Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-03-26
ECLI:NL:GHARL:2026:1825
Strafrecht
Hoger beroep
4,009 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1825 text/xml public 2026-04-09T13:43:19 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-26 Wahv 200.345.681/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1825 text/html public 2026-04-09T13:42:44 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1825 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 26-03-2026 / Wahv 200.345.681/01 Schending hoorplicht. Aan de gemachtigde is - gelijktijdig met opvragen van aanvullende gronden - een extra schriftelijke ronde geboden. Aldus is de schending van de hoorplicht zodanig gecompenseerd dat het bedrag van de sanctie niet hoeft te worden gematigd. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.345.681/01 CJIB-nummer : 254254507 Uitspraak d.d. : 26 maart 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 16 juli 2024, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is S.J.J.G. Fernandes, kantoorhoudende te Voorburg. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Op 11 augustus 2025 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. De advocaat-generaal heeft hier op 26 augustus 2025 op gereageerd. De beoordeling 1. Het hof stelt vast dat het dictum van de beslissing van de kantonrechter niet overeenkomt met wat in de beslissing is overwogen. Het hof beschouwt de ongegrondverklaring van het beroep als een kennelijke verschrijving die verbeterd moet worden gelezen. Uit de beslissing van de kantonrechter volgt immers dat de beslissing van de officier van justitie wordt vernietigd vanwege schending van de hoorplicht door de officier van justitie. Het hof verstaat het dictum van de beslissing van de kantonrechter aldus dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond wordt verklaard, die beslissing wordt vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond wordt verklaard. 2. De bezwaren richten zich tegen de beslissing van de kantonrechter houdende de ongegrond verklaring van het beroep tegen de inleidende beschikking. 3. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 december 2022 om 3.18 uur op de Dam in Zaandam met het voertuig met het kenteken [kenteken] . 4. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat, anders dan de kantonrechter heeft begrepen, de gronden die zijn aangevoerd met betrekking tot het optreden van de ambtenaar tijdens de staandehouding er niet op zijn gericht om een oordeel te verkrijgen over de behoorlijkheid van dat optreden. Waar het om gaat is dat hieruit blijkt dat de ambtenaar onbehoorlijk heeft gehandeld tegenover de betrokkene waardoor aan de juistheid van het proces-verbaal moet worden getwijfeld. Een en ander klemt te meer omdat in het proces-verbaal niet alle feiten zijn opgenomen die relevant zijn ten aanzien van de staandehouding. De gemachtigde voert verder aan dat de betrokkene uitdrukkelijk en consistent heeft betwist dat hij een bord zou zijn gepasseerd. De betrokkene heeft de ambtenaar die hem staande hield uitdrukkelijk verzocht om het bord te tonen, maar dat kon hij niet. Van de aanname dat de ambtenaar het bord vooraf heeft gecontroleerd kan in dit geval dan ook niet worden uitgegaan. Dit wordt ondersteund door het gebrekkige zaakoverzicht waaruit niet eens kan worden opgemaakt waar de betrokkene is staandegehouden, laat staan dat nog na kan worden gegaan of de betrokkene een bord zou zijn gepasseerd. In reactie op het verweerschrift voert de gemachtigde voorts aan dat de betrokkene zich niet in het voetgangersgebied bevond, maar door zijn navigatiesysteem langs het centrum werd geleid. De betrokkene acht het uiterst onaannemelijk dat een professioneel navigatiesysteem hem door een voetgangersgebied zou geleiden. Verder blijkt uit Google Maps dat niet alleen het voetgangersgebied maar ook de omliggende straten worden aangeduid met ‘De Dam’. Het is de betrokkene niet duidelijk of hij in een straat die de naam ‘De Dam’ draagt is staandegehouden of dat de ambtenaar dat onjuist heeft vermeld in zijn verklaring. Nu uit de verklaring van de ambtenaar niet kan worden afgeleid waar de betrokkene precies is staandegehouden, is het voor de betrokkene achteraf ook niet mogelijk om aan te geven welke route hij exact heeft gereden. De betrokkene heeft immers zijn navigatiesysteem gevolgd en als taxichauffeur rijdt hij dusdanig veel ritten, dat in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd dat hij elke rit opslaat in zijn geheugen. 5. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft. 6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: Feitgegevens Pleeglocatie: Dam Pleegplaats: Zaandam Gedragingsgegevens: “Ik zag dat het voertuig reed in een door zonebord G7 RVV 1990 aangeduid voetgangersgebied. (…) Verklaring betrokkene: verdachte/betrokkene gaf geen verklaring. Omschrijving door de verbalisant: hoeft niet.” 7. Door de advocaat-generaal is in hoger beroep een uitdraai van Google Maps bijgevoegd, waarop een gedeelte van de plattegrond van Zaandam is afgebeeld en het betreffende voetgangersgebied is omlijnd. 8. Uit de gegevens in het dossier blijkt dat de ambtenaar de betrokkene zag rijden in het voetgangersgebied dat middels een zonebord G7 RVV 1990 is aangeduid. De ambtenaar die de gedraging heeft vastgesteld, was dus zelf ter plaatse. In het algemeen mag in zo’n geval worden aangenomen dat de ambtenaar heeft vastgesteld dat de relevante bebording aanwezig en duidelijk zichtbaar is. Bovendien geldt voor gedragingen binnen zones, zoals in het onderhavige geval, dat slechts hoeft te worden vastgesteld dat de bebording aanwezig was op de toegangsweg die de betrokkene heeft gevolgd. Daartoe moet de betrokkene die stelt dat de deugdelijke bebording ontbrak aangeven welke route hij heeft gevolgd om zijn bestemming te bereiken (vgl. het arrest van het hof van 28 februari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1803). Dit brengt mee dat het - anders dan de gemachtigde stelt - niet aan de ambtenaar is om het bord te tonen dat de betrokkene zou hebben genegeerd. De betrokkene heeft de door hem gevolgde rijroute niet opgegeven. Dat uit de verklaring van de ambtenaar niet kan worden afgeleid waar de betrokkene precies is staandegehouden, maakt niet dat dit van de betrokkene niet kan worden gevraagd. Hierbij merkt het hof op dat de betrokkene is staandegehouden en daarbij is gewezen op de gedraging die hij net daarvoor had verricht. Dat de betrokkene zich op dat moment niet meer voor de geest kon halen welke route hij had gevolgd, acht het hof niet aannemelijk.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1825 text/xml public 2026-04-09T13:43:19 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-26 Wahv 200.345.681/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1825 text/html public 2026-04-09T13:42:44 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1825 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 26-03-2026 / Wahv 200.345.681/01 Schending hoorplicht. Aan de gemachtigde is - gelijktijdig met opvragen van aanvullende gronden - een extra schriftelijke ronde geboden. Aldus is de schending van de hoorplicht zodanig gecompenseerd dat het bedrag van de sanctie niet hoeft te worden gematigd. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.345.681/01 CJIB-nummer : 254254507 Uitspraak d.d. : 26 maart 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 16 juli 2024, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is S.J.J.G. Fernandes, kantoorhoudende te Voorburg. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Op 11 augustus 2025 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. De advocaat-generaal heeft hier op 26 augustus 2025 op gereageerd. De beoordeling 1. Het hof stelt vast dat het dictum van de beslissing van de kantonrechter niet overeenkomt met wat in de beslissing is overwogen. Het hof beschouwt de ongegrondverklaring van het beroep als een kennelijke verschrijving die verbeterd moet worden gelezen. Uit de beslissing van de kantonrechter volgt immers dat de beslissing van de officier van justitie wordt vernietigd vanwege schending van de hoorplicht door de officier van justitie. Het hof verstaat het dictum van de beslissing van de kantonrechter aldus dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond wordt verklaard, die beslissing wordt vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond wordt verklaard. 2. De bezwaren richten zich tegen de beslissing van de kantonrechter houdende de ongegrond verklaring van het beroep tegen de inleidende beschikking. 3. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 december 2022 om 3.18 uur op de Dam in Zaandam met het voertuig met het kenteken [kenteken] . 4. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat, anders dan de kantonrechter heeft begrepen, de gronden die zijn aangevoerd met betrekking tot het optreden van de ambtenaar tijdens de staandehouding er niet op zijn gericht om een oordeel te verkrijgen over de behoorlijkheid van dat optreden. Waar het om gaat is dat hieruit blijkt dat de ambtenaar onbehoorlijk heeft gehandeld tegenover de betrokkene waardoor aan de juistheid van het proces-verbaal moet worden getwijfeld. Een en ander klemt te meer omdat in het proces-verbaal niet alle feiten zijn opgenomen die relevant zijn ten aanzien van de staandehouding. De gemachtigde voert verder aan dat de betrokkene uitdrukkelijk en consistent heeft betwist dat hij een bord zou zijn gepasseerd. De betrokkene heeft de ambtenaar die hem staande hield uitdrukkelijk verzocht om het bord te tonen, maar dat kon hij niet. Van de aanname dat de ambtenaar het bord vooraf heeft gecontroleerd kan in dit geval dan ook niet worden uitgegaan. Dit wordt ondersteund door het gebrekkige zaakoverzicht waaruit niet eens kan worden opgemaakt waar de betrokkene is staandegehouden, laat staan dat nog na kan worden gegaan of de betrokkene een bord zou zijn gepasseerd. In reactie op het verweerschrift voert de gemachtigde voorts aan dat de betrokkene zich niet in het voetgangersgebied bevond, maar door zijn navigatiesysteem langs het centrum werd geleid. De betrokkene acht het uiterst onaannemelijk dat een professioneel navigatiesysteem hem door een voetgangersgebied zou geleiden. Verder blijkt uit Google Maps dat niet alleen het voetgangersgebied maar ook de omliggende straten worden aangeduid met ‘De Dam’. Het is de betrokkene niet duidelijk of hij in een straat die de naam ‘De Dam’ draagt is staandegehouden of dat de ambtenaar dat onjuist heeft vermeld in zijn verklaring. Nu uit de verklaring van de ambtenaar niet kan worden afgeleid waar de betrokkene precies is staandegehouden, is het voor de betrokkene achteraf ook niet mogelijk om aan te geven welke route hij exact heeft gereden. De betrokkene heeft immers zijn navigatiesysteem gevolgd en als taxichauffeur rijdt hij dusdanig veel ritten, dat in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd dat hij elke rit opslaat in zijn geheugen. 5. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft. 6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: Feitgegevens Pleeglocatie: Dam Pleegplaats: Zaandam Gedragingsgegevens: “Ik zag dat het voertuig reed in een door zonebord G7 RVV 1990 aangeduid voetgangersgebied. (…) Verklaring betrokkene: verdachte/betrokkene gaf geen verklaring. Omschrijving door de verbalisant: hoeft niet.” 7. Door de advocaat-generaal is in hoger beroep een uitdraai van Google Maps bijgevoegd, waarop een gedeelte van de plattegrond van Zaandam is afgebeeld en het betreffende voetgangersgebied is omlijnd. 8. Uit de gegevens in het dossier blijkt dat de ambtenaar de betrokkene zag rijden in het voetgangersgebied dat middels een zonebord G7 RVV 1990 is aangeduid. De ambtenaar die de gedraging heeft vastgesteld, was dus zelf ter plaatse. In het algemeen mag in zo’n geval worden aangenomen dat de ambtenaar heeft vastgesteld dat de relevante bebording aanwezig en duidelijk zichtbaar is. Bovendien geldt voor gedragingen binnen zones, zoals in het onderhavige geval, dat slechts hoeft te worden vastgesteld dat de bebording aanwezig was op de toegangsweg die de betrokkene heeft gevolgd. Daartoe moet de betrokkene die stelt dat de deugdelijke bebording ontbrak aangeven welke route hij heeft gevolgd om zijn bestemming te bereiken (vgl. het arrest van het hof van 28 februari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1803). Dit brengt mee dat het - anders dan de gemachtigde stelt - niet aan de ambtenaar is om het bord te tonen dat de betrokkene zou hebben genegeerd. De betrokkene heeft de door hem gevolgde rijroute niet opgegeven. Dat uit de verklaring van de ambtenaar niet kan worden afgeleid waar de betrokkene precies is staandegehouden, maakt niet dat dit van de betrokkene niet kan worden gevraagd. Hierbij merkt het hof op dat de betrokkene is staandegehouden en daarbij is gewezen op de gedraging die hij net daarvoor had verricht. Dat de betrokkene zich op dat moment niet meer voor de geest kon halen welke route hij had gevolgd, acht het hof niet aannemelijk.