Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-01
ECLI:NL:GHARL:2026:2004
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.359.802/01 CJIB-nummer : 264398178 Uitspraak d.d. : 1 april 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 17 juli 2025, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verloop van de procedure De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De zaak is behandeld op de zitting van 18 maart 2026. De betrokkene is verschenen.De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam] . De beoordeling 1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 380,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 17 februari 2024 om 11.35 uur op de A2 in Nieuwer Ter Aa met het voertuig met het kenteken [kenteken] . 2. De betrokkene voert aan dat hij het niet eens is met de beslissing van de kantonrechter. Volgens de betrokkene is de beslissing gebaseerd op een interpretatie van de ambtenaar die stelt dat de telefoon ‘vastgeklemd’ zou zijn. De betrokkene heeft echter uitsluitend kort het scherm aangeraakt voor het bedienen van de navigatie, terwijl de telefoon los aan de onderzijde van het stuur lag. Het is dan ook niet objectief vast te stellen dat hij de telefoon daadwerkelijk in zijn hand hield of klemde. Verder merkt de betrokkene op dat de ambtenaar zelf heeft verklaard dat de telefoon zich aan de onderzijde van het stuur bevond. Dit ondersteunt het standpunt van de betrokkene dat hij geen telefoon in zijn hand ‘vasthield’. Bovendien zijn de verklaringen van de ambtenaar niet eenduidig. Het vasthouden van een telefoon met de duimen impliceert een andere handpositie en handeling dan het vasthouden van een telefoon ter hoogte van het stuur. Ook is niet duidelijk of deze handelingen gelijktijdig of consequent zijn waargenomen tijdens het passeren. Door deze wisselende en niet concrete beschrijvingen ontstaat er twijfel over de feitelijke waarneming en daarmee over de nauwkeurigheid en betrouwbaarheid van de verklaring van de ambtenaar, aldus de betrokkene. Verder voert de betrokkene aan dat de door hem gegeven verklaring in het zaakoverzicht over eventuele lijmresten niet juist is en hij deze direct heeft gecorrigeerd. Deze verwarring is waarschijnlijk ontstaan door de schrik en zijn DSM-diagnose (ADHD). Ter onderbouwing hiervan heeft de betrokkene een medische verklaring overgelegd. Volgens de betrokkene heeft de ambtenaar deze correctie niet doorgevoerd in het zaakoverzicht. De betrokkene heeft hierdoor het gevoel gekregen dat de ambtenaar het persoonlijk heeft opgevat en de betrokkene wil beboeten, ongeacht of dit feitelijk juist is of niet. Voorts legt de betrokkene uit dat de auto waarin hij reed hoger is dan die van de ambtenaar. Logischerwijs kan hij daardoor niet goed hebben gezien wat zich aan de onderkant van het stuur bevindt. Bovendien zou de ambtenaar aanvankelijk hebben aangegeven aanvullend bewijs in zijn bezit te hebben, maar kon dit op verzoek van de betrokkene niet overleggen. De betrokkene is dan ook van mening dat, nu er sprake is van redelijke twijfel of de betrokkene de telefoon daadwerkelijk heeft vastgeklemd, dit niet zonder meer kan leiden tot een sanctie. Het opleggen van een sanctie is dan ook in strijd met het beginsel van rechtszekerheid en het recht op een eerlijk proces. 3. De verweten gedraging betreft een overtreding van artikel 61a van het RVV 1990, en luidt als volgt: “Het is degene die een voertuig bestuurt verboden tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking vast te houden. Onder een mobiel elektronisch apparaat wordt in elk geval verstaan een mobiele telefoon, een tabletcomputer of een mediaspeler.” 4. Het hof stelt voorop dat het niet zo is dat de ambtenaar altijd in het gelijk wordt gesteld en op zijn woord wordt geloofd. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens in het dossier. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft. De Wahv stelt overigens niet als eis dat sprake is van wettig en overtuigend bewijs om een in de bijlage bij de Wahv omschreven gedraging vast te kunnen stellen. 5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: “Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een telefoon met de rechterhand, ter hoogte van het stuur vasthield. Ik zag een zwarte telefoon. Tijdens mijn waarneming heb ik duidelijk en onbelemmerd in/naar het voertuig en naar het mobiel elektronisch apparaat kunnen kijken. Bij de staandehouding zag ik dat het een Samsung betrof die ik herkende als het apparaat dat de bestuurder rijdend heeft vastgehouden. Tijdens de staandehouding verklaarde de verdachte dat hij de telefoon op het stuur geplakt had. Op het stuur waren geen lijmresten te zien en de telefoon was ook niet voorzien van iets dat de telefoon tegen het stuur kon plakken. Tijdens het passeren hebben wij, verbalisanten, duidelijk gezien dat de telefoon op de onderzijde van het stuur lag, waarbij de betrokkene de telefoon met zijn duimen geklemd tegen het stuur aan vasthield. (…) Aan de betrokkene is de cautie verleend. Bijlagen: een fotografische opname. (…) Verklaring betrokkene: ik had hem niet vast. De telefoon lag op het stuur.” 6. Daarnaast bevat het dossier een door de betrokkene ingebrachte foto. Hierop is te zien dat de handen van de betrokkene zich aan de zijkanten van het stuur bevinden en zijn telefoon tussen zijn handen op het middengedeelte van het stuur staat. De mobiele telefoon staat rechtop op de onderkant van het stuurwiel en leunt gedeeltelijk tegen het midden van het stuur aan. Ook is op de foto te zien dat de betrokkene in ieder geval met de zijkant van een hand de mobiele telefoon aanraakt/klemt. De betrokkene houdt het stuur aan weerszijden van het midden vast. Ter zitting heeft de betrokkene over deze foto nog verklaard dat hij deze heeft ingebracht om meer duidelijkheid te geven over het zicht wat de verbalisant zou hebben gehad op de betrokkene en zijn mobiele telefoon op het stuur. 7. Uit de verklaring van de ambtenaar volgt dat hij tijdens zijn waarneming duidelijk en onbelemmerd in het voertuig van de betrokkene heeft kunnen kijken en daarbij een mobiel elektronisch apparaat heeft waargenomen. Hetgeen is aangevoerd, leidt niet tot twijfel aan de opmerking dat de ambtenaar rechtstreeks zicht in het voertuig heeft gehad bij de waarneming van de gedraging. De door de betrokkene ingebrachte foto maakt dit niet anders, nu deze vanaf een hele andere positie is gemaakt dan de positie vanaf waar de verbalisant volgens de omschrijving in het zaakoverzicht een en ander heeft waargenomen. 8. Naar het oordeel van het hof is er verder geen sprake van tegenstrijdigheden in de verklaring van de ambtenaar.