en /of afleveren hieruit dat zij en/of haar mededader ( s ) die factu (u) r ( en ) en /of die zorgovereenkomst ( en ) ( telkens ) - heeft/hebben verstrekt en/of doen verstrekken aan de klant ( en ) [budgethouder 8] en /of [budgethouder 1] en /of [budgethouder 9] en /of [budgethouder 2] en /of [budgethouder 3] en /of [budgethouder 4] en /of [budgethouder 5] en/of [budgethouder 10] en /of [budgethouder 6] en /of [budgethouder 7] en /of [budgethouder 11] en/of een familielid en/of familieleden van deze klant ( en ) en/of heeft/hebben ingediend en/of doen indienen bij de Sociale Verzekeringsbank en/of het [benadeelde] en/of ( een ) ( andere ) zorgverzekeraar (s) en/of (een) zorgkanto ( o ) r (en) , en /of bestaande het voorhanden hebben hieruit dat zij en/of haar mededader(s) die factu ( u ) r ( en ) en/of die zorgovereenkomst ( en ) ( telkens ) heeft/hebben opgenomen en/of doen opnemen in de (digitale) administratie van [zorginstelling] , zulks terwijl zij en haar mededader ( s ) ( telkens ) wist ( en ) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/ deze geschrift ( en ) bestemd was/ waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit ( en ) verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging ( en ) verdachte feitelijk leiding heeft gegeven. Feit 2: [zorginstelling] op een of meer tijdstip ( pen ) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander ( en ), althans alleen, ( telkens ) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen ( telkens ) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefstel van verdichtsels, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en /of het [benadeelde] en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en /of de gemeente [plaats 1] en/of (een) (andere) gemeente(n) , heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag ( en ) ( ten behoeve van Persoonsgebonden Budget ) , in elk geval van enig goed, te weten ( een ) geldbedrag (en) van (ongeveer ) 4.673.959 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor de op de verdeellijsten vermelde budgethouders (AMB-053-01 en DOC-023-03 ), althans, - 73.860 euro, althans 2.780 euro en/of 3.440 euro en/of 2.880 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 8] en/of - 100.740 euro, althans 2.840 euro en/of 4.651,20 euro en/of 1.120 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 1] en/of - 88.330 euro, althans 1.800 euro en/of 1.680 euro en/of 3.466 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 9] en/of - 128.140 euro, althans 2.030 euro en/of 400 euro en/of 5.859,60 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 2] en/of - 86.747 euro, althans 3.560 euro en/of 800 euro en/of 3.798,48 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 3] en/of - 25.147 euro, althans 1.670,40 euro en/of 1.651,20 euro en/of 1.201,56 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 4] en/of - 55.093 euro, althans 6.201,60 euro en/of 5.814 euro en/of 3.333,36 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 5] en/of - 25.000 euro, althans 2.030 euro en/of 1.560 euro en/of 1.600 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 10] en/of - 40.174 euro, althans 1.686,06 euro en/of 3.158,94 euro en/of 3.720,96 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 6] en/of - 24.771 euro, althans 988,38 euro en/of 1.879,86 euro en/of 2.325,60 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 7] en/of - 26.300 euro, althans 2.300 euro en/of 3.680 euro met betrekking tot gefactureerde en/of vergoedde zorg voor budgethouder [budgethouder 11] , immers heeft zij en/of haar mededader(s) ( telkens ) met voornoemd oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en /of in strijd met de waarheid aan bovengenoemde SVB en /of het [benadeelde] en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en /of de gemeente [plaats 1] en/of (een) (andere) gemeente(n) voorgehouden en/of voorgewend dat [zorginstelling] voor het/ de ( totaal ) gedeclareerde geldbedrag ( en ) en /of het/ de ( totaal ) vastgestelde ( maand ) bedrag ( en ) aan zorg heeft verleend en/of zou gaan verlenen aan de bovengenoemde (en op de verdeellijsten vermelde) budgethouder ( s ) en: - ( daartoe ) een of meer zorgovereenkomst ( en ) en /of verantwoordingsformulier ( en ) en /of declaratieformulier ( en ) en /of factu (u) r ( en ) op naam van deze budgethouder ( s ) heeft/hebben ingediend en/of doen indienen en/of opgestuurd en/of doen opsturen bij/naar de SVB en/of het [benadeelde] en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en/of de gemeente [plaats 1] en/of (een) (andere) gemeente(n) en /of - ( aldus ) met die /dat zorgovereenkomst ( en ) en /of verantwoordingsformulier ( en ) en /of declaratieformulier ( en ) en /of factu (u) r ( en ) (een) Persoonsgebonden Budget ( ten ) op naam van deze budgethouders heeft/hebben aangevraagd en/of doen aanvragen en/of verantwoord en/of doen verantwoorden en/of gedeclareerd en/of doen declareren, waardoor de SVB en /of het [benadeelde] en /of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en ) en /of de gemeente [plaats 1] en/of (een) (andere) gemeente(n) ( telkens ) is/ zijn bewogen tot het definitief toekennen van Persoonsgebonden Budget ( ten ) dat bij wijze van voorschot was uitgekeerd en/of afgifte van het/ de Persoonsgebonden Budget ( ten ) , tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging ( en ) verdachte feitelijk leiding heeft gegeven. Feit 3: hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met heden te [plaats 1] , althans Nederland en/of te [plaats 2] , althans Turkije, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans heeft witgewassen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van (ongeveer) (in totaal) 7.809.269 euro (AMB-053-01 en DOC-023-03), verworven en voorhanden gehad en daarvan (ongeveer) 3.915.822,32 euro en (ongeveer) (in totaal) 978.640 euro en 613.000 euro en/of 72.700 euro (AMB-006-01/01a), althans van enig(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en), (telkens) de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing van dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) heeft/hebben verborgen en/of verhuld, en/of (telkens) heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) is en/of dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) wist(en) dat voormeld(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf en/of hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) dat/die voorwerpen(en) en/of geldbedrag(en) heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen en/of heeft/hebben omgezet en/of van dat/die voorwerpen(en) en/of geldbedrag(en) gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) wist(en) dat voormeld(e) voorwerpen(en) en/of geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf. Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.