Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-03-30
ECLI:NL:GHARL:2026:1918
Strafrecht
Hoger beroep
12,282 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1918 text/xml public 2026-04-08T10:42:49 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-30 21-001411-23 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1918 text/html public 2026-04-08T10:42:07 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1918 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 30-03-2026 / 21-001411-23 Vrijspraak voor het aanwezig hebben van amfetamine en MDMA. Anders dan de verdediging, is het hof van oordeel dat de binnentreding in de woning van verdachte rechtmatig is geweest, zodat bewijsuitsluiting niet aan de orde is. Toch acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over de drugs in zijn woning. Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001411-23 Uitspraakdatum: 30 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 21 maart 2023 met parketnummer 08-335864-21 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] , wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] . Hoger beroep Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel. Onderzoek van de zaak Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 16 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.O.A.N. de Vries, hebben aangevoerd. Het vonnis waarvan beroep De politierechter heeft bij vonnis van 21 maart 2023, waartegen het beroep is gericht, verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken. Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht. Tenlastelegging Op de zitting bij de politierechter is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat: hij, op of omstreeks 10 november 2020, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 129,78 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 44,48 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Vrijspraak Op de zitting van het hof is door de raadsvrouw primair vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, omdat sprake zou zijn van een onherstelbaar vormverzuim. De politie is de woning van verdachte binnengetreden zonder dat vooraf een schriftelijk vastgelegde machtiging aan verdachte is getoond. Bovendien zet de raadsvrouw vraagtekens bij de beslissing van de rechter-commissaris om niet zelf naar de woning af te reizen. Tegelijkertijd circuleren er verschillende bevoegdheidsgrondslagen in het dossier, zonder dat duidelijk is welke is toegepast. Dit alles heeft volgens de raadsvrouw tot gevolg dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Gelet op de ernst van het verzuim, het belang van de geschonden norm en het nadeel voor verdachte moet het verzuim worden gesanctioneerd met bewijsuitsluiting, aldus de raadsvrouw. Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Bij de politie is gemeld dat de woning van verdachte een dealpand was. Naar aanleiding daarvan heeft de politie op 10 november 2020 post gevat bij de woning van verdachte om te zien of er dealverkeer was. Op een bepaald moment zagen agenten dat er een man het pand in ging, die kort daarop het pand verliet met een oranje plastic tas. Bij controle bleek dat er illegaal zwaar knalvuurwerk in de oranje tas zat. De man vertelde dat er nog meer vuurwerk lag opgeslagen in de berging van de woning. Hierop heeft de hulpofficier van justitie contact opgenomen met de officier van justitie ter zake een doorzoeking ter inbeslagname op grond van artikel 97 wetboek van strafvordering. De officier van justitie nam mondeling contact op met de Rechter-Commissaris, die op voormelde datum om 19.45 uur een mondelinge machtiging aan de hulpofficier van justitie verleende tot doorzoeking van de woning van verdachte. De officier van justitie heeft op 17 november 2020 de mondelinge vordering schriftelijk bevestigd en de rechter-commissaris heeft op 25 november 2020 schriftelijk de mondelinge machtiging aan de hulpofficier van justitie tot doorzoeking van de woning van verdachte bevestigd. De hulpofficier van justitie betrad op 10 november 2020 omstreeks 20.15 uur de woning van verdachte ter doorzoeking en inbeslagneming krachtens de verleende mondelinge machtiging van de rechter-commissaris. Voorafgaand aan het binnentreden van de woning deelde hij het doel van het binnentreden mee, maar toonde geen machtiging omdat er is binnengetreden met een machtiging van de rechter-commissaris. Het binnentreden vond vervolgens plaats met toestemming van de bewoner. Gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken is het hof van oordeel dat verbalisanten niet onrechtmatig zijn binnengetreden in de woning. Het is duidelijk op basis van welke grondslag is binnengetreden. Ook staat vast dat door de rechter-commissaris voorafgaand aan de doorzoeking een mondelinge machtiging aan de hulpofficier van justitie is gegeven tot doorzoeking van de woning van verdachte. Het hof ziet geen redenen om te twijfelen aan het oordeel van zowel de rechter-commissaris als de officier van justitie dat hun komst niet kon worden afgewacht en daarmee volstond in deze situatie de mondelinge machtiging. De hulpofficier van justitie heeft tot slot geen eigen machtiging hoeven tonen nu werd binnen getreden met een machtiging van de rechter-commissaris. Van een vormverzuim is geen sprake. Verdachte ontkent te hebben geweten dat er amfetamine en MDMA in de kluis in zijn slaapkamer lag. Door en namens verdachte is op de zitting van het hof het volgende alternatieve scenario naar voren gebracht: Ten tijde van het feit zat verdachte in een rolstoel vanwege een gebroken enkel. Een neef en buurjongens van hem hielpen hem met boodschappen doen en pasten op zijn kat. Deze jongens hadden een sleutel van de woning van verdachte. Eén van deze jongens zou de amfetamine en MDMA in de kluis in de slaapkamer van verdachte kunnen hebben verstopt zonder zijn medeweten. Verdachte was namelijk wel eens van huis vanwege ziekenhuisbezoeken. Ook kon hij, omdat hij in een rolstoel zat, zelf niet in zijn slaapkamer komen. Verdachte gebruikte de kluis niet en had om die reden de sleutel in de kluis gelaten. De sleutel van de kluis was verdachte destijds echter al langere tijd kwijt. Het hof stelt voorop dat voor de vraag of verdachte opzettelijk drugs aanwezig heeft gehad als bedoeld in art. 2 onder C Opiumwet, van belang is of deze drugs zich in de machtssfeer van verdachte bevinden (beschikkingsmacht) en of verdachte weet van de aanwezigheid van de drugs, althans van de aanmerkelijke kans daarop (wetenschap). Het hof overweegt dat uit het dossier niet ondubbelzinnig naar voren komt dat verdachte wist van de drugs die in zijn woning zijn aangetroffen. Ook over de beschikkingsmacht over de drugs biedt het dossier geen uitsluitsel, nu deze zijn aangetroffen in een gesloten kluis waarvan de sleutel niet in de woning van verdachte lijkt te zijn gevonden. Tegelijk biedt het dossier wel aanwijzingen dat anderen dan verdachte toegang hadden tot zijn woning en dat tenminste één van hen ook daadwerkelijk spullen in of bij zijn woning opsloeg.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1918 text/xml public 2026-04-08T10:42:49 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-30 21-001411-23 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1918 text/html public 2026-04-08T10:42:07 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1918 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 30-03-2026 / 21-001411-23 Vrijspraak voor het aanwezig hebben van amfetamine en MDMA. Anders dan de verdediging, is het hof van oordeel dat de binnentreding in de woning van verdachte rechtmatig is geweest, zodat bewijsuitsluiting niet aan de orde is. Toch acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over de drugs in zijn woning. Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001411-23 Uitspraakdatum: 30 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 21 maart 2023 met parketnummer 08-335864-21 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] , wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] . Hoger beroep Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel. Onderzoek van de zaak Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 16 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.O.A.N. de Vries, hebben aangevoerd. Het vonnis waarvan beroep De politierechter heeft bij vonnis van 21 maart 2023, waartegen het beroep is gericht, verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken. Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht. Tenlastelegging Op de zitting bij de politierechter is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat: hij, op of omstreeks 10 november 2020, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 129,78 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 44,48 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Vrijspraak Op de zitting van het hof is door de raadsvrouw primair vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, omdat sprake zou zijn van een onherstelbaar vormverzuim. De politie is de woning van verdachte binnengetreden zonder dat vooraf een schriftelijk vastgelegde machtiging aan verdachte is getoond. Bovendien zet de raadsvrouw vraagtekens bij de beslissing van de rechter-commissaris om niet zelf naar de woning af te reizen. Tegelijkertijd circuleren er verschillende bevoegdheidsgrondslagen in het dossier, zonder dat duidelijk is welke is toegepast. Dit alles heeft volgens de raadsvrouw tot gevolg dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Gelet op de ernst van het verzuim, het belang van de geschonden norm en het nadeel voor verdachte moet het verzuim worden gesanctioneerd met bewijsuitsluiting, aldus de raadsvrouw. Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Bij de politie is gemeld dat de woning van verdachte een dealpand was. Naar aanleiding daarvan heeft de politie op 10 november 2020 post gevat bij de woning van verdachte om te zien of er dealverkeer was. Op een bepaald moment zagen agenten dat er een man het pand in ging, die kort daarop het pand verliet met een oranje plastic tas. Bij controle bleek dat er illegaal zwaar knalvuurwerk in de oranje tas zat. De man vertelde dat er nog meer vuurwerk lag opgeslagen in de berging van de woning. Hierop heeft de hulpofficier van justitie contact opgenomen met de officier van justitie ter zake een doorzoeking ter inbeslagname op grond van artikel 97 wetboek van strafvordering. De officier van justitie nam mondeling contact op met de Rechter-Commissaris, die op voormelde datum om 19.45 uur een mondelinge machtiging aan de hulpofficier van justitie verleende tot doorzoeking van de woning van verdachte. De officier van justitie heeft op 17 november 2020 de mondelinge vordering schriftelijk bevestigd en de rechter-commissaris heeft op 25 november 2020 schriftelijk de mondelinge machtiging aan de hulpofficier van justitie tot doorzoeking van de woning van verdachte bevestigd. De hulpofficier van justitie betrad op 10 november 2020 omstreeks 20.15 uur de woning van verdachte ter doorzoeking en inbeslagneming krachtens de verleende mondelinge machtiging van de rechter-commissaris. Voorafgaand aan het binnentreden van de woning deelde hij het doel van het binnentreden mee, maar toonde geen machtiging omdat er is binnengetreden met een machtiging van de rechter-commissaris. Het binnentreden vond vervolgens plaats met toestemming van de bewoner. Gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken is het hof van oordeel dat verbalisanten niet onrechtmatig zijn binnengetreden in de woning. Het is duidelijk op basis van welke grondslag is binnengetreden. Ook staat vast dat door de rechter-commissaris voorafgaand aan de doorzoeking een mondelinge machtiging aan de hulpofficier van justitie is gegeven tot doorzoeking van de woning van verdachte. Het hof ziet geen redenen om te twijfelen aan het oordeel van zowel de rechter-commissaris als de officier van justitie dat hun komst niet kon worden afgewacht en daarmee volstond in deze situatie de mondelinge machtiging. De hulpofficier van justitie heeft tot slot geen eigen machtiging hoeven tonen nu werd binnen getreden met een machtiging van de rechter-commissaris. Van een vormverzuim is geen sprake. Verdachte ontkent te hebben geweten dat er amfetamine en MDMA in de kluis in zijn slaapkamer lag. Door en namens verdachte is op de zitting van het hof het volgende alternatieve scenario naar voren gebracht: Ten tijde van het feit zat verdachte in een rolstoel vanwege een gebroken enkel. Een neef en buurjongens van hem hielpen hem met boodschappen doen en pasten op zijn kat. Deze jongens hadden een sleutel van de woning van verdachte. Eén van deze jongens zou de amfetamine en MDMA in de kluis in de slaapkamer van verdachte kunnen hebben verstopt zonder zijn medeweten. Verdachte was namelijk wel eens van huis vanwege ziekenhuisbezoeken. Ook kon hij, omdat hij in een rolstoel zat, zelf niet in zijn slaapkamer komen. Verdachte gebruikte de kluis niet en had om die reden de sleutel in de kluis gelaten. De sleutel van de kluis was verdachte destijds echter al langere tijd kwijt. Het hof stelt voorop dat voor de vraag of verdachte opzettelijk drugs aanwezig heeft gehad als bedoeld in art. 2 onder C Opiumwet, van belang is of deze drugs zich in de machtssfeer van verdachte bevinden (beschikkingsmacht) en of verdachte weet van de aanwezigheid van de drugs, althans van de aanmerkelijke kans daarop (wetenschap). Het hof overweegt dat uit het dossier niet ondubbelzinnig naar voren komt dat verdachte wist van de drugs die in zijn woning zijn aangetroffen. Ook over de beschikkingsmacht over de drugs biedt het dossier geen uitsluitsel, nu deze zijn aangetroffen in een gesloten kluis waarvan de sleutel niet in de woning van verdachte lijkt te zijn gevonden. Tegelijk biedt het dossier wel aanwijzingen dat anderen dan verdachte toegang hadden tot zijn woning en dat tenminste één van hen ook daadwerkelijk spullen in of bij zijn woning opsloeg.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1918 text/xml public 2026-04-08T10:42:49 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-30 21-001411-23 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1918 text/html public 2026-04-08T10:42:07 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1918 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 30-03-2026 / 21-001411-23 Vrijspraak voor het aanwezig hebben van amfetamine en MDMA. Anders dan de verdediging, is het hof van oordeel dat de binnentreding in de woning van verdachte rechtmatig is geweest, zodat bewijsuitsluiting niet aan de orde is. Toch acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over de drugs in zijn woning. Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001411-23 Uitspraakdatum: 30 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 21 maart 2023 met parketnummer 08-335864-21 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] , wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] . Hoger beroep Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel. Onderzoek van de zaak Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 16 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.O.A.N. de Vries, hebben aangevoerd. Het vonnis waarvan beroep De politierechter heeft bij vonnis van 21 maart 2023, waartegen het beroep is gericht, verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken. Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht. Tenlastelegging Op de zitting bij de politierechter is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat: hij, op of omstreeks 10 november 2020, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 129,78 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 44,48 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Vrijspraak Op de zitting van het hof is door de raadsvrouw primair vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, omdat sprake zou zijn van een onherstelbaar vormverzuim. De politie is de woning van verdachte binnengetreden zonder dat vooraf een schriftelijk vastgelegde machtiging aan verdachte is getoond. Bovendien zet de raadsvrouw vraagtekens bij de beslissing van de rechter-commissaris om niet zelf naar de woning af te reizen. Tegelijkertijd circuleren er verschillende bevoegdheidsgrondslagen in het dossier, zonder dat duidelijk is welke is toegepast. Dit alles heeft volgens de raadsvrouw tot gevolg dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Gelet op de ernst van het verzuim, het belang van de geschonden norm en het nadeel voor verdachte moet het verzuim worden gesanctioneerd met bewijsuitsluiting, aldus de raadsvrouw. Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Bij de politie is gemeld dat de woning van verdachte een dealpand was. Naar aanleiding daarvan heeft de politie op 10 november 2020 post gevat bij de woning van verdachte om te zien of er dealverkeer was. Op een bepaald moment zagen agenten dat er een man het pand in ging, die kort daarop het pand verliet met een oranje plastic tas. Bij controle bleek dat er illegaal zwaar knalvuurwerk in de oranje tas zat. De man vertelde dat er nog meer vuurwerk lag opgeslagen in de berging van de woning. Hierop heeft de hulpofficier van justitie contact opgenomen met de officier van justitie ter zake een doorzoeking ter inbeslagname op grond van artikel 97 wetboek van strafvordering. De officier van justitie nam mondeling contact op met de Rechter-Commissaris, die op voormelde datum om 19.45 uur een mondelinge machtiging aan de hulpofficier van justitie verleende tot doorzoeking van de woning van verdachte. De officier van justitie heeft op 17 november 2020 de mondelinge vordering schriftelijk bevestigd en de rechter-commissaris heeft op 25 november 2020 schriftelijk de mondelinge machtiging aan de hulpofficier van justitie tot doorzoeking van de woning van verdachte bevestigd. De hulpofficier van justitie betrad op 10 november 2020 omstreeks 20.15 uur de woning van verdachte ter doorzoeking en inbeslagneming krachtens de verleende mondelinge machtiging van de rechter-commissaris. Voorafgaand aan het binnentreden van de woning deelde hij het doel van het binnentreden mee, maar toonde geen machtiging omdat er is binnengetreden met een machtiging van de rechter-commissaris. Het binnentreden vond vervolgens plaats met toestemming van de bewoner. Gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken is het hof van oordeel dat verbalisanten niet onrechtmatig zijn binnengetreden in de woning. Het is duidelijk op basis van welke grondslag is binnengetreden. Ook staat vast dat door de rechter-commissaris voorafgaand aan de doorzoeking een mondelinge machtiging aan de hulpofficier van justitie is gegeven tot doorzoeking van de woning van verdachte. Het hof ziet geen redenen om te twijfelen aan het oordeel van zowel de rechter-commissaris als de officier van justitie dat hun komst niet kon worden afgewacht en daarmee volstond in deze situatie de mondelinge machtiging. De hulpofficier van justitie heeft tot slot geen eigen machtiging hoeven tonen nu werd binnen getreden met een machtiging van de rechter-commissaris. Van een vormverzuim is geen sprake. Verdachte ontkent te hebben geweten dat er amfetamine en MDMA in de kluis in zijn slaapkamer lag. Door en namens verdachte is op de zitting van het hof het volgende alternatieve scenario naar voren gebracht: Ten tijde van het feit zat verdachte in een rolstoel vanwege een gebroken enkel. Een neef en buurjongens van hem hielpen hem met boodschappen doen en pasten op zijn kat. Deze jongens hadden een sleutel van de woning van verdachte. Eén van deze jongens zou de amfetamine en MDMA in de kluis in de slaapkamer van verdachte kunnen hebben verstopt zonder zijn medeweten. Verdachte was namelijk wel eens van huis vanwege ziekenhuisbezoeken. Ook kon hij, omdat hij in een rolstoel zat, zelf niet in zijn slaapkamer komen. Verdachte gebruikte de kluis niet en had om die reden de sleutel in de kluis gelaten. De sleutel van de kluis was verdachte destijds echter al langere tijd kwijt. Het hof stelt voorop dat voor de vraag of verdachte opzettelijk drugs aanwezig heeft gehad als bedoeld in art. 2 onder C Opiumwet, van belang is of deze drugs zich in de machtssfeer van verdachte bevinden (beschikkingsmacht) en of verdachte weet van de aanwezigheid van de drugs, althans van de aanmerkelijke kans daarop (wetenschap). Het hof overweegt dat uit het dossier niet ondubbelzinnig naar voren komt dat verdachte wist van de drugs die in zijn woning zijn aangetroffen. Ook over de beschikkingsmacht over de drugs biedt het dossier geen uitsluitsel, nu deze zijn aangetroffen in een gesloten kluis waarvan de sleutel niet in de woning van verdachte lijkt te zijn gevonden. Tegelijk biedt het dossier wel aanwijzingen dat anderen dan verdachte toegang hadden tot zijn woning en dat tenminste één van hen ook daadwerkelijk spullen in of bij zijn woning opsloeg.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1918 text/xml public 2026-04-08T10:42:49 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-30 21-001411-23 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1918 text/html public 2026-04-08T10:42:07 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1918 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 30-03-2026 / 21-001411-23 Vrijspraak voor het aanwezig hebben van amfetamine en MDMA. Anders dan de verdediging, is het hof van oordeel dat de binnentreding in de woning van verdachte rechtmatig is geweest, zodat bewijsuitsluiting niet aan de orde is. Toch acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over de drugs in zijn woning. Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001411-23 Uitspraakdatum: 30 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 21 maart 2023 met parketnummer 08-335864-21 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] , wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] . Hoger beroep Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel. Onderzoek van de zaak Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 16 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.O.A.N. de Vries, hebben aangevoerd. Het vonnis waarvan beroep De politierechter heeft bij vonnis van 21 maart 2023, waartegen het beroep is gericht, verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken. Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht. Tenlastelegging Op de zitting bij de politierechter is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat: hij, op of omstreeks 10 november 2020, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 129,78 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 44,48 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Vrijspraak Op de zitting van het hof is door de raadsvrouw primair vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, omdat sprake zou zijn van een onherstelbaar vormverzuim. De politie is de woning van verdachte binnengetreden zonder dat vooraf een schriftelijk vastgelegde machtiging aan verdachte is getoond. Bovendien zet de raadsvrouw vraagtekens bij de beslissing van de rechter-commissaris om niet zelf naar de woning af te reizen. Tegelijkertijd circuleren er verschillende bevoegdheidsgrondslagen in het dossier, zonder dat duidelijk is welke is toegepast. Dit alles heeft volgens de raadsvrouw tot gevolg dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Gelet op de ernst van het verzuim, het belang van de geschonden norm en het nadeel voor verdachte moet het verzuim worden gesanctioneerd met bewijsuitsluiting, aldus de raadsvrouw. Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Bij de politie is gemeld dat de woning van verdachte een dealpand was. Naar aanleiding daarvan heeft de politie op 10 november 2020 post gevat bij de woning van verdachte om te zien of er dealverkeer was. Op een bepaald moment zagen agenten dat er een man het pand in ging, die kort daarop het pand verliet met een oranje plastic tas. Bij controle bleek dat er illegaal zwaar knalvuurwerk in de oranje tas zat. De man vertelde dat er nog meer vuurwerk lag opgeslagen in de berging van de woning. Hierop heeft de hulpofficier van justitie contact opgenomen met de officier van justitie ter zake een doorzoeking ter inbeslagname op grond van artikel 97 wetboek van strafvordering. De officier van justitie nam mondeling contact op met de Rechter-Commissaris, die op voormelde datum om 19.45 uur een mondelinge machtiging aan de hulpofficier van justitie verleende tot doorzoeking van de woning van verdachte. De officier van justitie heeft op 17 november 2020 de mondelinge vordering schriftelijk bevestigd en de rechter-commissaris heeft op 25 november 2020 schriftelijk de mondelinge machtiging aan de hulpofficier van justitie tot doorzoeking van de woning van verdachte bevestigd. De hulpofficier van justitie betrad op 10 november 2020 omstreeks 20.15 uur de woning van verdachte ter doorzoeking en inbeslagneming krachtens de verleende mondelinge machtiging van de rechter-commissaris. Voorafgaand aan het binnentreden van de woning deelde hij het doel van het binnentreden mee, maar toonde geen machtiging omdat er is binnengetreden met een machtiging van de rechter-commissaris. Het binnentreden vond vervolgens plaats met toestemming van de bewoner. Gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken is het hof van oordeel dat verbalisanten niet onrechtmatig zijn binnengetreden in de woning. Het is duidelijk op basis van welke grondslag is binnengetreden. Ook staat vast dat door de rechter-commissaris voorafgaand aan de doorzoeking een mondelinge machtiging aan de hulpofficier van justitie is gegeven tot doorzoeking van de woning van verdachte. Het hof ziet geen redenen om te twijfelen aan het oordeel van zowel de rechter-commissaris als de officier van justitie dat hun komst niet kon worden afgewacht en daarmee volstond in deze situatie de mondelinge machtiging. De hulpofficier van justitie heeft tot slot geen eigen machtiging hoeven tonen nu werd binnen getreden met een machtiging van de rechter-commissaris. Van een vormverzuim is geen sprake. Verdachte ontkent te hebben geweten dat er amfetamine en MDMA in de kluis in zijn slaapkamer lag. Door en namens verdachte is op de zitting van het hof het volgende alternatieve scenario naar voren gebracht: Ten tijde van het feit zat verdachte in een rolstoel vanwege een gebroken enkel. Een neef en buurjongens van hem hielpen hem met boodschappen doen en pasten op zijn kat. Deze jongens hadden een sleutel van de woning van verdachte. Eén van deze jongens zou de amfetamine en MDMA in de kluis in de slaapkamer van verdachte kunnen hebben verstopt zonder zijn medeweten. Verdachte was namelijk wel eens van huis vanwege ziekenhuisbezoeken. Ook kon hij, omdat hij in een rolstoel zat, zelf niet in zijn slaapkamer komen. Verdachte gebruikte de kluis niet en had om die reden de sleutel in de kluis gelaten. De sleutel van de kluis was verdachte destijds echter al langere tijd kwijt. Het hof stelt voorop dat voor de vraag of verdachte opzettelijk drugs aanwezig heeft gehad als bedoeld in art. 2 onder C Opiumwet, van belang is of deze drugs zich in de machtssfeer van verdachte bevinden (beschikkingsmacht) en of verdachte weet van de aanwezigheid van de drugs, althans van de aanmerkelijke kans daarop (wetenschap). Het hof overweegt dat uit het dossier niet ondubbelzinnig naar voren komt dat verdachte wist van de drugs die in zijn woning zijn aangetroffen. Ook over de beschikkingsmacht over de drugs biedt het dossier geen uitsluitsel, nu deze zijn aangetroffen in een gesloten kluis waarvan de sleutel niet in de woning van verdachte lijkt te zijn gevonden. Tegelijk biedt het dossier wel aanwijzingen dat anderen dan verdachte toegang hadden tot zijn woning en dat tenminste één van hen ook daadwerkelijk spullen in of bij zijn woning opsloeg.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1918 text/xml public 2026-04-08T10:42:49 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-30 21-001411-23 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1918 text/html public 2026-04-08T10:42:07 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1918 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 30-03-2026 / 21-001411-23 Vrijspraak voor het aanwezig hebben van amfetamine en MDMA. Anders dan de verdediging, is het hof van oordeel dat de binnentreding in de woning van verdachte rechtmatig is geweest, zodat bewijsuitsluiting niet aan de orde is. Toch acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over de drugs in zijn woning. Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001411-23 Uitspraakdatum: 30 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 21 maart 2023 met parketnummer 08-335864-21 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] , wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] . Hoger beroep Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel. Onderzoek van de zaak Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 16 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.O.A.N. de Vries, hebben aangevoerd. Het vonnis waarvan beroep De politierechter heeft bij vonnis van 21 maart 2023, waartegen het beroep is gericht, verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken. Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht. Tenlastelegging Op de zitting bij de politierechter is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat: hij, op of omstreeks 10 november 2020, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 129,78 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 44,48 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Vrijspraak Op de zitting van het hof is door de raadsvrouw primair vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, omdat sprake zou zijn van een onherstelbaar vormverzuim. De politie is de woning van verdachte binnengetreden zonder dat vooraf een schriftelijk vastgelegde machtiging aan verdachte is getoond. Bovendien zet de raadsvrouw vraagtekens bij de beslissing van de rechter-commissaris om niet zelf naar de woning af te reizen. Tegelijkertijd circuleren er verschillende bevoegdheidsgrondslagen in het dossier, zonder dat duidelijk is welke is toegepast. Dit alles heeft volgens de raadsvrouw tot gevolg dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Gelet op de ernst van het verzuim, het belang van de geschonden norm en het nadeel voor verdachte moet het verzuim worden gesanctioneerd met bewijsuitsluiting, aldus de raadsvrouw. Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Bij de politie is gemeld dat de woning van verdachte een dealpand was. Naar aanleiding daarvan heeft de politie op 10 november 2020 post gevat bij de woning van verdachte om te zien of er dealverkeer was. Op een bepaald moment zagen agenten dat er een man het pand in ging, die kort daarop het pand verliet met een oranje plastic tas. Bij controle bleek dat er illegaal zwaar knalvuurwerk in de oranje tas zat. De man vertelde dat er nog meer vuurwerk lag opgeslagen in de berging van de woning. Hierop heeft de hulpofficier van justitie contact opgenomen met de officier van justitie ter zake een doorzoeking ter inbeslagname op grond van artikel 97 wetboek van strafvordering. De officier van justitie nam mondeling contact op met de Rechter-Commissaris, die op voormelde datum om 19.45 uur een mondelinge machtiging aan de hulpofficier van justitie verleende tot doorzoeking van de woning van verdachte. De officier van justitie heeft op 17 november 2020 de mondelinge vordering schriftelijk bevestigd en de rechter-commissaris heeft op 25 november 2020 schriftelijk de mondelinge machtiging aan de hulpofficier van justitie tot doorzoeking van de woning van verdachte bevestigd. De hulpofficier van justitie betrad op 10 november 2020 omstreeks 20.15 uur de woning van verdachte ter doorzoeking en inbeslagneming krachtens de verleende mondelinge machtiging van de rechter-commissaris. Voorafgaand aan het binnentreden van de woning deelde hij het doel van het binnentreden mee, maar toonde geen machtiging omdat er is binnengetreden met een machtiging van de rechter-commissaris. Het binnentreden vond vervolgens plaats met toestemming van de bewoner. Gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken is het hof van oordeel dat verbalisanten niet onrechtmatig zijn binnengetreden in de woning. Het is duidelijk op basis van welke grondslag is binnengetreden. Ook staat vast dat door de rechter-commissaris voorafgaand aan de doorzoeking een mondelinge machtiging aan de hulpofficier van justitie is gegeven tot doorzoeking van de woning van verdachte. Het hof ziet geen redenen om te twijfelen aan het oordeel van zowel de rechter-commissaris als de officier van justitie dat hun komst niet kon worden afgewacht en daarmee volstond in deze situatie de mondelinge machtiging. De hulpofficier van justitie heeft tot slot geen eigen machtiging hoeven tonen nu werd binnen getreden met een machtiging van de rechter-commissaris. Van een vormverzuim is geen sprake. Verdachte ontkent te hebben geweten dat er amfetamine en MDMA in de kluis in zijn slaapkamer lag. Door en namens verdachte is op de zitting van het hof het volgende alternatieve scenario naar voren gebracht: Ten tijde van het feit zat verdachte in een rolstoel vanwege een gebroken enkel. Een neef en buurjongens van hem hielpen hem met boodschappen doen en pasten op zijn kat. Deze jongens hadden een sleutel van de woning van verdachte. Eén van deze jongens zou de amfetamine en MDMA in de kluis in de slaapkamer van verdachte kunnen hebben verstopt zonder zijn medeweten. Verdachte was namelijk wel eens van huis vanwege ziekenhuisbezoeken. Ook kon hij, omdat hij in een rolstoel zat, zelf niet in zijn slaapkamer komen. Verdachte gebruikte de kluis niet en had om die reden de sleutel in de kluis gelaten. De sleutel van de kluis was verdachte destijds echter al langere tijd kwijt. Het hof stelt voorop dat voor de vraag of verdachte opzettelijk drugs aanwezig heeft gehad als bedoeld in art. 2 onder C Opiumwet, van belang is of deze drugs zich in de machtssfeer van verdachte bevinden (beschikkingsmacht) en of verdachte weet van de aanwezigheid van de drugs, althans van de aanmerkelijke kans daarop (wetenschap). Het hof overweegt dat uit het dossier niet ondubbelzinnig naar voren komt dat verdachte wist van de drugs die in zijn woning zijn aangetroffen. Ook over de beschikkingsmacht over de drugs biedt het dossier geen uitsluitsel, nu deze zijn aangetroffen in een gesloten kluis waarvan de sleutel niet in de woning van verdachte lijkt te zijn gevonden. Tegelijk biedt het dossier wel aanwijzingen dat anderen dan verdachte toegang hadden tot zijn woning en dat tenminste één van hen ook daadwerkelijk spullen in of bij zijn woning opsloeg.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1918 text/xml public 2026-04-08T10:42:49 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-30 21-001411-23 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1918 text/html public 2026-04-08T10:42:07 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1918 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 30-03-2026 / 21-001411-23 Vrijspraak voor het aanwezig hebben van amfetamine en MDMA. Anders dan de verdediging, is het hof van oordeel dat de binnentreding in de woning van verdachte rechtmatig is geweest, zodat bewijsuitsluiting niet aan de orde is. Toch acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over de drugs in zijn woning. Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001411-23 Uitspraakdatum: 30 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 21 maart 2023 met parketnummer 08-335864-21 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] , wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] . Hoger beroep Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel. Onderzoek van de zaak Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 16 maart 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.O.A.N. de Vries, hebben aangevoerd. Het vonnis waarvan beroep De politierechter heeft bij vonnis van 21 maart 2023, waartegen het beroep is gericht, verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken. Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht. Tenlastelegging Op de zitting bij de politierechter is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat: hij, op of omstreeks 10 november 2020, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 129,78 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 44,48 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Vrijspraak Op de zitting van het hof is door de raadsvrouw primair vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, omdat sprake zou zijn van een onherstelbaar vormverzuim. De politie is de woning van verdachte binnengetreden zonder dat vooraf een schriftelijk vastgelegde machtiging aan verdachte is getoond. Bovendien zet de raadsvrouw vraagtekens bij de beslissing van de rechter-commissaris om niet zelf naar de woning af te reizen. Tegelijkertijd circuleren er verschillende bevoegdheidsgrondslagen in het dossier, zonder dat duidelijk is welke is toegepast. Dit alles heeft volgens de raadsvrouw tot gevolg dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Gelet op de ernst van het verzuim, het belang van de geschonden norm en het nadeel voor verdachte moet het verzuim worden gesanctioneerd met bewijsuitsluiting, aldus de raadsvrouw. Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Bij de politie is gemeld dat de woning van verdachte een dealpand was. Naar aanleiding daarvan heeft de politie op 10 november 2020 post gevat bij de woning van verdachte om te zien of er dealverkeer was. Op een bepaald moment zagen agenten dat er een man het pand in ging, die kort daarop het pand verliet met een oranje plastic tas. Bij controle bleek dat er illegaal zwaar knalvuurwerk in de oranje tas zat. De man vertelde dat er nog meer vuurwerk lag opgeslagen in de berging van de woning. Hierop heeft de hulpofficier van justitie contact opgenomen met de officier van justitie ter zake een doorzoeking ter inbeslagname op grond van artikel 97 wetboek van strafvordering. De officier van justitie nam mondeling contact op met de Rechter-Commissaris, die op voormelde datum om 19.45 uur een mondelinge machtiging aan de hulpofficier van justitie verleende tot doorzoeking van de woning van verdachte. De officier van justitie heeft op 17 november 2020 de mondelinge vordering schriftelijk bevestigd en de rechter-commissaris heeft op 25 november 2020 schriftelijk de mondelinge machtiging aan de hulpofficier van justitie tot doorzoeking van de woning van verdachte bevestigd. De hulpofficier van justitie betrad op 10 november 2020 omstreeks 20.15 uur de woning van verdachte ter doorzoeking en inbeslagneming krachtens de verleende mondelinge machtiging van de rechter-commissaris. Voorafgaand aan het binnentreden van de woning deelde hij het doel van het binnentreden mee, maar toonde geen machtiging omdat er is binnengetreden met een machtiging van de rechter-commissaris. Het binnentreden vond vervolgens plaats met toestemming van de bewoner. Gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken is het hof van oordeel dat verbalisanten niet onrechtmatig zijn binnengetreden in de woning. Het is duidelijk op basis van welke grondslag is binnengetreden. Ook staat vast dat door de rechter-commissaris voorafgaand aan de doorzoeking een mondelinge machtiging aan de hulpofficier van justitie is gegeven tot doorzoeking van de woning van verdachte. Het hof ziet geen redenen om te twijfelen aan het oordeel van zowel de rechter-commissaris als de officier van justitie dat hun komst niet kon worden afgewacht en daarmee volstond in deze situatie de mondelinge machtiging. De hulpofficier van justitie heeft tot slot geen eigen machtiging hoeven tonen nu werd binnen getreden met een machtiging van de rechter-commissaris. Van een vormverzuim is geen sprake. Verdachte ontkent te hebben geweten dat er amfetamine en MDMA in de kluis in zijn slaapkamer lag. Door en namens verdachte is op de zitting van het hof het volgende alternatieve scenario naar voren gebracht: Ten tijde van het feit zat verdachte in een rolstoel vanwege een gebroken enkel. Een neef en buurjongens van hem hielpen hem met boodschappen doen en pasten op zijn kat. Deze jongens hadden een sleutel van de woning van verdachte. Eén van deze jongens zou de amfetamine en MDMA in de kluis in de slaapkamer van verdachte kunnen hebben verstopt zonder zijn medeweten. Verdachte was namelijk wel eens van huis vanwege ziekenhuisbezoeken. Ook kon hij, omdat hij in een rolstoel zat, zelf niet in zijn slaapkamer komen. Verdachte gebruikte de kluis niet en had om die reden de sleutel in de kluis gelaten. De sleutel van de kluis was verdachte destijds echter al langere tijd kwijt. Het hof stelt voorop dat voor de vraag of verdachte opzettelijk drugs aanwezig heeft gehad als bedoeld in art. 2 onder C Opiumwet, van belang is of deze drugs zich in de machtssfeer van verdachte bevinden (beschikkingsmacht) en of verdachte weet van de aanwezigheid van de drugs, althans van de aanmerkelijke kans daarop (wetenschap). Het hof overweegt dat uit het dossier niet ondubbelzinnig naar voren komt dat verdachte wist van de drugs die in zijn woning zijn aangetroffen. Ook over de beschikkingsmacht over de drugs biedt het dossier geen uitsluitsel, nu deze zijn aangetroffen in een gesloten kluis waarvan de sleutel niet in de woning van verdachte lijkt te zijn gevonden. Tegelijk biedt het dossier wel aanwijzingen dat anderen dan verdachte toegang hadden tot zijn woning en dat tenminste één van hen ook daadwerkelijk spullen in of bij zijn woning opsloeg.