Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-03-17
ECLI:NL:GHARL:2026:1640
Civiel recht
Hoger beroep
3,997 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1640 text/xml public 2026-03-30T16:04:53 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-17 200.349.980 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2024:10610 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1640 text/html public 2026-03-30T16:04:19 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1640 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 17-03-2026 / 200.349.980 7:365 lid 3 BW. Ontslag uit pacht van één van twee echtelieden na echtscheiding. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.349.980 zaaknummer rechtbank Noord-Holland 11049772 arrest van de pachtkamer van 17 maart 2026 in de zaak van [appellante] die woont in [woonplaats 1] (gemeente [gemeente 1] ) die hoger beroep heeft ingesteld en bij de pachtkamer in Zaanstad optrad als gedaagde hierna: [appellante] advocaat: mr. C.A. van Kooten – de Jong tegen [geïntimeerde 1] , die woont in [woonplaats 1] (gemeente [gemeente 1] ) en bij de pachtkamer in Zaanstad optrad als eiser hierna: [geïntimeerde 1] advocaat: mr. J.T.A.M. van Mierlo en Stichting [geïntimeerde 2/verpachter] die is gevestigd in [vestigingsplaats] (gemeente [gemeente 2] ) en bij de pachtkamer in Zaanstad optrad als gedaagde hierna: de Stichting advocaat: mr. D.A. Bates 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep Naar aanleiding van het arrest van 19 augustus 2025 heeft op 5 februari 2026 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen. 2 De kern van de zaak 2.1. [appellante] en [geïntimeerde 1] waren getrouwd en waren beiden als pachter partij bij een pachtovereenkomst uit 2008 met het [geïntimeerde 2/verpachter] als verpachter. De pachtovereenkomst zag op een boerderij met opstallen en 15,27 ha in [gemeente 1] . [appellante] en [geïntimeerde 1] hadden samen een vennootschap onder firma waarin een melkgeitenhouderij en zorgboerderij werd gedreven. Het huwelijk is in januari 2022 ontbonden. [appellante] en [geïntimeerde 1] hebben de vof beëindigd, afgesproken dat [geïntimeerde 1] de onderneming voortzet en [appellante] € 380.725 zou betalen. In ieder geval vanaf 2020 woonde [appellante] in de boerderij. [geïntimeerde 1] woonde in een strandhuisje op het erf van het gepachte. 2.2. [geïntimeerde 1] vordert dat [appellante] uit de pacht wordt ontslagen en wordt bevolen om de gepachte woning met opstallen te ontruimen op straffe van de verbeurte van een dwangsom. De pachtkamer in Zaanstad heeft deze vorderingen toegewezen en de ontruiming bepaald op 31 januari 2025. [appellante] is verhuisd. 2.3. [appellante] komt daartegen in hoger beroep. Zij wil dat het vonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van [geïntimeerde 1] alsnog worden afgewezen. 3 De toelichting op de beslissing van het hof [appellante] moet uit de pacht ontslagen worden 3.1. Artikel 7:365 lid 3 BW bepaalt dat een medepachter zich tot de rechter kan wenden met de vordering de andere medepachter uit de pacht te ontslaan op de grond dat de onderlinge verhouding een gemeenschappelijke bedrijfsvoering ernstig bemoeilijkt. De rechter beoordeelt dat naar billijkheid. [geïntimeerde 1] stelt dat hiervan sprake is en de pachtkamer was dat met hem eens. Daartegen komt [appellante] op. 3.2. Het hof oordeelt dat de onderlinge verhoudingen een gemeenschappelijke bedrijfsvoering ernstig bemoeilijken en dat [appellante] terecht uit de medepacht is ontslagen. Het huwelijk tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] bestaat niet meer. De gemeenschappelijke bedrijfsvoering in de vof bestaat niet meer. Volgens afspraak tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] heeft [geïntimeerde 1] het bedrijf voortgezet en met [appellante] is in verband daarmee afgerekend. [appellante] en [geïntimeerde 1] willen niet meer gemeenschappelijk het bedrijf voeren. Samenwerking tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] is, als al niet onmogelijk, dan toch bijzonder moeilijk, zo blijkt uit deze rechtszaak. Het is onweersproken dat sinds de laatste rechtszaak bij de pachtkamer in Zaanstad partijen niet meer met elkaar hebben gesproken zoals bleek tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep. Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep waargenomen dat in ieder geval bij [geïntimeerde 1] ernstige tegenzin bestaat tegen verdere samenwerking en contact met [appellante] . Het staat daarmee vast dat de onderlinge verhouding tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] een gemeenschappelijke bedrijfsvoering ernstig belemmert. [appellante] zegt dat de onderlinge verhoudingen niet ernstig verstoord zijn, of in ieder geval niet zodanig dat een gezamenlijk bedrijfsvoering ernstig zou worden bemoeilijkt, en wijst erop dat het bedrijf nu goed loopt en zij niets hindert. Het hof oordeelt anders: dat het bedrijf nu goed loopt betekent niet dat [appellante] en [geïntimeerde 1] samen nog het bedrijf zouden kunnen voeren. 3.3. [appellante] betoogt dat haar werkzaamheden feitelijk sinds het aangaan van de pachtovereenkomst niet gewijzigd zijn en er dus ook geen reden is om haar nu uit de pacht te ontslaan. Het hof gaat daaraan voorbij. Het wezenlijke verschil is dat destijds de echtelieden samen middels een vof het bedrijf voerden voor hun gezamenlijk rekening en risico. Partijen zijn geen echtelieden meer en hebben ook niet samen voor hun rekening en risico een bedrijf. Dat de pachtovereenkomst op naam van [appellante] en [geïntimeerde 1] staat en niet op naam van de vennootschap onder firma, maakt dat ook niet anders. 3.4. [appellante] beroept zich op een afspraak in het echtscheidingsconvenant, waarin zou zijn afgesproken dat zowel [appellante] als [geïntimeerde 1] partij bij de pachtovereenkomst zouden blijven. In het echtscheidingsconvenant staat niets opgenomen over wie er partijen bij de pachtovereenkomst zouden blijven. Wel staat daarin opgenomen dat [geïntimeerde 1] in de relatie [geïntimeerde 1] - [appellante] voor de pachtbetalingen verantwoordelijk is. Het beroep op een afspraak die in een verslag van de mediator is opgenomen leidt niet tot een andere conclusie. Daarin staat dat is afgesproken dat zij voorlopig allebei op het pachtcontract zouden blijven staan, in ieder geval zolang de kinderen thuis zouden wonen. Die afspraak is niet in het echtscheidingsconvenant opgenomen. Dat daarmee afstand zou zijn gedaan van de mogelijkheid om op grond van artikel 7: 365 lid 3 BW ontslag van een medepachter te vragen, ziet het hof niet in. In het verslag is opgenomen dat als er een wijzing in omstandigheden was, waaronder nieuwe partners, partijen zouden overleggen. Het betrof dus een voorlopige afspraak. Een wijziging van omstandigheden heeft zich naar het oordeel van het hof voorgedaan, omdat de verhouding tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] is verslechterd. 3.5. [appellante] heeft betoogd dat haar belang is, dat als er iets met [geïntimeerde 1] gebeurt, zij het bedrijf weer kan overnemen om zo overname door een of meer kinderen van [appellante] en [geïntimeerde 1] makkelijker te maken. Zij heeft gezegd dat zij “op dit moment” en “voor zolang hij zittende boer is” geen rechten zal doen gelden. In het licht van alle omstandigheden ziet het hof daarin onvoldoende reden om [appellante] niet uit de medepacht te ontslaan. Het belang bij overname van de pacht is onvoldoende omdat [appellante] geen agrariër is, geen relevante opleiding heeft en ook anderszins niet is gebleken dat zij in staat zou zijn om de geitenhouderij te exploiteren. Voortzetten van de pacht als er met [geïntimeerde 1] iets gebeurt lijkt dan ook niet realistisch. Daartegenover staat dat als [appellante] medepachter blijft [geïntimeerde 1] op belangrijke punten over het pachtcontract haar zal moeten informeren en met haar overeenstemming moet bereiken. Dat is in het licht van de verslechterde verhouding bezwaarlijk.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1640 text/xml public 2026-03-30T16:04:53 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-17 200.349.980 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2024:10610 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1640 text/html public 2026-03-30T16:04:19 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1640 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 17-03-2026 / 200.349.980 7:365 lid 3 BW. Ontslag uit pacht van één van twee echtelieden na echtscheiding. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.349.980 zaaknummer rechtbank Noord-Holland 11049772 arrest van de pachtkamer van 17 maart 2026 in de zaak van [appellante] die woont in [woonplaats 1] (gemeente [gemeente 1] ) die hoger beroep heeft ingesteld en bij de pachtkamer in Zaanstad optrad als gedaagde hierna: [appellante] advocaat: mr. C.A. van Kooten – de Jong tegen [geïntimeerde 1] , die woont in [woonplaats 1] (gemeente [gemeente 1] ) en bij de pachtkamer in Zaanstad optrad als eiser hierna: [geïntimeerde 1] advocaat: mr. J.T.A.M. van Mierlo en Stichting [geïntimeerde 2/verpachter] die is gevestigd in [vestigingsplaats] (gemeente [gemeente 2] ) en bij de pachtkamer in Zaanstad optrad als gedaagde hierna: de Stichting advocaat: mr. D.A. Bates 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep Naar aanleiding van het arrest van 19 augustus 2025 heeft op 5 februari 2026 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen. 2 De kern van de zaak 2.1. [appellante] en [geïntimeerde 1] waren getrouwd en waren beiden als pachter partij bij een pachtovereenkomst uit 2008 met het [geïntimeerde 2/verpachter] als verpachter. De pachtovereenkomst zag op een boerderij met opstallen en 15,27 ha in [gemeente 1] . [appellante] en [geïntimeerde 1] hadden samen een vennootschap onder firma waarin een melkgeitenhouderij en zorgboerderij werd gedreven. Het huwelijk is in januari 2022 ontbonden. [appellante] en [geïntimeerde 1] hebben de vof beëindigd, afgesproken dat [geïntimeerde 1] de onderneming voortzet en [appellante] € 380.725 zou betalen. In ieder geval vanaf 2020 woonde [appellante] in de boerderij. [geïntimeerde 1] woonde in een strandhuisje op het erf van het gepachte. 2.2. [geïntimeerde 1] vordert dat [appellante] uit de pacht wordt ontslagen en wordt bevolen om de gepachte woning met opstallen te ontruimen op straffe van de verbeurte van een dwangsom. De pachtkamer in Zaanstad heeft deze vorderingen toegewezen en de ontruiming bepaald op 31 januari 2025. [appellante] is verhuisd. 2.3. [appellante] komt daartegen in hoger beroep. Zij wil dat het vonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van [geïntimeerde 1] alsnog worden afgewezen. 3 De toelichting op de beslissing van het hof [appellante] moet uit de pacht ontslagen worden 3.1. Artikel 7:365 lid 3 BW bepaalt dat een medepachter zich tot de rechter kan wenden met de vordering de andere medepachter uit de pacht te ontslaan op de grond dat de onderlinge verhouding een gemeenschappelijke bedrijfsvoering ernstig bemoeilijkt. De rechter beoordeelt dat naar billijkheid. [geïntimeerde 1] stelt dat hiervan sprake is en de pachtkamer was dat met hem eens. Daartegen komt [appellante] op. 3.2. Het hof oordeelt dat de onderlinge verhoudingen een gemeenschappelijke bedrijfsvoering ernstig bemoeilijken en dat [appellante] terecht uit de medepacht is ontslagen. Het huwelijk tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] bestaat niet meer. De gemeenschappelijke bedrijfsvoering in de vof bestaat niet meer. Volgens afspraak tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] heeft [geïntimeerde 1] het bedrijf voortgezet en met [appellante] is in verband daarmee afgerekend. [appellante] en [geïntimeerde 1] willen niet meer gemeenschappelijk het bedrijf voeren. Samenwerking tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] is, als al niet onmogelijk, dan toch bijzonder moeilijk, zo blijkt uit deze rechtszaak. Het is onweersproken dat sinds de laatste rechtszaak bij de pachtkamer in Zaanstad partijen niet meer met elkaar hebben gesproken zoals bleek tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep. Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep waargenomen dat in ieder geval bij [geïntimeerde 1] ernstige tegenzin bestaat tegen verdere samenwerking en contact met [appellante] . Het staat daarmee vast dat de onderlinge verhouding tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] een gemeenschappelijke bedrijfsvoering ernstig belemmert. [appellante] zegt dat de onderlinge verhoudingen niet ernstig verstoord zijn, of in ieder geval niet zodanig dat een gezamenlijk bedrijfsvoering ernstig zou worden bemoeilijkt, en wijst erop dat het bedrijf nu goed loopt en zij niets hindert. Het hof oordeelt anders: dat het bedrijf nu goed loopt betekent niet dat [appellante] en [geïntimeerde 1] samen nog het bedrijf zouden kunnen voeren. 3.3. [appellante] betoogt dat haar werkzaamheden feitelijk sinds het aangaan van de pachtovereenkomst niet gewijzigd zijn en er dus ook geen reden is om haar nu uit de pacht te ontslaan. Het hof gaat daaraan voorbij. Het wezenlijke verschil is dat destijds de echtelieden samen middels een vof het bedrijf voerden voor hun gezamenlijk rekening en risico. Partijen zijn geen echtelieden meer en hebben ook niet samen voor hun rekening en risico een bedrijf. Dat de pachtovereenkomst op naam van [appellante] en [geïntimeerde 1] staat en niet op naam van de vennootschap onder firma, maakt dat ook niet anders. 3.4. [appellante] beroept zich op een afspraak in het echtscheidingsconvenant, waarin zou zijn afgesproken dat zowel [appellante] als [geïntimeerde 1] partij bij de pachtovereenkomst zouden blijven. In het echtscheidingsconvenant staat niets opgenomen over wie er partijen bij de pachtovereenkomst zouden blijven. Wel staat daarin opgenomen dat [geïntimeerde 1] in de relatie [geïntimeerde 1] - [appellante] voor de pachtbetalingen verantwoordelijk is. Het beroep op een afspraak die in een verslag van de mediator is opgenomen leidt niet tot een andere conclusie. Daarin staat dat is afgesproken dat zij voorlopig allebei op het pachtcontract zouden blijven staan, in ieder geval zolang de kinderen thuis zouden wonen. Die afspraak is niet in het echtscheidingsconvenant opgenomen. Dat daarmee afstand zou zijn gedaan van de mogelijkheid om op grond van artikel 7: 365 lid 3 BW ontslag van een medepachter te vragen, ziet het hof niet in. In het verslag is opgenomen dat als er een wijzing in omstandigheden was, waaronder nieuwe partners, partijen zouden overleggen. Het betrof dus een voorlopige afspraak. Een wijziging van omstandigheden heeft zich naar het oordeel van het hof voorgedaan, omdat de verhouding tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] is verslechterd. 3.5. [appellante] heeft betoogd dat haar belang is, dat als er iets met [geïntimeerde 1] gebeurt, zij het bedrijf weer kan overnemen om zo overname door een of meer kinderen van [appellante] en [geïntimeerde 1] makkelijker te maken. Zij heeft gezegd dat zij “op dit moment” en “voor zolang hij zittende boer is” geen rechten zal doen gelden. In het licht van alle omstandigheden ziet het hof daarin onvoldoende reden om [appellante] niet uit de medepacht te ontslaan. Het belang bij overname van de pacht is onvoldoende omdat [appellante] geen agrariër is, geen relevante opleiding heeft en ook anderszins niet is gebleken dat zij in staat zou zijn om de geitenhouderij te exploiteren. Voortzetten van de pacht als er met [geïntimeerde 1] iets gebeurt lijkt dan ook niet realistisch. Daartegenover staat dat als [appellante] medepachter blijft [geïntimeerde 1] op belangrijke punten over het pachtcontract haar zal moeten informeren en met haar overeenstemming moet bereiken. Dat is in het licht van de verslechterde verhouding bezwaarlijk.