Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-03-31
ECLI:NL:GHARL:2026:1929
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,082 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1929 text/xml public 2026-04-14T08:39:21 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-31 200.360.851/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1929 text/html public 2026-04-14T08:38:16 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1929 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 31-03-2026 / 200.360.851/01 Omgangsregeling tijdens OTS. De beslissing van de rechtbank over opschorting van de zorgregeling tussen de kinderen en de moeder en het verlenen van regie aan de GI over hervatting daarvan, wordt bekrachtigd omdat er te weinig verandering is in het gedrag van de moeder. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.360.851/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 200922) beschikking van 31 maart 2026 in de zaak van [verzoekster] (de moeder), die woont in [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam, en de gecertificeerde instelling, Regiecentrum Bescherming en Veiligheid (de GI), gevestigd te Leeuwarden. In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend: de raad voor de kinderbescherming (de raad), regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden. 1 De procedure in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 17 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking). 2 De procedure in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 17 oktober 2025; - een journaalbericht namens de moeder van 5 november 2025 met bijlage(n); - een brief van de raad van 13 november 2025, waarin de raad meldt niet over recente rapportages of adviezen te beschikken; - het verweerschrift met bijlage(n); - een brief van de GI van 17 februari 2026 met bijlage(n). 2.2 De hierna nader te noemen minderjarigen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken met betrekking tot de omgangsregeling met de moeder. [de minderjarige1] heeft het hof een brief geschreven en [de minderjarige2] heeft op 2 maart 2026 een gesprek gevoerd met een raadsheer van het hof, in aanwezigheid van de griffier. 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 3 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn: - de advocaat van de moeder; - drie vertegenwoordigers van de GI. 3 De feiten 3.1 [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn geboren [in] 2012. De moeder heeft het ouderlijk gezag over hen. 3.2 Bij beschikking van 2 augustus 2023 zijn [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van 12 december 2023 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Deze maatregelen zijn nadien telkens verlengd, voor het laatst bij de bestreden beschikking. De huidige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing gelden tot 2 augustus 2026. [de minderjarige1] woont in een gezinshuis. [de minderjarige2] woont tijdelijk bij zijn oma (moederszijde), waarbij op de zitting duidelijk werd dat [de minderjarige2] op dat moment feitelijk bij zijn oom verbleef. 3.3 Bij beschikking van 22 april 2024 heeft de kinderrechter - in het kader van de beoordeling van een schriftelijke aanwijzing van de GI - een zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vastgesteld op grond waarvan zij eerst vier keer op donderdag gedurende anderhalf uur begeleide omgang hebben bij de moeder thuis. De omgang wordt daarna uitgebreid met het avondeten als de GI van mening is dat de eerste vier keer positief zijn verlopen. 3.4 Op 24 juni 2024 is de omgang door de GI stopgezet om veiligheidsredenen. In november 2024 is de omgang hervat. Sinds incidenten op 9 en 10 juli 2025 ligt de omgang tussen de moeder en de kinderen opnieuw stil. 3.5 De GI heeft de moeder bij brief van 30 december 2025 laten weten dat zij een perspectiefbesluit genomen heeft, dat inhoudt dat de GI vindt dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] niet bij de moeder kunnen opgroeien. 4 De omvang van het geschil 4.1 Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - bestreden beschikking heeft de kinderrechter onder andere de bij beschikking van 22 april 2024 vastgestelde zorg- en contactregeling gewijzigd en bepaald dat de omgang tussen de moeder en de kinderen wordt opgeschort, waarbij de GI de regie voert over het hervatten van de omgang, de frequentie, locatie, duur en het uitbreiden van de omgang. 4.2 De moeder komt met één grief in hoger beroep van de bestreden beschikking. Deze grief heeft enkel betrekking op de beslissing over de opschorting van de omgang. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt: voor zover het de opschorting van de omgang betreft) en primair: I. het verzoek van de GI om de omgang tussen de moeder en de minderjarigen te schorsen en de regie van de omgang bij de GI te leggen af te wijzen; en II. een omgangsregeling vast te stellen waarbij de moeder elke donderdag van 15:00 tot 18:30 uur (tot na het avondeten) onbegeleide omgang heeft met de minderjarigen bij haar thuis alsmede te bepalen dat de moeder voor diezelfde duur een extra en afzonderlijk omgangsmoment heeft met [de minderjarige2] en [de minderjarige1] . subsidiair: III. het verzoek van de GI om de omgang tussen de moeder en de minderjarigen te schorsen en de regie van de omgang bij de GI te leggen, af te wijzen; en IV. een omgangsregeling vast te stellen waarbij de moeder elke donderdag van 15:00 tot 18:30 uur (tot na het avondeten) bij de moeder thuis, begeleid door [naam] , omgang heeft met de minderjarigen. meer subsidiair: V. het verzoek van de GI om de omgang tussen de moeder en de minderjarigen te schorsen en de regie van de omgang bij de GI te leggen, af te wijzen, opdat de oude regeling weer komt te gelden, dan wel een regeling te bepalen die Uw hof in goede justitie juist acht. 4.3 De GI voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking in stand te laten. 5 De motivering van de beslissing 5.1 Ingevolge het eerste lid van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Op grond van artikel 1:265g lid 2 BW kan de kinderrechter de in het eerste lid genoemde beslissing wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. 5.2 Het hof is van oordeel dat de kinderrechter terecht en op de juiste gronden heeft besloten om de omgang tussen de moeder en de kinderen op te schorten en de GI de regie te geven over (de voorwaarden voor) het hervatten van de omgang. Het hof neemt de overwegingen van de kinderrechter na eigen onderzoek over en voegt hier nog het volgende aan toe. 5.3 De situatie in juli 2025 was dusdanig verontrustend dat de veiligheid van de kinderen tijdens de omgang met de moeder onvoldoende kon worden gewaarborgd. Bovendien kwam een evaluerend gesprek hierover met de moeder niet van de grond, omdat zij niet reageerde op de diverse pogingen van de GI om in contact te komen. Hierdoor was het in het belang van de kinderen op dat moment noodzakelijk om de omgang op te schorten. Zoals de kinderrechter terecht heeft overwogen betekende het opschorten van de omgang niet dat de omgang tussen de moeder en de kinderen langdurig stil hoefde te liggen: het was aan de moeder om het gesprek met de GI aan te gaan over de wijze waarop de omgang veilig zou kunnen worden hervat. Dit is nog steeds het geval. Als de moeder het gesprek aangaat en meewerkt om een voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] veilige en betrouwbare omgeving te bieden, dan kan het contact tussen haar en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] weer worden opgebouwd.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1929 text/xml public 2026-04-14T08:39:21 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-31 200.360.851/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1929 text/html public 2026-04-14T08:38:16 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1929 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 31-03-2026 / 200.360.851/01 Omgangsregeling tijdens OTS. De beslissing van de rechtbank over opschorting van de zorgregeling tussen de kinderen en de moeder en het verlenen van regie aan de GI over hervatting daarvan, wordt bekrachtigd omdat er te weinig verandering is in het gedrag van de moeder. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.360.851/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 200922) beschikking van 31 maart 2026 in de zaak van [verzoekster] (de moeder), die woont in [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam, en de gecertificeerde instelling, Regiecentrum Bescherming en Veiligheid (de GI), gevestigd te Leeuwarden. In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend: de raad voor de kinderbescherming (de raad), regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden. 1 De procedure in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 17 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking). 2 De procedure in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 17 oktober 2025; - een journaalbericht namens de moeder van 5 november 2025 met bijlage(n); - een brief van de raad van 13 november 2025, waarin de raad meldt niet over recente rapportages of adviezen te beschikken; - het verweerschrift met bijlage(n); - een brief van de GI van 17 februari 2026 met bijlage(n). 2.2 De hierna nader te noemen minderjarigen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken met betrekking tot de omgangsregeling met de moeder. [de minderjarige1] heeft het hof een brief geschreven en [de minderjarige2] heeft op 2 maart 2026 een gesprek gevoerd met een raadsheer van het hof, in aanwezigheid van de griffier. 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 3 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn: - de advocaat van de moeder; - drie vertegenwoordigers van de GI. 3 De feiten 3.1 [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn geboren [in] 2012. De moeder heeft het ouderlijk gezag over hen. 3.2 Bij beschikking van 2 augustus 2023 zijn [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van 12 december 2023 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Deze maatregelen zijn nadien telkens verlengd, voor het laatst bij de bestreden beschikking. De huidige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing gelden tot 2 augustus 2026. [de minderjarige1] woont in een gezinshuis. [de minderjarige2] woont tijdelijk bij zijn oma (moederszijde), waarbij op de zitting duidelijk werd dat [de minderjarige2] op dat moment feitelijk bij zijn oom verbleef. 3.3 Bij beschikking van 22 april 2024 heeft de kinderrechter - in het kader van de beoordeling van een schriftelijke aanwijzing van de GI - een zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vastgesteld op grond waarvan zij eerst vier keer op donderdag gedurende anderhalf uur begeleide omgang hebben bij de moeder thuis. De omgang wordt daarna uitgebreid met het avondeten als de GI van mening is dat de eerste vier keer positief zijn verlopen. 3.4 Op 24 juni 2024 is de omgang door de GI stopgezet om veiligheidsredenen. In november 2024 is de omgang hervat. Sinds incidenten op 9 en 10 juli 2025 ligt de omgang tussen de moeder en de kinderen opnieuw stil. 3.5 De GI heeft de moeder bij brief van 30 december 2025 laten weten dat zij een perspectiefbesluit genomen heeft, dat inhoudt dat de GI vindt dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] niet bij de moeder kunnen opgroeien. 4 De omvang van het geschil 4.1 Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - bestreden beschikking heeft de kinderrechter onder andere de bij beschikking van 22 april 2024 vastgestelde zorg- en contactregeling gewijzigd en bepaald dat de omgang tussen de moeder en de kinderen wordt opgeschort, waarbij de GI de regie voert over het hervatten van de omgang, de frequentie, locatie, duur en het uitbreiden van de omgang. 4.2 De moeder komt met één grief in hoger beroep van de bestreden beschikking. Deze grief heeft enkel betrekking op de beslissing over de opschorting van de omgang. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt: voor zover het de opschorting van de omgang betreft) en primair: I. het verzoek van de GI om de omgang tussen de moeder en de minderjarigen te schorsen en de regie van de omgang bij de GI te leggen af te wijzen; en II. een omgangsregeling vast te stellen waarbij de moeder elke donderdag van 15:00 tot 18:30 uur (tot na het avondeten) onbegeleide omgang heeft met de minderjarigen bij haar thuis alsmede te bepalen dat de moeder voor diezelfde duur een extra en afzonderlijk omgangsmoment heeft met [de minderjarige2] en [de minderjarige1] . subsidiair: III. het verzoek van de GI om de omgang tussen de moeder en de minderjarigen te schorsen en de regie van de omgang bij de GI te leggen, af te wijzen; en IV. een omgangsregeling vast te stellen waarbij de moeder elke donderdag van 15:00 tot 18:30 uur (tot na het avondeten) bij de moeder thuis, begeleid door [naam] , omgang heeft met de minderjarigen. meer subsidiair: V. het verzoek van de GI om de omgang tussen de moeder en de minderjarigen te schorsen en de regie van de omgang bij de GI te leggen, af te wijzen, opdat de oude regeling weer komt te gelden, dan wel een regeling te bepalen die Uw hof in goede justitie juist acht. 4.3 De GI voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking in stand te laten. 5 De motivering van de beslissing 5.1 Ingevolge het eerste lid van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Op grond van artikel 1:265g lid 2 BW kan de kinderrechter de in het eerste lid genoemde beslissing wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. 5.2 Het hof is van oordeel dat de kinderrechter terecht en op de juiste gronden heeft besloten om de omgang tussen de moeder en de kinderen op te schorten en de GI de regie te geven over (de voorwaarden voor) het hervatten van de omgang. Het hof neemt de overwegingen van de kinderrechter na eigen onderzoek over en voegt hier nog het volgende aan toe. 5.3 De situatie in juli 2025 was dusdanig verontrustend dat de veiligheid van de kinderen tijdens de omgang met de moeder onvoldoende kon worden gewaarborgd. Bovendien kwam een evaluerend gesprek hierover met de moeder niet van de grond, omdat zij niet reageerde op de diverse pogingen van de GI om in contact te komen. Hierdoor was het in het belang van de kinderen op dat moment noodzakelijk om de omgang op te schorten. Zoals de kinderrechter terecht heeft overwogen betekende het opschorten van de omgang niet dat de omgang tussen de moeder en de kinderen langdurig stil hoefde te liggen: het was aan de moeder om het gesprek met de GI aan te gaan over de wijze waarop de omgang veilig zou kunnen worden hervat. Dit is nog steeds het geval. Als de moeder het gesprek aangaat en meewerkt om een voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] veilige en betrouwbare omgeving te bieden, dan kan het contact tussen haar en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] weer worden opgebouwd.