Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-01-13
ECLI:NL:GHARL:2026:165
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.340.967 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort: 10570694 arrest van 13 januari 2026 in de zaak van 1 [appellant1] 2. [appellant2] die wonen in [woonplaats1] advocaat: mr. J.C. Wery en [geintimeerde] , handelend onder de naam Timmerbedrijf [geintimeerde] die woont in [woonplaats2] advocaat: mr. L. Alberts 1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. Naar aanleiding van het arrest van 18 juni 2024 heeft op 29 augustus 2024 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). 1.2. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de memorie van grieven de memorie van antwoord het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 1 oktober 2025 is gehouden. 1.3. Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen. 2 De kern van de zaak 2.1. [geintimeerde] heeft op 28 januari 2022 een offerte uitgebracht aan [appellant1] en [appellant2] voor het maken van 7 kozijnen en 2 deuren en voor het leveren van 37 losse ramen. In de offerte stond: “ Dit kunnen we aanbieden voor € 52.500,- excl. btw. Offerte is excl. plaatsen en aftimmerwerk. ” Op 13 februari 2022 zijn [appellant1] en [appellant2] akkoord gegaan met de offerte. Zij hebben daarbij ook nog opdracht gegeven voor het vervangen van de ramen boven in de erker op de eerste verdieping, voor € 1.500. [geintimeerde] heeft uiteindelijk in plaats van zeven kozijnen, twaalf kozijnen voor [appellant1] en [appellant2] gemaakt. In zijn eindfactuur van 28 december 2022 heeft [geintimeerde] voor meerwerk van vijf dakkapelkozijnen € 1.282,45 aan materiaal en € 2.704 aan arbeid in rekening gebracht, vermeerderd met 21% btw. Op de eindfactuur is ook een meerwerkpost van € 1.742 (ook vermeerderd met 21% btw) voor 33,5 uur arbeid voor de montage van ramen en deuren in rekening gebracht. Deze post had te maken met de tijd die [geintimeerde] heeft gestoken in het helpen van de aannemer van [appellant1] en [appellant2] (klussenbedrijf [de aannemer] vof) bij de montage van de geleverde (draai)ramen en een deur. Volgens de eindfactuur moesten [appellant1] en [appellant2] nog € 12.292,95 inclusief btw betalen. Van dit bedrag hebben [appellant1] en [appellant2] € 10.699,96 onbetaald gelaten. Ook de daarna nog opgemaakte factuur voor het meerwerk van de erkerramen op de eerste verdieping (€ 1.500 exclusief en € 1.815 inclusief btw) hebben zij onbetaald gelaten. 2.2. Bij de kantonrechter vroeg [geintimeerde] betaling van € 13.509,46 inclusief btw, incassokosten en rente en exclusief proceskosten. [appellant1] en [appellant2] vroegen, in reconventie, betaling van € 4.000 als schadevergoeding omdat de kozijnen niet pasten, waardoor zij [de aannemer] meer hebben moeten betalen doordat hij meer tijd kwijt was met het plaatsen van de kozijnen. 2.3. De kantonrechter heeft in haar vonnis van 14 februari 2024 (gepubliceerd in ECLI:NL:RBMNE:2024:633) de vordering van [geintimeerde] toegewezen tot € 11.293,45, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter oordeelde dat [appellant1] en [appellant2] de in rekening gebrachte bedragen voor het maken van de dakkapelkozijnen en voor de montage van de ramen en deuren verschuldigd zijn omdat zij (ter hoogte van de gefactureerde bedragen) ongerechtvaardigd zijn verrijkt door dat meerwerk. Wat betreft de meerwerkpost voor het vervangen van erkerramen op de eerste verdieping, heeft de kantonrechter overwogen dat niet betwist is dat [appellant1] en [appellant2] daartoe opdracht hebben gegeven en dat zij hiervoor een bedrag van € 1.815 inclusief btw aan [geintimeerde] verschuldigd zijn. De reconventionele vordering tot betaling van schadevergoeding aan [appellant1] en [appellant2] heeft de kantonrechter afgewezen. 2.4. [appellant1] en [appellant2] komen in dit hoger beroep op tegen de toegewezen v Bij beantwoording van de vraag of [appellant1] en [appellant2] over de prijs van het werk zijn misleid, moet de rechter uitgaan van de verwachtingen van een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument . Ook uit artikel 6:230l aanhef en onder c BW (hier toepasselijk omdat als onbetwist vaststaat dat de overeenkomst niet buiten de verkoopruimte of op afstand is gesloten) volgt dat de handelaar, voor zover de informatie niet reeds duidelijk uit de context blijkt, de prijs inclusief belastingen moet verstrekken. In artikel 38 Wet OB is bepaald dat het de ondernemer verboden is om aan anderen dan ondernemers en publiekrechtelijke lichamen goederen en diensten aan te bieden tegen prijzen met zodanige aanduidingen dat de omzetbelasting niet in de prijzen zou zijn begrepen. In artikel 42 van dezelfde wet staat dat hij die het in artikel 38 vervatte verbod overtreedt wordt gestraft met een geldboete van de derde categorie. 3.5. Naar het oordeel van het hof blijkt uit het feit dat in de offerte een prijs is aangeboden van “€ 52.500,- excl. btw” dat bovenop het genoemde bedrag nog btw in rekening zou worden gebracht. Dit moet voor de gemiddelde (dus: normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende) consument in ieder geval duidelijk zijn geweest. Daarmee heeft [geintimeerde] voldoende prijsinformatie gegeven om [appellant1] en [appellant2] in staat te stellen een geïnformeerd besluit te nemen. [appellant2] heeft tijdens de zitting bij het hof verklaard dat zij over de toevoeging “exclusief btw” heeft heengelezen. Dat kan echter niet aan [geintimeerde] worden tegengeworpen. Het is aan de (redelijk oplettende en voorzichtige) consument om de offerte voldoende aandachtig te lezen. [appellant1] en [appellant2] hebben nog aangevoerd dat onduidelijk was of het verschuldigde btw-bedrag 9% of 21% bedroeg. Daar heeft [geintimeerde] tegenin gebracht dat hij enkel kozijnen heeft gemaakt en ramen heeft geleverd en dat daarbij, zoals een gemiddelde consument weet, een btw van 21% hoort. Enkel bij een aantal diensten, zoals het uitvoeren van schilderwerk, is dat anders, in elk geval was dat ten tijde van het belastbare feit anders. Of het in de grondverf zetten van de daarná geleverde kozijnen onder een lager tarief valt, blijkt pas wanneer het belastbare feit zich voordoet: het tarief dat op dat moment geldt is bepalend voor de hoogte van de btw. [appellant1] en [appellant2] hebben in het licht van het voorgaande niet voldoende gemotiveerd gesteld dat de informatie in de offerte niet klopt of onvolledig en daardoor misleidend is. Dat zij wel degelijk wisten dat zij (21%) btw verschuldigd waren over de aangeboden prijs kan overigens worden afgeleid uit het feit dat zij de verschillende termijnfacturen inclusief de daarop uitgeschreven btw-bedragen van 21% telkens zonder vragen te stellen hebben betaald en dat zij op 17 maart 2023 een aantal niet betwiste posten van de eindfactuur hebben betaald, inclusief het door henzelf daarbij toegepaste btw-tarief van 21%. 3.6. [geintimeerde] heeft artikel 38 Wet OB niet overtreden, omdat hij met de aanduiding “excl. btw” heeft duidelijk gemaakt dat ook btw in rekening zou worden gebracht: na een aanvaarding van de offerte zouden [appellant1] en [appellant2] hem de prijs zijn verschuldigd die bestaat uit het totaal van het offertebedrag en de over dat bedrag verschuldigde de btw. 3.7. De conclusie van het voorgaande is dat de door [appellant1] en [appellant2] betaalde btw niet onverschuldigd aan [geintimeerde] is betaald omdat deze betalingsverplichting uit de aannemingsovereenkomst voortvloeit, welke overeenkomst niet vernietigbaar is. 3.8. [appellant1] en [appellant2] stellen zich in hoger beroep ook op het standpunt dat zij geen btw verschuldigd zijn over de door hen erkende meerprijs van € 1.500 voor de ramen in de erker op de eerste verdieping. Vaststaat dat [appellant1] en [appellant2] op 13 februari 2022 aan [geintimeerde] de opdracht hebben verstrekt om ook die ramen te Hij heeft daar nog iets vanaf gedaan, doordat hij de oorspronkelijk separaat in rekening gebrachte ramen behorende bij deze kozijnen, van de prijs heeft afgetrokken. Ter zitting heeft [geintimeerde] verklaard dat hij in totaal voor de vijf kozijnen € 4.500 in rekening gebracht, minder dan 10% van de offerte. Volgens [geintimeerde] is de in rekening gebrachte meerprijs dus redelijk. [appellant1] en [appellant2] hebben dit niet betwist. Zij hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd die erop wijzen dat de prijs onredelijk is. Daarom zijn [appellant1] en [appellant2] op grond van artikel 7:752 lid 1 BW in beginsel dit bedrag aan [geintimeerde] verschuldigd. 3.13. [appellant1] en [appellant2] hebben echter terecht opgemerkt dat omdat sprake is van een consumentenovereenkomst beoordeeld moet worden of de meerwerkovereenkomst voldoet aan de Richtlijn consumentenrechten, geïmplementeerd in artikel 6:230g e.v. BW. Een handelaar moet de consument duidelijke informatie over de prijs geven (zie hiervoor onder 3.4), zodat de consument op goed geïnformeerde wijze kan beslissen of hij de opdracht tot meerwerk wil verstrekken. Deze bepaling van consumentenbescherming is strenger dan, en gaat voor op artikel 7:755 BW. De Hoge Raad heeft ten aanzien van de Richtlijn consumentenbescherming overwogen dat de rechter ambtshalve moet onderzoeken of aan (onder andere) essentiële informatieplichten is voldaan en voorts of hij ambtshalve een sanctie moet toepassen. Die sanctie moet doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De sanctie kan, in geval van een voldoende ernstige schending van een of meer essentiële informatieplichten bestaan uit de vernietiging van de overeenkomst op grond van artikel 3:40 lid 2 BW (strijd met een dwingende wetsbepaling die uitsluitend strekt ter bescherming van één van de partijen bij een meerzijdige rechtshandeling) of uit gedeeltelijke vernietiging met vermindering van de (betalings)verplichtingen van de consument. De in artikel 6:230 m lid 1 onder e BW (ten aanzien van overeenkomsten op afstand en buiten de verkoopruimte) vastgelegde plicht om informatie over de prijs te verstrekken, is zo’n essentiële informatieplicht. Uit een recent arrest van de Hoge Raad leidt het hof af dat hetzelfde geldt voor de in artikel 6:230l aanhef en onder c BW – met betrekking tot overeenkomsten die binnen de verkoopruimte zijn gesloten – opgenomen gelijkluidende plicht om prijsinformatie te verschaffen. In de literatuur werd al aangenomen dat voor de essentiële informatieplichten in artikel 6:230l BW hetzelfde geldt. In de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton, naar aanleiding van voormeld arrest van de Hoge Raad, ontwikkelde ‘Richtlijn sanctiemodel informatieplichten’ wordt daar ook van uitgegaan. 3.14. Het hof gaat er daarom van uit dat een schending van de plicht om informatie over de prijs te verschaffen (niet alleen genoemd in artikel 6:230l aanhef en onder c BW, maar ook in het eveneens ambtshalve toe te passen artikel 6:193e lid 1 sub c BW, zie hiervoor onder 3.4) ook (en op dezelfde wijde) moet worden gesanctioneerd in het geval de overeenkomst binnen de verkoopruimte is gesloten. Daarom kan in het midden blijven of ook ten aanzien van de (hier veronderstellenderwijze aangenomen) meerwerkovereenkomst al dan niet sprake is van een overeenkomst op afstand en buiten de verkoopruimte. Omdat vaststaat dat [geintimeerde] geen meerwerkprijs heeft genoemd, noch de manier waarop de prijs zou worden berekend, heeft hij de essentiële informatieplicht van artikel 6:230m lid 1 onder e dan wel 6:230l aanhef en onder c BW geschonden. Dat kan leiden tot gehele vernietiging van de meerwerkovereenkomst dan wel tot gedeeltelijke vernietiging van die overeenkomst en de toepassing van een korting volgens het (niet bindende) sanctiemodel. Vernietiging brengt mee dat geen van beide partijen recht heeft op de overeengekomen prestatie. Een ter uitvoering van de overeenkomst geleverd goed moet worden teruggegeven en een verrichte Wat de hoogte van de op grond van de ongerechtvaardigde verrijking toe te wijzen schadevergoeding betreft, geldt dat op grond van artikel 6:212 lid 1 BW niet meer kan worden toegewezen dan het bedrag van de verrijking en ook niet meer dan het bedrag van de daarmee verband houdende verarming, en dat alleen schadevergoeding kan worden toegewezen voor zover dit redelijk is. - Verrijking van [appellant1] en [appellant2] 3.19. [appellant1] en [appellant2] hebben, zonder dat daar een betalingsverplichting tegenover staat, vijf dakkapelkozijnen geleverd gekregen en geplaatst. De oorspronkelijke overeenkomst zag op zeven kozijnen. Uiteindelijk zijn er twaalf kozijnen gemaakt en ingebouwd. Als onbetwist staat vast dat de bestaande dakkapelkozijnen oud en rot waren, bekleed met stalen strips waardoor het hout daaronder niet zonder destructief onderzoek zichtbaar was. Ook staat vast dat de nieuwe kozijnen anders zijn ingedeeld dan de oude kozijnen, waardoor een volwassen persoon nu – anders dan tevoren – in de dakkapel kan staan. [appellant1] en [appellant2] beschikken nu dus over nieuwe kozijnen, waardoor zij kosten uitsparen om (op kortere of langere termijn) de rotte kozijnen te laten vervangen. Bovendien is hun woongenot vergroot doordat de nieuwe kozijnindeling maakt dat zij nu bij de dakkapellen kunnen staan. Het hof gaat ervan uit dat dit alles zich ook vertaalt in een hogere waarde van het huis. Zoals in 3.12 is overwogen, acht het hof het in rekening gebrachte bedrag, feitelijk geen € 4.500 maar bijna € 4.000, op zich een redelijke prijs. Dat betekent echter nog niet dat [appellant1] en [appellant2] tot dat bedrag verrijkt zijn. Die verrijking, die zich niet nauwkeurig laat vaststellen, schat het hof op € 3.500. - Verarming van [geintimeerde] 3.20. De verarming van [geintimeerde] is de schade die hij heeft geleden. Daaronder valt zowel geleden verlies als gederfde winst, dus ook de door [geintimeerde] in rekening gebrachte winstmarge. Het hof gaat ervan uit dat de schade van [geintimeerde] gelijk is aan het door hem in rekening gebrachte bedrag van € 4.000, welk bedrag ook in relatie tot de offerte van 28 januari 2022 een redelijk bedrag was (zie 3.12). [geintimeerde] is dus voor € 4.000 verarmd. Voorts bestaat er gelet op het voorgaande voldoende verband tussen de verrijking en de verarming. - De verrijking is ongerechtvaardigd 3.21. Wanneer ervan wordt uitgegaan dat [appellant1] en [appellant2] geen opdracht hebben verstrekt om vijf extra kozijnen te maken, is het hof op grond van de hierna te noemen feiten en omstandigheden van oordeel dat er geen redelijke grond aanwezig is voor hun verrijking. Vaststaat dat [appellant1] en [appellant2] de beoordeling van de staat van de kozijnen aan [geintimeerde] overlieten. Aan de hand daarvan zou hij een offerte opstellen voor een aantal te vervangen kozijnen. Waar dat niet nodig was, zou hij alleen nieuwe ramen leveren. Partijen zijn het er ook over eens dat er stalen strips over de houten kozijnen zaten, waardoor voor [geintimeerde] niet op het eerste gezicht duidelijk was dat het hout van de kozijnen in een slechte staat verkeerde. Nadat [geintimeerde] de offerte van 28 januari 2022 had afgegeven voor het maken van zeven kozijnen (op de begane grond en de eerste verdieping) is in maart 2022 nog gesproken over de kozijnen op zolder. [geintimeerde] heeft [appellant1] en [appellant2] op 14 maart 2022 tekeningen van de kozijnen op de zolderverdieping gestuurd, waarop [appellant2] op 15 maart 2022 heeft geantwoord: “ Dat ziet er goed uit. We gaan ermee akkoord! ” Vervolgens heeft [geintimeerde] twaalf kozijnen gemaakt, die enige tijd in de tuin van [appellant1] en [appellant2] hebben gestaan voordat hun aannemer, klussenbedrijf [de aannemer] , ze in de woning heeft geplaatst. [appellant1] en [appellant2] hebben tegenover [geintimeerde] niet gevraagd waarom er twaalf in plaats van zeven kozijnen waren geleverd. Uit de stellingen van [appellant1] en [appellant2] begrijpt het hof dat dat is i [geintimeerde] heeft aan de hand van foto’s onderbouwd gesteld dat [de aannemer] onvoldoende kennis en vaardigheden had om ramen en kozijnen te monteren: zo dacht [de aannemer] dat de nieuwe kozijnen in de bestaande kozijnen zouden moeten worden geplaatst, en heeft zij verschillende fouten gemaakt bij de door haar geplaatste kozijnen. Daarom is in oktober 2022 met [appellant1] en [appellant2] afgesproken dat [geintimeerde] aanvullende werkzaamheden zou verrichten. [geintimeerde] verwijst daarbij naar bij inleidende dagvaarding overgelegde correspondentie. In een e-mail van 26 oktober 2022 vroeg hij aan [appellant1] en [appellant2] wie een aantal specifiek benoemde ramen, die open kunnen en voorzien zijn van hang en sluitwerk, zou monteren, en wie de buitendeur bijkeuken en de delen daarop zou monteren. [appellant2] heeft daarop op 30 oktober 2022 gereageerd met het verzoek aan [geintimeerde] om te bellen om dit door te spreken. Het monteren van de draaiende delen had niets te maken met slechte of niet passende kozijnen, aldus [geintimeerde] . 3.27. Het hof overweegt dat [geintimeerde] , onder verwijzing naar de in 3.26 genoemde correspondentie, gemotiveerd heeft gesteld dat hij het montagewerk, wat niet tot zijn opdracht behoorde, op een in oktober 2022 door [appellant1] en [appellant2] verstrekte opdracht heeft verricht, omdat [de aannemer] niet in staat bleek de bewegende delen te monteren. Vervolgens heeft [geintimeerde] dit uitgevoerd. Dit duidt op tussen partijen gemaakte afspraken. Doordat [appellant1] en [appellant2] hier niets feitelijks tegenover hebben gesteld en zij alleen ontkennen dat er afspraken zijn gemaakt, hebben zij [geintimeerde] onderbouwde stelling dat hij het montagewerk in hun opdracht heeft verricht niet voldoende gemotiveerd betwist. Daarmee is deze stelling van [geintimeerde] komen vast te staan. Volledigheidshalve overweegt het hof nog dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ook niet valt in te zien waarom het monteren van draaiende delen verband houdt met het al dan niet passend zijn van de kozijnen. Hieronder zal, in het kader van de door [appellant1] en [appellant2] gevraagde schadevergoeding, nog nader op de stelling van de niet passende kozijnen worden ingegaan. 3.28. Uitgaande van een opdracht waarbij geen prijs is afgesproken, zijn [appellant1] en [appellant2] op grond van artikel 7:752 lid 1 BW een redelijke prijs voor de door [geintimeerde] gewerkte uren verschuldigd. Omdat het in rekening gebrachte aantal uren noch de redelijkheid van de uurprijs is betwist, zijn [appellant1] en [appellant2] in beginsel het bedrag van € 1.742 verschuldigd. 3.29. Ook in dit kader geldt echter dat [geintimeerde] op grond van artikel 6:230l aanhef en sub c of artikel 6:230 lid 1 sub e BW gehouden was om in ieder geval (op zijn minst) voldoende duidelijke informatie te verschaffen over de manier waarop de prijs zou worden berekend. Dat heeft hij niet gedaan. Ook wat betreft deze nadere opdracht acht het hof de gehele vernietiging van de meerwerkovereenkomst een passende sanctie. Door de vernietiging hoeven [appellant1] en [appellant2] het hiervoor gefactureerde bedrag niet meer te betalen. Omdat ook deze prestatie niet meer ongedaan kan worden gemaakt en [geintimeerde] een beroep doet op ongerechtvaardigde verrijking, zal het hof dat beroep beoordelen. De vraag of de kantonrechter buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden door ter zitting de ongerechtvaardigde verrijking op te werpen, is net als ten aanzien van de dakkapelkozijnen niet relevant voor de beantwoording van die vraag. Ook wat dit meerwerk betreft, kan die vraag dus onbeantwoord blijven. 3.30. Naar het oordeel van het hof zijn [appellant1] en [appellant2] , gelet op de redelijkheid van de in rekening gebrachte prijs, waardoor ervan uit moet worden gegaan dat zij een dergelijk bedrag ook aan een ander hadden moeten betalen, voor € 2.107,82 (1.742 + 21% btw) verrijkt. Aangenomen moet worden dat [geintimeerde] voor het (redelijke) bedrag v De overige posten op de eindfactuur zijn [appellant1] en [appellant2] niet verschuldigd. Omdat [appellant1] en [appellant2] ongerechtvaardigd zijn verrijkt doordat [geintimeerde] vijf dakkapelkozijnen heeft gemaakt en 33,5 uur heeft besteed aan het monteren van ramen en deuren, zijn zij wel gehouden de daardoor geleden schade van [geintimeerde] te vergoeden. Nog openstaat een schadevergoedingsvordering van € 4.605,55 (€ 3.105,55 en € 1.500). 3.37. De kantonrechter heeft alleen wettelijke rente toegewezen over het op de eindfactuur in rekening gebrachte meerwerk over de periode 11 januari 2023 tot en met 11 april 2023. Geen van beide partijen is in hoger beroep opgekomen tegen de verschuldigdheid van wettelijke rente over die beperkte periode. Daarom zal ook het hof daarvan uitgaan, ook wat betreft de plicht tot vergoeding van de verarming van [geintimeerde] , en [appellant1] en [appellant2] veroordelen tot betaling van wettelijke rente over het bedrag van € 4.605,55 over de periode van 11 januari 2023 tot en met 11 april 2023. Omdat [geintimeerde] geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld tegen het niet toewijzen van wettelijke rente over de periode na 11 april 2023, noch tegen het niet toewijzen van wettelijke rente over het toegewezen bedrag van € 1.815, zal ook het hof verder geen wettelijke rente toewijzen. 3.38. Partijen zijn het erover eens dat [appellant1] en [appellant2] op het verschuldigde bedrag op grond van door [geintimeerde] gelegd beslag en een betalingsregeling € 2.782,42 aan [geintimeerde] hebben afbetaald. Omdat niet valt uit te sluiten dat [appellant1] en [appellant2] op grond van het gelegde beslag inmiddels meer hebben voldaan aan [geintimeerde] , zal het hof bepalen dat de door [appellant1] en [appellant2] (onder het beslag) betaalde bedragen in mindering moeten worden gebracht op de door hen te betalen bedragen. Volledigheidshalve merkt het hof nog op dat daaronder niet valt het op 17 maart 2023 betaalde bedrag van € 1.593,99, omdat daarmee al rekening is gehouden bij het bepalen van de nog verschuldigde hoofdsom. 3.39. Tegen de toewijzing van de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten hebben [appellant1] en [appellant2] als bezwaar aangevoerd dat [geintimeerde] geen vordering op [appellant1] en [appellant2] heeft. Dat bezwaar is ongegrond. Daarom zal ook het hof die rente en kosten toewijzen. Omdat een lagere hoofdsom (in totaal € 6.420,55) wordt toegewezen, zal op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 696,03 worden toegewezen in plaats van € 853,65. 3.40. Op grond van het voorgaande zal de conventionele veroordeling van [appellant1] en [appellant2] tot betaling van € 12.241,62 worden vernietigd en zal een kleiner bedrag worden toegewezen. Omdat [appellant1] en [appellant2] nog steeds als in eerste aanleg in conventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij hebben te gelden, zal het hof de proceskostenveroordeling in conventie bekrachtigen. 3.41. De reconventionele vordering van [appellant1] en [appellant2] is, als overwogen, terecht afgewezen. Daarom zal de door de kantonrechter in reconventie gegeven beslissing worden bekrachtigd. 3.42. Omdat [appellant1] en [appellant2] ook in hoger beroep grotendeels in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak (de nakosten zijn nog niet in de kostenbegroting begrepen) en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. 3.43. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4 De beslissing Het hof: 4.1. vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 14 februari 2014 voor zover [appellant1] en [appellant2] daarbij (onder 6.1) zi