Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-03-24
ECLI:NL:GHARL:2026:1768
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,058 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1768 text/xml public 2026-04-14T09:16:50 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-24 200.363.770/01 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1768 text/html public 2026-04-14T09:16:26 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1768 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 24-03-2026 / 200.363.770/01 Uithuisplaatsing kinderen (artikel 1:265b BW) GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.363.770 zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 600609 en 600084 beschikking van 24 maart 2026 over de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in de zaak van [verzoekster] (de moeder) die woont in [woonplaats1] advocaat: mr. S.A. van den Broek (onttrokken sinds 17 februari 2026) en de gecertificeerde instelling Stichting Samen Veilig Midden-Nederland (de GI) die is gevestigd in Utrecht en [belanghebbende] (de vader) die woont in [woonplaats2] advocaat: mr. N.J. Hos en de raad voor de kinderbescherming (als adviseur) die is gevestigd in Arnhem verder te noemen: de raad. 1 Samenvatting De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in de beslissing van 15 oktober 2025 uit huis geplaatst in een netwerkpleeggezin tot 21 april 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom. 2. De feiten 2.1. De ouders hebben twee kinderen, [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . [de minderjarige1] is [in] 2011 geboren en [de minderjarige2] is [in] 2018 geboren. 2.2. De ouders hebben samen het gezag over de kinderen. 2.3. De kinderen staan onder toezicht van de GI. De kinderen woonden tot aan hun uithuisplaatsing bij hun moeder. De kinderen wonen vanaf 21 juli 2025 in het gezin van hun oudste zus [naam2] . 3 De procedure bij de kinderrechter 3.1. De GI heeft de kinderrechter verzocht de kinderen nog langer, namelijk een jaar, uit huis te mogen plaatsen. 3.2. De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd voor zes maanden, namelijk tot 21 april 2026. De beslissing op het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing voor de overige duur van zes maanden is aangehouden. 3.3. De kinderrechter heeft ook beslist dat de machtiging tot uithuisplaatsing mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard). 4 De procedure bij het hof 4.1. De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter over de uithuisplaatsing. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt. De moeder verzoekt het hof de GI te veroordelen in de kosten van deze procedure. 4.2. De GI wil dat de beslissing in stand blijft. 4.3. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen: het beroepschrift het standpuntstuk van de GI, ingediend op 19 februari 2026. 4.4. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben ieder apart op 23 februari 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij hebben verteld wat zij vinden van de uithuisplaatsing. 4.5. De zitting bij het hof was op 24 februari 2026. Aanwezig waren: de moeder een vertegenwoordiger van de raad als adviseur een vertegenwoordiger van de GI de advocaat van de vader. 4.6. De moeder heeft op de mondelinge behandeling, met hulp van een vooraf geschreven tekst in het Nederlands, uitgelegd dat haar (inmiddels onttrokken) advocaat volgens haar niet de waarheid spreekt en dat zij daarom niet meer wil dat haar advocaat haar vertegen-woordigt. De voorzitter heeft aan het begin van de mondelinge behandeling aan de moeder gevraagd of zij voldoende Nederlands spreekt. De moeder heeft verteld dat zij een beetje Nederlands en Engels spreekt. De voorzitter heeft hiermee rekening gehouden, en op de mondelinge behandeling stap voor stap nagevraagd of de moeder kon volgen wat er gezegd werd. Als de voorzitter zag dat de moeder iets in het Nederlands niet begreep, heeft hij dat voor haar in het Engels vertaald. Op die manier is de moeder voldoende in staat geweest om haar standpunt naar voren te brengen, te kunnen volgen wat er op de mondelinge behandeling is gezegd en te reageren op de vragen en standpunten van de aanwezigen. Het hof ziet dan ook geen reden de mondelinge behandeling aan te houden om de moeder in staat te stellen zich alsnog door een (andere) advocaat te laten vertegenwoordigen. Het hof vindt dat ook niet wenselijk, omdat vóór de mondelinge behandeling geen verzoek om aanhouding is gedaan en de kinderen al met een raadsheer hebben gesproken en rekenen op een beslissing van het hof binnen vier weken na dat gesprek. 5 Het oordeel van het hof Wat staat in de wet? 5.1. De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen . Standpunten 5.2. De moeder is het niet eens met het oordeel van de kinderechter dat voldaan is aan de wettelijke vereisten voor verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De moeder en de kinderen hebben een zeer hechte band met elkaar en de moeder is in staat de fysieke en mentale veiligheid van de kinderen in de opvoeding te waarborgen. De moeder accepteert hulpverlening en kan de beide kinderen zelf opvoeden. De moeder heeft zelf een verwijzing van de huisarts gevraagd naar de GGZ en heeft een eerste afspraak met een behandelaar van GGZ gehad op 29 januari 2026. 5.3. De GI is het niet eens met de moeder. De GI erkent dat de moeder de kinderen met de beste intenties heeft verzorgd en opgevoed. De GI maakt zich echter nog steeds grote zorgen over de mentale gezondheid van de moeder. De moeder laat in de opvoeding buiten-proportioneel wantrouwen en extreme bezorgdheid zien en daar zijn de kinderen steeds mee belast. De moeder heeft moeite met het accepteren van hulp en toont onvoldoende inzicht in haar eigen gedrag en het effect daarvan op de kinderen. Hoewel de GI een verwijzing door de huisarts van de moeder naar de GGZ ziet als een stap in de goede richting, zal nog moeten blijken of de moeder dit ook echt doorzet. 5.4. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard het eens te zijn met het standpunt van de GI. Advies raad 5.5. De raad heeft zich aangesloten bij het standpunt van de GI. De raad ziet een moeder die heel veel van haar kinderen houdt en dat is ook haar drijfveer in haar opstelling. De moeder is een vrouw die heel veel heeft meegemaakt. De moeder gaat zo op in haar eigen gedachten, overtuigingen en ideeën dat het niet meer lukt om in gesprek te komen over de opvoeding van de kinderen. Het lukt het haar niet in te zien of de kinderen haar bescherming op de manier die zij hen geeft nodig hebben. De eigen trauma’s van de moeder maken het haar soms onmogelijk om te zien wat de kinderen daadwerkelijk nodig hebben. De moeder kan haar kinderen volgens de raad juist helpen door met een psycholoog in gesprek te gaan. Hoe oordeelt het hof? 5.6. De kinderrechter heeft terecht de machtiging aan de GI gegeven. De beslissing van de kinderrechter zal in stand blijven (worden bekrachtigd). Het hof neemt - na eigen onderzoek - de overwegingen van de kinderrechter over en maakt die tot de zijne. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe. 5.7. De kinderen laten in het gezin van hun zus volgens de GI een positieve ontwikkeling zien. [de minderjarige2] volgt zwemles en dat vindt zij leuk. [de minderjarige2] heeft in de speltherapie een vertrouwens-band opgebouwd met de speltherapeut. [de minderjarige2] heeft volgens haar therapeut een groeiend gevoel van veiligheid. Ook is zichtbaar dat [de minderjarige2] nog veel spanning ervaart. In haar spel gaan haar emoties alle kanten op en is sprake van veel actie en chaos. [de minderjarige1] laat goede resultaten zien op school. Zij heeft bijles gevolgd voor een aantal vakken en profiteert volgens de GI zichtbaar van de rust en stabiliteit in het netwerkpleeggezin.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1768 text/xml public 2026-04-14T09:16:50 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-24 200.363.770/01 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1768 text/html public 2026-04-14T09:16:26 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1768 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 24-03-2026 / 200.363.770/01 Uithuisplaatsing kinderen (artikel 1:265b BW) GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.363.770 zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 600609 en 600084 beschikking van 24 maart 2026 over de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in de zaak van [verzoekster] (de moeder) die woont in [woonplaats1] advocaat: mr. S.A. van den Broek (onttrokken sinds 17 februari 2026) en de gecertificeerde instelling Stichting Samen Veilig Midden-Nederland (de GI) die is gevestigd in Utrecht en [belanghebbende] (de vader) die woont in [woonplaats2] advocaat: mr. N.J. Hos en de raad voor de kinderbescherming (als adviseur) die is gevestigd in Arnhem verder te noemen: de raad. 1 Samenvatting De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in de beslissing van 15 oktober 2025 uit huis geplaatst in een netwerkpleeggezin tot 21 april 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom. 2. De feiten 2.1. De ouders hebben twee kinderen, [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . [de minderjarige1] is [in] 2011 geboren en [de minderjarige2] is [in] 2018 geboren. 2.2. De ouders hebben samen het gezag over de kinderen. 2.3. De kinderen staan onder toezicht van de GI. De kinderen woonden tot aan hun uithuisplaatsing bij hun moeder. De kinderen wonen vanaf 21 juli 2025 in het gezin van hun oudste zus [naam2] . 3 De procedure bij de kinderrechter 3.1. De GI heeft de kinderrechter verzocht de kinderen nog langer, namelijk een jaar, uit huis te mogen plaatsen. 3.2. De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd voor zes maanden, namelijk tot 21 april 2026. De beslissing op het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing voor de overige duur van zes maanden is aangehouden. 3.3. De kinderrechter heeft ook beslist dat de machtiging tot uithuisplaatsing mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard). 4 De procedure bij het hof 4.1. De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter over de uithuisplaatsing. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt. De moeder verzoekt het hof de GI te veroordelen in de kosten van deze procedure. 4.2. De GI wil dat de beslissing in stand blijft. 4.3. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen: het beroepschrift het standpuntstuk van de GI, ingediend op 19 februari 2026. 4.4. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben ieder apart op 23 februari 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij hebben verteld wat zij vinden van de uithuisplaatsing. 4.5. De zitting bij het hof was op 24 februari 2026. Aanwezig waren: de moeder een vertegenwoordiger van de raad als adviseur een vertegenwoordiger van de GI de advocaat van de vader. 4.6. De moeder heeft op de mondelinge behandeling, met hulp van een vooraf geschreven tekst in het Nederlands, uitgelegd dat haar (inmiddels onttrokken) advocaat volgens haar niet de waarheid spreekt en dat zij daarom niet meer wil dat haar advocaat haar vertegen-woordigt. De voorzitter heeft aan het begin van de mondelinge behandeling aan de moeder gevraagd of zij voldoende Nederlands spreekt. De moeder heeft verteld dat zij een beetje Nederlands en Engels spreekt. De voorzitter heeft hiermee rekening gehouden, en op de mondelinge behandeling stap voor stap nagevraagd of de moeder kon volgen wat er gezegd werd. Als de voorzitter zag dat de moeder iets in het Nederlands niet begreep, heeft hij dat voor haar in het Engels vertaald. Op die manier is de moeder voldoende in staat geweest om haar standpunt naar voren te brengen, te kunnen volgen wat er op de mondelinge behandeling is gezegd en te reageren op de vragen en standpunten van de aanwezigen. Het hof ziet dan ook geen reden de mondelinge behandeling aan te houden om de moeder in staat te stellen zich alsnog door een (andere) advocaat te laten vertegenwoordigen. Het hof vindt dat ook niet wenselijk, omdat vóór de mondelinge behandeling geen verzoek om aanhouding is gedaan en de kinderen al met een raadsheer hebben gesproken en rekenen op een beslissing van het hof binnen vier weken na dat gesprek. 5 Het oordeel van het hof Wat staat in de wet? 5.1. De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen . Standpunten 5.2. De moeder is het niet eens met het oordeel van de kinderechter dat voldaan is aan de wettelijke vereisten voor verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De moeder en de kinderen hebben een zeer hechte band met elkaar en de moeder is in staat de fysieke en mentale veiligheid van de kinderen in de opvoeding te waarborgen. De moeder accepteert hulpverlening en kan de beide kinderen zelf opvoeden. De moeder heeft zelf een verwijzing van de huisarts gevraagd naar de GGZ en heeft een eerste afspraak met een behandelaar van GGZ gehad op 29 januari 2026. 5.3. De GI is het niet eens met de moeder. De GI erkent dat de moeder de kinderen met de beste intenties heeft verzorgd en opgevoed. De GI maakt zich echter nog steeds grote zorgen over de mentale gezondheid van de moeder. De moeder laat in de opvoeding buiten-proportioneel wantrouwen en extreme bezorgdheid zien en daar zijn de kinderen steeds mee belast. De moeder heeft moeite met het accepteren van hulp en toont onvoldoende inzicht in haar eigen gedrag en het effect daarvan op de kinderen. Hoewel de GI een verwijzing door de huisarts van de moeder naar de GGZ ziet als een stap in de goede richting, zal nog moeten blijken of de moeder dit ook echt doorzet. 5.4. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard het eens te zijn met het standpunt van de GI. Advies raad 5.5. De raad heeft zich aangesloten bij het standpunt van de GI. De raad ziet een moeder die heel veel van haar kinderen houdt en dat is ook haar drijfveer in haar opstelling. De moeder is een vrouw die heel veel heeft meegemaakt. De moeder gaat zo op in haar eigen gedachten, overtuigingen en ideeën dat het niet meer lukt om in gesprek te komen over de opvoeding van de kinderen. Het lukt het haar niet in te zien of de kinderen haar bescherming op de manier die zij hen geeft nodig hebben. De eigen trauma’s van de moeder maken het haar soms onmogelijk om te zien wat de kinderen daadwerkelijk nodig hebben. De moeder kan haar kinderen volgens de raad juist helpen door met een psycholoog in gesprek te gaan. Hoe oordeelt het hof? 5.6. De kinderrechter heeft terecht de machtiging aan de GI gegeven. De beslissing van de kinderrechter zal in stand blijven (worden bekrachtigd). Het hof neemt - na eigen onderzoek - de overwegingen van de kinderrechter over en maakt die tot de zijne. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe. 5.7. De kinderen laten in het gezin van hun zus volgens de GI een positieve ontwikkeling zien. [de minderjarige2] volgt zwemles en dat vindt zij leuk. [de minderjarige2] heeft in de speltherapie een vertrouwens-band opgebouwd met de speltherapeut. [de minderjarige2] heeft volgens haar therapeut een groeiend gevoel van veiligheid. Ook is zichtbaar dat [de minderjarige2] nog veel spanning ervaart. In haar spel gaan haar emoties alle kanten op en is sprake van veel actie en chaos. [de minderjarige1] laat goede resultaten zien op school. Zij heeft bijles gevolgd voor een aantal vakken en profiteert volgens de GI zichtbaar van de rust en stabiliteit in het netwerkpleeggezin.