Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-03-17
ECLI:NL:GHARL:2026:1596
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,025 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHARL:2026:1596 text/xml public 2026-04-08T11:31:18 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-17 200.358.933 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1596 text/html public 2026-04-08T11:31:06 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1596 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 17-03-2026 / 200.358.933 Artikel 1:266 lid 1 onder a en b BW: beëindiging gezag. Artikel 810a lid 2 Rv: verzoek deskundigenonderzoek afgewezen. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.358.933 zaaknummer rechtbank Overijssel 331009 beschikking van 17 maart 2026 over de beëindiging van het gezag over [de minderjarige] in de zaak van [verzoekster] (de moeder) die woont in [woonplaats1] advocaat: mr. T.R. Oude Veldhuis en de raad voor de kinderbescherming (de raad) die is gevestigd in Almelo en de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Overijssel (de GI) die is gevestigd in Hengelo en [belanghebbende1] en [belanghebbende2] (de gezinshuisouders) die wonen in [woonplaats2] , gemeente [gemeentenaam] 1 1. Samenvatting De rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft het gezag van de moeder over [de minderjarige] beëindigd en de GI tot voogd van [de minderjarige] benoemd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom. 2 De feiten 2.1. De moeder heeft een zoon: [de minderjarige] (geboren [in] 2020 in Almelo). 2.2. Tot de beslissing van de rechtbank had de moeder het gezag over [de minderjarige] . 2.3. [de minderjarige] woont vanaf april 2022 bij de gezinshuisouders. 2.4. Er is sinds 14 november 2022 een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing bij de gezinshuisouders voor [de minderjarige] . 3 De procedure bij de rechtbank 3.1. De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de moeder te beëindigen en de GI tot voogd van [de minderjarige] te benoemen. 3.2. De rechtbank heeft de verzoeken van de raad toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 10 juni 2025. 4 De procedure bij het hof 4.1. De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt. Als dat verzoek niet direct wordt toegewezen, dan wil de moeder dat het hof in een tussenbeslissing een deskundige benoemt om de opvoedcapaciteiten en de opvoedmogelijkheden van de moeder en oma (moederszijde) samen te onderzoeken, voordat het hof een eindbeslissing neemt. Op de mondelinge behandeling heeft de moeder haar verzoek gewijzigd, in die zin dat zij wil dat alleen haar opvoedcapaciteiten en haar opvoedmogelijkheden worden onderzocht. 4.2. De raad en de GI willen dat de beslissing in stand blijft. 4.3. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen: het beroepschrift het verweerschrift van de raad 4.4. De zitting bij het hof was op 10 februari 2026. Aanwezig waren: de moeder met haar advocaat een vertegenwoordiger van de raad een vertegenwoordiger van de GI de gezinshuisouders 5 Het oordeel van het hof 5.1. Het hof zal een eindbeslissing geven over de beëindiging van het gezag. Het hof zal het verzoek van de moeder om eerst een deskundige te benoemen, afwijzen. Het hof legt hieronder uit waarom. Deskundigenonderzoek 5.2. In een zaak over de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, benoemt de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige, op voorwaarde dat het deskundigenonderzoek mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. 5.3. [de minderjarige] kampt met PTSS, hechtingsproblemen, ernstige darmproblemen (voortkomend uit zware verwaarlozing en/of seksueel misbruik) en ernstige trauma gerelateerde klachten. Uit de stukken en uit wat de raad, de GI en de gezinshuisouders aan het hof hebben verteld, concludeert het hof dat alle zeilen moeten worden bijgezet om [de minderjarige] tot ontwikkeling te laten komen. [de minderjarige] heeft naast zijn professionele opvoeders (de gezinshuisouders) veel andere hulpverleners om zich heen: van [naam1] , van zijn cluster 4 basisschool en van een organisatie voor kinderen met FASD. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden er bij [de minderjarige] geen ruimte is om hem en de moeder (en hun onderlinge verhouding) te laten onderzoeken. Een onderzoek is voor [de minderjarige] te belastend. 5.4. Daar komt bij dat er al sinds februari 2025 geen omgang is tussen de moeder en [de minderjarige] , omdat [de minderjarige] zo heftig op de moeder reageert. De moeder heeft aan het hof verteld dat zij en [de minderjarige] elkaar twee dagen na de mondelinge behandeling weer voor het eerst zouden zien, maar dat die afspraak is afgezegd omdat het niet goed gaat met [de minderjarige] . De gezinshuismoeder en de GI hebben verteld dat nog niet duidelijk is wanneer de omgang wel kan plaatsvinden, maar de hoop is dat dat in maart 2026 zal zijn. Het hof overweegt – net als de rechtbank – dat als een deskundige goed onderzoek wil kunnen doen naar de verhouding tussen de moeder en [de minderjarige] en naar de opvoedvaardigheden van de moeder, er dan periodes zullen moeten komen waarin die deskundige de moeder en [de minderjarige] gedurende langere tijd samen observeert. In deze situatie, waarin niet bekend is wanneer en in welke vorm en mate de omgang zou kunnen plaatsvinden, is een (intensief) onderzoek waarbij [de minderjarige] en de moeder gedurende langere tijd samen geobserveerd zouden moeten worden, niet in het belang van [de minderjarige] . 5.5. De moeder heeft op de mondelinge behandeling nog toegelicht dat zij vooral behoefte heeft aan een onderzoek naar de vraag of het aan haar heeft gelegen dat [de minderjarige] trauma’s heeft. Het hof overweegt dat als de moeder onderzocht wil hebben wat haar rol is geweest, hiervoor andere mogelijkheden zijn, zoals een persoonlijkheidsonderzoek bij de moeder. Dit kan de moeder (via de huisarts) zelf regelen. Hiervoor is een deskundigenonderzoek waarbij ook [de minderjarige] wordt betrokken niet nodig. 5.6. Het hof is van oordeel dat het belang van [de minderjarige] zich verzet tegen een deskundigenonderzoek en wijst dit verzoek van de moeder daarom af. Gezagsbeëindiging 5.7. De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt. 5.8. Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen. 5.9. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat het gezag van de moeder over [de minderjarige] moet worden beëindigd. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over, maakt deze na eigen onderzoek tot de zijne en voegt hieraan het volgende toe. Zoals de rechtbank heeft overwogen, kunnen er redenen zijn om het gezag niet te beëindigen, ondanks dat aan de hiervoor genoemde wettelijke grondslag is voldaan. Die ruimte is mede ontstaan door de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). De moeder stelt dat niet is gebleken dat voortzetting van de familieband voor [de minderjarige] schadelijk is. Zij verwijst hierbij naar twee uitspraken van het EHRM. Het hof overweegt dat uit die uitspraken volgt dat van gezagsbeëindiging alleen sprake kan zijn als is gebleken dat voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind, maar ook dat de belangen van het kind en die van de ouders tegen elkaar moeten worden afgewogen. Zoals hiervoor al is geschreven, is [de minderjarige] in de eerste anderhalf jaar van zijn leven beschadigd.