Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-03-19
ECLI:NL:GHARL:2026:1701
Strafrecht
Hoger beroep
4,091 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1701 text/xml public 2026-04-09T10:54:19 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-19 Wahv 200.357.177/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1701 text/html public 2026-04-09T10:53:30 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1701 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 19-03-2026 / Wahv 200.357.177/01 Hoorplicht. Met de tekst op de inleidende beschikking is voldoende uitdrukking gegeven aan het recht om te worden gehoord en de wijze waarop dit recht kan worden geëffectueerd. De stelling van de gemachtigde dat bij de ontvangstbevestiging van het administratief beroep standaard een formulier over de hoorzitting wordt meegestuurd, mist feitelijke grondslag. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.357.177/01 CJIB-nummer : 266290699 Uitspraak d.d. : 19 maart 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 16 juni 2025, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats]. De gemachtigde van de betrokkene is mr. M.A.K. Rahman, kantoorhoudende te Rotterdam. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling 1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 300,- voor: “op een kruispunt niet de richting volgen die de voorsorteerstrook aangeeft”. Deze gedraging zou zijn verricht op 16 mei 2024 om 20.05 uur op de Algeraweg in Capelle aan den IJssel met het voertuig met het kenteken [kenteken]. 2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de hoorplicht is geschonden. Zowel in de ontvangstbevestiging van het administratief beroepschrift als in de brief waarmee de betrokkene de gelegenheid kreeg om de gronden aan te vullen, is hij niet gewezen op de mogelijkheid om gehoord te worden. De gemachtigde stelt dat de officier van justitie bij de ontvangstbevestiging standaard het formulier voor de hoorzitting toevoegt, waarmee de wens kenbaar kan worden gemaakt dat van een hoorzitting wordt afgezien. Dit formulier bevindt zich niet het dossier, wat bevestigt dat de betrokkene dit niet heeft ontvangen. In de brief van 10 september 2024 waarin de gronden van het beroep zijn aangevuld, is verzocht om te worden gehoord. De officier van justitie heeft in diens beslissing ook niet gemotiveerd waarom van het horen is afgezien. Nu is de betrokkene in zijn belangen geschaad. Het bedrag van de sanctie moet daarom met 25 procent moet worden gematigd. De gemachtigde verwijst naar rechtspraak hierover. Daarnaast heeft de kantonrechter het beroep ten onrechte ongegrond verklaard. In het beroepschrift heeft de betrokkene verweer gevoerd dat hij niet op het kruispunt maar voor het kruispunt van rijstrook is verwisseld en dat het overig verkeer niet is gehinderd. Daarom is de gedraging niet verricht. De ambtenaar heeft weliswaar verklaard dat sprake was van hinder voor het overige verkeer, maar niet dat dit de doorstroming van het verkeer belemmerde, noch dat sprake was van een acute gevarensituatie. Tot slot voert de gemachtigde aan dat ten onrechte geen staandehouding is verricht. De ambtenaar schrijft dat hij in zijn privéauto reed, maar ook dat de gedraging binnen de bebouwde kom plaatsvond en niet bijvoorbeeld op een autosnelweg. Omdat de overtreding binnen de bebouwde kom plaatsvond had de ambtenaar mogelijk een handgebaar kunnen geven om de betrokkene staande te houden. 3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft. 4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: “Ik zag dat het voertuig op het kruispunt niet de richting volgde die de voorsorteerstrook aangaf. Ik zag dat het voertuig kwam vanuit de richting Algeraweg en reed in de richting van Capelseplein. Ik zag dat het voertuig reed op de voorsorteerstrook met de pijl die wees in de richting rechtdoor. Ik zag dat het voertuig op het kruispunt reed in de richting linksaf. Ik heb wel bijzonderheden waargenomen. Het verkeer, welke voorgesorteerd stond voor linksaf, had groen licht gekregen, op het moment dat betrokken voertuig de overtreding beging. Hierdoor werd het overige verkeer gehinderd. (…) Reden geen staandehouding: verbalisant reed in privévoertuig en had geen mogelijkheid tot staandehouding.” 5. Het verweer van de betrokkene komt neer op een enkele, niet onderbouwde ontkenning van de gedraging. De stelling van de betrokkene dat hij voor het kruispunt van rijstrook is gewisseld en geen hinder heeft veroorzaakt, wordt weersproken door de verklaring van de ambtenaar. Daargelaten dat voor het vaststellen van de gedraging niet is vereist dat daadwerkelijk sprake was van hinder, heeft de ambtenaar specifiek verklaart dat de betrokkene op de voorsorteerstrook voor rechtdoor reed en vervolgens op de kruising linksaf is gereden en dat het overige verkeer daardoor gehinderd werd. De gedraging staat vast. 6. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. 7. De ambtenaar heeft verklaard dat hij in een privévoertuig reed. In beginsel kan dan worden aangenomen dat hij niet beschikt over stopmiddelen om veilig een staandehouding te verrichten. Anders dan de gemachtigde kennelijk meent, kan een ambtenaar in privé in een dergelijke situatie niet door middel van een handgebaar een stopteken geven. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt duidelijk dat er geen reële mogelijkheid was om aanstonds de bestuurder staande te houden. De ambtenaar mocht de sanctie daarom aan de betrokkene als kentekenhouder opleggen. 8. Het hof zal vervolgens beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen. 9. Ingevolge artikel 7:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 7, tweede lid, Wahv moet de officier van justitie de indiener van het administratief beroep in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Voor zover hier van belang kan ingevolge artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. 10. Aan de betrokkene is een inleidende beschikking gestuurd met dagtekening 25 mei 2024. Op deze beschikking staat onder meer vermeld: “Wilt u in een gesprek uitleggen waarom u het niet eens bent met de boete? Geef dan uiterlijk 6 juli 2024 aan dat u gehoord wilt worden”.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1701 text/xml public 2026-04-09T10:54:19 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-19 Wahv 200.357.177/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1701 text/html public 2026-04-09T10:53:30 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1701 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 19-03-2026 / Wahv 200.357.177/01 Hoorplicht. Met de tekst op de inleidende beschikking is voldoende uitdrukking gegeven aan het recht om te worden gehoord en de wijze waarop dit recht kan worden geëffectueerd. De stelling van de gemachtigde dat bij de ontvangstbevestiging van het administratief beroep standaard een formulier over de hoorzitting wordt meegestuurd, mist feitelijke grondslag. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.357.177/01 CJIB-nummer : 266290699 Uitspraak d.d. : 19 maart 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 16 juni 2025, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats]. De gemachtigde van de betrokkene is mr. M.A.K. Rahman, kantoorhoudende te Rotterdam. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling 1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 300,- voor: “op een kruispunt niet de richting volgen die de voorsorteerstrook aangeeft”. Deze gedraging zou zijn verricht op 16 mei 2024 om 20.05 uur op de Algeraweg in Capelle aan den IJssel met het voertuig met het kenteken [kenteken]. 2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de hoorplicht is geschonden. Zowel in de ontvangstbevestiging van het administratief beroepschrift als in de brief waarmee de betrokkene de gelegenheid kreeg om de gronden aan te vullen, is hij niet gewezen op de mogelijkheid om gehoord te worden. De gemachtigde stelt dat de officier van justitie bij de ontvangstbevestiging standaard het formulier voor de hoorzitting toevoegt, waarmee de wens kenbaar kan worden gemaakt dat van een hoorzitting wordt afgezien. Dit formulier bevindt zich niet het dossier, wat bevestigt dat de betrokkene dit niet heeft ontvangen. In de brief van 10 september 2024 waarin de gronden van het beroep zijn aangevuld, is verzocht om te worden gehoord. De officier van justitie heeft in diens beslissing ook niet gemotiveerd waarom van het horen is afgezien. Nu is de betrokkene in zijn belangen geschaad. Het bedrag van de sanctie moet daarom met 25 procent moet worden gematigd. De gemachtigde verwijst naar rechtspraak hierover. Daarnaast heeft de kantonrechter het beroep ten onrechte ongegrond verklaard. In het beroepschrift heeft de betrokkene verweer gevoerd dat hij niet op het kruispunt maar voor het kruispunt van rijstrook is verwisseld en dat het overig verkeer niet is gehinderd. Daarom is de gedraging niet verricht. De ambtenaar heeft weliswaar verklaard dat sprake was van hinder voor het overige verkeer, maar niet dat dit de doorstroming van het verkeer belemmerde, noch dat sprake was van een acute gevarensituatie. Tot slot voert de gemachtigde aan dat ten onrechte geen staandehouding is verricht. De ambtenaar schrijft dat hij in zijn privéauto reed, maar ook dat de gedraging binnen de bebouwde kom plaatsvond en niet bijvoorbeeld op een autosnelweg. Omdat de overtreding binnen de bebouwde kom plaatsvond had de ambtenaar mogelijk een handgebaar kunnen geven om de betrokkene staande te houden. 3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft. 4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: “Ik zag dat het voertuig op het kruispunt niet de richting volgde die de voorsorteerstrook aangaf. Ik zag dat het voertuig kwam vanuit de richting Algeraweg en reed in de richting van Capelseplein. Ik zag dat het voertuig reed op de voorsorteerstrook met de pijl die wees in de richting rechtdoor. Ik zag dat het voertuig op het kruispunt reed in de richting linksaf. Ik heb wel bijzonderheden waargenomen. Het verkeer, welke voorgesorteerd stond voor linksaf, had groen licht gekregen, op het moment dat betrokken voertuig de overtreding beging. Hierdoor werd het overige verkeer gehinderd. (…) Reden geen staandehouding: verbalisant reed in privévoertuig en had geen mogelijkheid tot staandehouding.” 5. Het verweer van de betrokkene komt neer op een enkele, niet onderbouwde ontkenning van de gedraging. De stelling van de betrokkene dat hij voor het kruispunt van rijstrook is gewisseld en geen hinder heeft veroorzaakt, wordt weersproken door de verklaring van de ambtenaar. Daargelaten dat voor het vaststellen van de gedraging niet is vereist dat daadwerkelijk sprake was van hinder, heeft de ambtenaar specifiek verklaart dat de betrokkene op de voorsorteerstrook voor rechtdoor reed en vervolgens op de kruising linksaf is gereden en dat het overige verkeer daardoor gehinderd werd. De gedraging staat vast. 6. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. 7. De ambtenaar heeft verklaard dat hij in een privévoertuig reed. In beginsel kan dan worden aangenomen dat hij niet beschikt over stopmiddelen om veilig een staandehouding te verrichten. Anders dan de gemachtigde kennelijk meent, kan een ambtenaar in privé in een dergelijke situatie niet door middel van een handgebaar een stopteken geven. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt duidelijk dat er geen reële mogelijkheid was om aanstonds de bestuurder staande te houden. De ambtenaar mocht de sanctie daarom aan de betrokkene als kentekenhouder opleggen. 8. Het hof zal vervolgens beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen. 9. Ingevolge artikel 7:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 7, tweede lid, Wahv moet de officier van justitie de indiener van het administratief beroep in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Voor zover hier van belang kan ingevolge artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. 10. Aan de betrokkene is een inleidende beschikking gestuurd met dagtekening 25 mei 2024. Op deze beschikking staat onder meer vermeld: “Wilt u in een gesprek uitleggen waarom u het niet eens bent met de boete? Geef dan uiterlijk 6 juli 2024 aan dat u gehoord wilt worden”.