Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-03-31
ECLI:NL:GHARL:2026:1952
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,093 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1952 text/xml public 2026-04-16T13:48:50 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-31 200.363.855 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1952 text/html public 2026-04-16T13:48:31 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1952 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 31-03-2026 / 200.363.855 Het hof bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter over de uithuisplaatsing. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.363.855 (zaaknummer rechtbank Gelderland 457722) beschikking van 31 maart 2026 over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige] , in de zaak van [verzoekster] (de moeder), die woont in [woonplaats] (gemeente [gemeentenaam] ), advocaat: mr. E. Schriemer, en de Raad voor de Kinderbescherming (de raad), die is gevestigd in Arnhem, en de gecertificeerde instelling, Stichting Jeugdbescherming Overijssel (de GI), die is gevestigd in Hengelo, belanghebbende in hoger beroep, en [belanghebbende1] en [belanghebbende2] (de netwerkpleegouders), informanten in hoger beroep. 1 Samenvatting De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft op 22 oktober 2025 [de minderjarige] onder toezicht van de GI gesteld en een machtiging tot uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin verleend, beide tot 22 oktober 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom. 2 De feiten 2.1. De moeder is de ouder van [de minderjarige] , geboren [in] 2011. 2.2. De moeder heeft alleen het gezag over [de minderjarige] . 2.3. [de minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de moeder, maar verblijft sinds november 2024 bij de netwerkpleegouders. 2.4. Op 7 juli 2025 heeft de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 7 oktober 2025. De kinderrechter heeft ook een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing uitgesproken tot 4 augustus 2025. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarna bij beschikking van de kinderrechter van 21 juli 2025 verleend tot 7 oktober 2025. 3 De procedure bij de kinderrechter 3.1. De raad heeft de kinderrechter verzocht om [de minderjarige] onder toezicht van de GI te stellen voor de duur van een jaar. Ook heeft de raad de kinderrechter verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. 3.2. De kinderrechter heeft op 22 oktober 2025 de verzoeken van de raad toegewezen en de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin van [de minderjarige] verleend tot 22 oktober 2026. 3.3. De kinderrechter heeft beslist dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing mogen worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (uitvoerbaar bij voorraad verklaard). 4 De procedure bij het hof 4.1. De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter over de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Zij komt daarvan in hoger beroep. De moeder heeft haar bezwaren tegen de ondertoezichtstelling tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. 4.2. De moeder wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter over de uithuisplaatsing ongedaan maakt en het verzoek van de raad alsnog afwijst. Als het hof dat niet doet, vraagt de moeder het hof om de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing te beperken tot zes maanden. 4.3. De raad en de GI willen dat de beslissing van de kinderrechter in stand blijft. De informatie die het hof heeft ontvangen 4.4. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen: het beroepschrift, ontvangen op 19 januari 2026; het verweerschrift van de raad. 4.5. [de minderjarige] heeft op 2 maart 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de uithuisplaatsing. 4.6. De zitting bij het hof was op 3 maart 2026. Aanwezig waren: - de moeder, met haar advocaat en bijgestaan door een tolk in de Somalische taal; - een vertegenwoordiger van de raad; - een vertegenwoordiger van de GI; - de netwerkpleegouders. 5 Het oordeel van het hof Wat in de wet staat 5.1. Op grond van artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter op verzoek van de GI of de raad aan de GI een machtiging geven om een kind uit huis te plaatsen. De kinderrechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding het kind of voor onderzoek van het kind. Het standpunt van de moeder 5.2. De moeder voert aan dat de machtiging tot uithuisplaatsing onterecht is verleend. De moeder stelt dat de kinderrechter niet heeft onderzocht of de maatregelen proportioneel en subsidiair zijn en niet heeft gekeken naar minder ingrijpende alternatieven. De moeder staat open voor hulpverlening. Er moet worden gekeken of de hulpverlening thuis kan worden ingezet, met intensieve ambulante ondersteuning voor de moeder. De GI heeft geen concreet plan opgesteld, met specifieke doelen van de uithuisplaatsing en interventies die bij de moeder worden ingezet. Zonder dit plan werkt de uithuisplaatsing als een sluiproute naar permanent verblijf buiten huis, zonder duidelijk perspectief. Daarnaast voert de moeder aan dat [de minderjarige] in een loyaliteitsconflict zit. Ze is loyaal aan de moeder en aan de netwerkpleegouders. Het ene moment mist zij de moeder en wil zij terug naar huis, maar op een ander moment wijst zij de moeder weer af. [de minderjarige] is explosief, kwetsbaar en gevoelig voor beïnvloeding. Dit is geen rechtvaardiging voor een uithuisplaatsing. Veel van deze problemen zouden juist verbeteren met ondersteuning thuis en herstel van begeleid contact met de moeder. Het standpunt van de raad 5.3. De raad voert aan dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is. [de minderjarige] heeft uitspraken gedaan over huiselijk geweld door de moeder. De moeder heeft verklaard dat zij wel eens een tik heeft uitgedeeld, maar herkent zich verder niet in het genoemde geweld. De visies en belevingen van [de minderjarige] en de moeder liggen ver uiteen. Ook als de mishandelingen niet hebben plaatsgevonden, is het zorgelijk dat [de minderjarige] dit vertelt. De relatie tussen [de minderjarige] en de moeder is erg verstoord en het is niet duidelijk wat daarvan de oorzaak is. [de minderjarige] en de moeder hebben behoefte aan contact, maar kunnen hieraan geen invulling geven op een constructieve manier. De ingezette hulp heeft daarin nog geen verandering gebracht. Hulpverlening in een vrijwillig kader is nog steeds ontoereikend en er zijn geen minder ingrijpende alternatieven om een stabiele en veilige opvoedomgeving voor [de minderjarige] te waarborgen. Het standpunt van de GI 5.4. De GI voert aan dat [de minderjarige] beschadigd is door ervaringen in het verleden. Het lukt de GI niet om met de moeder in gesprek te gaan. De gesprekken gaan vooral over de uitleg van de betekenis en doelen van de ondertoezichtstelling en blijven daarin steken. Een inhoudelijk niveau wordt niet bereikt. [de minderjarige] heeft bepaalde dingen nodig van de moeder. De GI heeft het idee dat de moeder ervaart dat [de minderjarige] het probleem is en dat het gedrag van [de minderjarige] moet veranderen. Het oordeel van het hof 5.5. Het hof is net als de kinderrechter van oordeel dat de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] tot 22 oktober 2026 noodzakelijk is. Het hof zal daarom de beslissing van de kinderrechter bekrachtigen. Het hof sluit aan bij de motivering van de kinderrechter en voegt daar nog het volgende aan toe. 5.6. In juli 2025 is [de minderjarige] bij de raad in beeld gekomen, omdat er zorgen over haar waren. [de minderjarige] vertelde dat zij door de moeder werd mishandeld, thuis was er vaak ruzie en [de minderjarige] ging een tijd niet naar school. [de minderjarige] woont sinds november 2024 niet meer bij de moeder. Zij verbleef aanvankelijk vrijwillig bij de netwerkpleegouders (vrienden van de moeder), maar de moeder staat sinds juli 2025 niet meer achter die vrijwillige plaatsing, waardoor een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn verleend. 5.7.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1952 text/xml public 2026-04-16T13:48:50 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-31 200.363.855 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1952 text/html public 2026-04-16T13:48:31 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1952 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 31-03-2026 / 200.363.855 Het hof bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter over de uithuisplaatsing. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.363.855 (zaaknummer rechtbank Gelderland 457722) beschikking van 31 maart 2026 over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige] , in de zaak van [verzoekster] (de moeder), die woont in [woonplaats] (gemeente [gemeentenaam] ), advocaat: mr. E. Schriemer, en de Raad voor de Kinderbescherming (de raad), die is gevestigd in Arnhem, en de gecertificeerde instelling, Stichting Jeugdbescherming Overijssel (de GI), die is gevestigd in Hengelo, belanghebbende in hoger beroep, en [belanghebbende1] en [belanghebbende2] (de netwerkpleegouders), informanten in hoger beroep. 1 Samenvatting De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft op 22 oktober 2025 [de minderjarige] onder toezicht van de GI gesteld en een machtiging tot uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin verleend, beide tot 22 oktober 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom. 2 De feiten 2.1. De moeder is de ouder van [de minderjarige] , geboren [in] 2011. 2.2. De moeder heeft alleen het gezag over [de minderjarige] . 2.3. [de minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de moeder, maar verblijft sinds november 2024 bij de netwerkpleegouders. 2.4. Op 7 juli 2025 heeft de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 7 oktober 2025. De kinderrechter heeft ook een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing uitgesproken tot 4 augustus 2025. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarna bij beschikking van de kinderrechter van 21 juli 2025 verleend tot 7 oktober 2025. 3 De procedure bij de kinderrechter 3.1. De raad heeft de kinderrechter verzocht om [de minderjarige] onder toezicht van de GI te stellen voor de duur van een jaar. Ook heeft de raad de kinderrechter verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. 3.2. De kinderrechter heeft op 22 oktober 2025 de verzoeken van de raad toegewezen en de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin van [de minderjarige] verleend tot 22 oktober 2026. 3.3. De kinderrechter heeft beslist dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing mogen worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (uitvoerbaar bij voorraad verklaard). 4 De procedure bij het hof 4.1. De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter over de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Zij komt daarvan in hoger beroep. De moeder heeft haar bezwaren tegen de ondertoezichtstelling tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. 4.2. De moeder wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter over de uithuisplaatsing ongedaan maakt en het verzoek van de raad alsnog afwijst. Als het hof dat niet doet, vraagt de moeder het hof om de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing te beperken tot zes maanden. 4.3. De raad en de GI willen dat de beslissing van de kinderrechter in stand blijft. De informatie die het hof heeft ontvangen 4.4. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen: het beroepschrift, ontvangen op 19 januari 2026; het verweerschrift van de raad. 4.5. [de minderjarige] heeft op 2 maart 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de uithuisplaatsing. 4.6. De zitting bij het hof was op 3 maart 2026. Aanwezig waren: - de moeder, met haar advocaat en bijgestaan door een tolk in de Somalische taal; - een vertegenwoordiger van de raad; - een vertegenwoordiger van de GI; - de netwerkpleegouders. 5 Het oordeel van het hof Wat in de wet staat 5.1. Op grond van artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter op verzoek van de GI of de raad aan de GI een machtiging geven om een kind uit huis te plaatsen. De kinderrechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding het kind of voor onderzoek van het kind. Het standpunt van de moeder 5.2. De moeder voert aan dat de machtiging tot uithuisplaatsing onterecht is verleend. De moeder stelt dat de kinderrechter niet heeft onderzocht of de maatregelen proportioneel en subsidiair zijn en niet heeft gekeken naar minder ingrijpende alternatieven. De moeder staat open voor hulpverlening. Er moet worden gekeken of de hulpverlening thuis kan worden ingezet, met intensieve ambulante ondersteuning voor de moeder. De GI heeft geen concreet plan opgesteld, met specifieke doelen van de uithuisplaatsing en interventies die bij de moeder worden ingezet. Zonder dit plan werkt de uithuisplaatsing als een sluiproute naar permanent verblijf buiten huis, zonder duidelijk perspectief. Daarnaast voert de moeder aan dat [de minderjarige] in een loyaliteitsconflict zit. Ze is loyaal aan de moeder en aan de netwerkpleegouders. Het ene moment mist zij de moeder en wil zij terug naar huis, maar op een ander moment wijst zij de moeder weer af. [de minderjarige] is explosief, kwetsbaar en gevoelig voor beïnvloeding. Dit is geen rechtvaardiging voor een uithuisplaatsing. Veel van deze problemen zouden juist verbeteren met ondersteuning thuis en herstel van begeleid contact met de moeder. Het standpunt van de raad 5.3. De raad voert aan dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is. [de minderjarige] heeft uitspraken gedaan over huiselijk geweld door de moeder. De moeder heeft verklaard dat zij wel eens een tik heeft uitgedeeld, maar herkent zich verder niet in het genoemde geweld. De visies en belevingen van [de minderjarige] en de moeder liggen ver uiteen. Ook als de mishandelingen niet hebben plaatsgevonden, is het zorgelijk dat [de minderjarige] dit vertelt. De relatie tussen [de minderjarige] en de moeder is erg verstoord en het is niet duidelijk wat daarvan de oorzaak is. [de minderjarige] en de moeder hebben behoefte aan contact, maar kunnen hieraan geen invulling geven op een constructieve manier. De ingezette hulp heeft daarin nog geen verandering gebracht. Hulpverlening in een vrijwillig kader is nog steeds ontoereikend en er zijn geen minder ingrijpende alternatieven om een stabiele en veilige opvoedomgeving voor [de minderjarige] te waarborgen. Het standpunt van de GI 5.4. De GI voert aan dat [de minderjarige] beschadigd is door ervaringen in het verleden. Het lukt de GI niet om met de moeder in gesprek te gaan. De gesprekken gaan vooral over de uitleg van de betekenis en doelen van de ondertoezichtstelling en blijven daarin steken. Een inhoudelijk niveau wordt niet bereikt. [de minderjarige] heeft bepaalde dingen nodig van de moeder. De GI heeft het idee dat de moeder ervaart dat [de minderjarige] het probleem is en dat het gedrag van [de minderjarige] moet veranderen. Het oordeel van het hof 5.5. Het hof is net als de kinderrechter van oordeel dat de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] tot 22 oktober 2026 noodzakelijk is. Het hof zal daarom de beslissing van de kinderrechter bekrachtigen. Het hof sluit aan bij de motivering van de kinderrechter en voegt daar nog het volgende aan toe. 5.6. In juli 2025 is [de minderjarige] bij de raad in beeld gekomen, omdat er zorgen over haar waren. [de minderjarige] vertelde dat zij door de moeder werd mishandeld, thuis was er vaak ruzie en [de minderjarige] ging een tijd niet naar school. [de minderjarige] woont sinds november 2024 niet meer bij de moeder. Zij verbleef aanvankelijk vrijwillig bij de netwerkpleegouders (vrienden van de moeder), maar de moeder staat sinds juli 2025 niet meer achter die vrijwillige plaatsing, waardoor een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn verleend. 5.7.