Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-03-16
ECLI:NL:GHARL:2026:1569
Civiel recht; Arbeidsrecht
Hoger beroep
15,902 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1569 text/xml public 2026-05-12T10:13:10 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-16 200.361.209 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Arbeidsrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2025:6782 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1569 text/html public 2026-05-12T10:12:37 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1569 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 16-03-2026 / 200.361.209 WWZ. Niet nakomen van re-integratieverplichtingen en controlevoorschriften. Passend werk, werken op kantoor. Deskundigenoordeel UWV. Terechte loonsanctie. Ontbinding op de zogenoemde e-grond (artikel 7:669 lid 3 sub e BW). Geen billijke vergoeding. Hoger beroep verworpen. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.361.209 zaaknummer rechtbank Gelderland 11499502 beschikking van 16 maart 2026 in de zaak van [verzoekster] die woont in [woonplaats] advocaat: mr. A.M.R. de Vaal en OMGEVINGSDIENST GROENE METROPOOL (als rechtsopvolger onder algemene titel van Omgevingsdienst Regio Nijmegen, krachtens fusie met Omgevingsdienst Regio Arnhem) hierna te noemen: ODRN die is gevestigd in Arnhem advocaat: mr. H.R.T.M. van Ojen 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep [verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, op 8 augustus 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: het beroepschrift het verweerschrift de andere stukken (waaronder geluidsbestanden) en het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 30 januari 2026 is gehouden. 2 De kern van de zaak en de uitkomst 2.1. [verzoekster] is per 1 juli 2021 in dienst getreden als vergunningverlener bij ODRN. Tussen partijen zijn geschillen ontstaan, onder meer over de re-integratie van [verzoekster] na haar ziekmelding(en). ODRN heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden. [verzoekster] heeft zich hiertegen verweerd en eigen verzoeken ingediend. 2.2. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden met ingang van 1 oktober 2025, wegens verwijtbaar handelen van [verzoekster] (niet nakomen van re-integratieverplichtingen en controlevoorschriften). Daarbij is wel een transitievergoeding toegewezen aan [verzoekster] , maar geen billijke vergoeding. Ook de loonvordering over de periode waarin aan [verzoekster] een loonsanctie was opgelegd, is afgewezen. [verzoekster] is in de proceskosten van ODRN veroordeeld. 2.3. De bedoeling van het hoger beroep van [verzoekster] is dat de arbeidsovereenkomst wordt hersteld, dan wel dat aan haar alsnog een billijke vergoeding wordt toegekend, met toewijzing van de loonvordering en veroordeling van ODRN in de proceskosten. 2.4. Het hof zal beslissen dat de bestreden beschikking in stand blijft en licht dat hierna toe. 3 De toelichting op de beslissing van het hof Wat is er gebeurd? 3.1. De kantonrechter heeft uitgebreid op een rij gezet wat er tussen partijen is gebeurd (de vaststelling van de feiten). Daarover bestaat op zichzelf geen discussie in hoger beroep, dus het hof zal van dezelfde feiten uitgaan. Hierna zal voor de leesbaarheid eerst een korte samenvatting worden opgenomen, met een beknopte aanvulling. Waar nodig zal een meer uitgebreide verwijzing of aanvulling in de beoordeling worden opgenomen. 3.2. Vanaf 1 februari 2023 is sprake geweest van veelvuldige en/of langdurige ziekmeldingen van [verzoekster] . Daarbij heeft Ardosz als arbodienst gefunctioneerd. Vanuit ODRN zijn drie waarschuwingen gegeven aan [verzoekster] met betrekking tot het meewerken aan re-integratie en de wijze van ziekmelden. Op 22 mei 2024 is het loon opgeschort wegens het niet voldoen aan re-integratieverplichtingen, die op 10 juni 2024 is omgezet in een loonstop. Een vervolgens opgestart mediation traject onder begeleiding van een door [verzoekster] voorgestelde mediator is door begin juli 2024 [verzoekster] beëindigd. Op 12 november 2024 heeft het UWV op verzoek van [verzoekster] een deskundigenoordeel uitgebracht, inhoudende dat [verzoekster] onvoldoende had meegewerkt aan haar re-integratie. ODRN heeft vervolgens op 30 november 2024 het ontbindingsverzoek ingediend. 3.3. Op 8 april 2025 is op verzoek van [verzoekster] een second opinion uitgebracht. Het loon van [verzoekster] is voor de periode van 25 mei 2025 (start van het tweede spoor) tot 1 oktober 2025 (ontbindingsdatum) door ODRN voldaan. [verzoekster] heeft per 1 december 2025 een WIA-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Verwijtbaar handelen [verzoekster] 3.4. [verzoekster] komt allereerst op tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij verwijtbaar heeft gehandeld en voert daarvoor het volgende aan. Van onwil is bij haar nooit sprake geweest, [verzoekster] heeft zich naar beste kunnen ingezet voor haar re-integratie. [verzoekster] kampte met klachten ten aanzien van onder meer concentratie, geheugen, energieniveau, mobiliteit en zicht. Er is sprake van een fluctuerend en progressief klachtenpatroon, waarbij haar inzetbaarheid van dag tot dag kon verschillen. Er is onvoldoende rekening gehouden met haar medische beperkingen, waardoor de re-integratie plannen voor [verzoekster] niet haalbaar waren. De arbo-artsen zijn bij het geven van hun adviezen steeds van onvolledige en onjuiste informatie uitgegaan. Deze adviezen zijn vervolgens door ODRN verkeerd geïnterpreteerd en ODRN heeft steeds eenzijdig een re-integratieplan opgelegd waaraan [verzoekster] – ondanks haar pogingen – niet kon voldoen. 3.5. ODRN is het eens met het oordeel van de kantonrechter. Volgens haar was het opgedragen werk passend, er werd rekening gehouden met de beperkingen van [verzoekster] . [verzoekster] kwam gewoon niet opdagen en wilde steeds zelf bepalen wat zij deed en waar en wanneer zij iets deed. Zij was nauwelijks bereikbaar en afspraken met haar waren bijna niet te maken. 3.6. Het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter dat [verzoekster] haar verplichtingen ten aanzien van het naleven van controlevoorschriften en het meewerken aan haar re-integratie niet (voldoende) is nagekomen en dat dit verwijtbaar handelen of nalaten aan haar zijde oplevert en neemt daarbij de overwegingen van de kantonrechter (geheel) over. In aanvulling daarop betrekt het hof ook nog het volgende in de beoordeling. Passend werk 3.7. Volgens [verzoekster] gingen de werkzaamheden die zijn vastgelegd in de re-integratieplannen na haar ziekmelding op 5 december 2023 haar belastbaarheid te buiten. Dit wijt zij allereerst aan onjuiste adviezen van de arbo-artsen en re-integratieplannen waarin ODRN eenzijdig werkzaamheden vastlegde die niet passend waren. Het gaat dan met name om haar visusklachten, die niet of onvoldoende in de adviezen zijn betrokken en die onder meer problemen opleveren voor de werkzaamheden die zien op langdurig lezen en beeldschermwerk. Daarnaast voert [verzoekster] aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de onvoorspelbaarheid van haar klachten (waaronder hoofdpijn, misselijkheid, rugpijn, en uitputting), waardoor zij zich vaak op het laatste moment moet afmelden. Er is volgens haar geen medische informatie opgevraagd bij de behandelende specialisten. [verzoekster] onderbouwt een en ander in hoger beroep onder meer met (uitgeschreven) geluidsbestanden van door haar opgenomen gesprekken, onder meer met arbo-artsen en medewerkers van het UWV, en met een rapport van dr. [naam4] . 3.8. Voor een goed beeld van de achtergrond van de ziekmelding op 5 december 2023 is van belang dat tussen [verzoekster] en ODRN toen al een slepend conflict was ontstaan over het al dan niet terugbellen door [verzoekster] van een extern contact, waarover op 5 december 2023 een gesprek zou plaatsvinden. De afdelingsmanager van [verzoekster] , [naam1] , liet [verzoekster] weten eerst dit gesprek met haar te willen voeren en daarvoor de verlofaanvraag van [verzoekster] voor een week in december nog niet te zullen accorderen.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1569 text/xml public 2026-05-12T10:13:10 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-16 200.361.209 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Arbeidsrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2025:6782 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1569 text/html public 2026-05-12T10:12:37 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1569 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 16-03-2026 / 200.361.209 WWZ. Niet nakomen van re-integratieverplichtingen en controlevoorschriften. Passend werk, werken op kantoor. Deskundigenoordeel UWV. Terechte loonsanctie. Ontbinding op de zogenoemde e-grond (artikel 7:669 lid 3 sub e BW). Geen billijke vergoeding. Hoger beroep verworpen. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.361.209 zaaknummer rechtbank Gelderland 11499502 beschikking van 16 maart 2026 in de zaak van [verzoekster] die woont in [woonplaats] advocaat: mr. A.M.R. de Vaal en OMGEVINGSDIENST GROENE METROPOOL (als rechtsopvolger onder algemene titel van Omgevingsdienst Regio Nijmegen, krachtens fusie met Omgevingsdienst Regio Arnhem) hierna te noemen: ODRN die is gevestigd in Arnhem advocaat: mr. H.R.T.M. van Ojen 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep [verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, op 8 augustus 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: het beroepschrift het verweerschrift de andere stukken (waaronder geluidsbestanden) en het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 30 januari 2026 is gehouden. 2 De kern van de zaak en de uitkomst 2.1. [verzoekster] is per 1 juli 2021 in dienst getreden als vergunningverlener bij ODRN. Tussen partijen zijn geschillen ontstaan, onder meer over de re-integratie van [verzoekster] na haar ziekmelding(en). ODRN heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden. [verzoekster] heeft zich hiertegen verweerd en eigen verzoeken ingediend. 2.2. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden met ingang van 1 oktober 2025, wegens verwijtbaar handelen van [verzoekster] (niet nakomen van re-integratieverplichtingen en controlevoorschriften). Daarbij is wel een transitievergoeding toegewezen aan [verzoekster] , maar geen billijke vergoeding. Ook de loonvordering over de periode waarin aan [verzoekster] een loonsanctie was opgelegd, is afgewezen. [verzoekster] is in de proceskosten van ODRN veroordeeld. 2.3. De bedoeling van het hoger beroep van [verzoekster] is dat de arbeidsovereenkomst wordt hersteld, dan wel dat aan haar alsnog een billijke vergoeding wordt toegekend, met toewijzing van de loonvordering en veroordeling van ODRN in de proceskosten. 2.4. Het hof zal beslissen dat de bestreden beschikking in stand blijft en licht dat hierna toe. 3 De toelichting op de beslissing van het hof Wat is er gebeurd? 3.1. De kantonrechter heeft uitgebreid op een rij gezet wat er tussen partijen is gebeurd (de vaststelling van de feiten). Daarover bestaat op zichzelf geen discussie in hoger beroep, dus het hof zal van dezelfde feiten uitgaan. Hierna zal voor de leesbaarheid eerst een korte samenvatting worden opgenomen, met een beknopte aanvulling. Waar nodig zal een meer uitgebreide verwijzing of aanvulling in de beoordeling worden opgenomen. 3.2. Vanaf 1 februari 2023 is sprake geweest van veelvuldige en/of langdurige ziekmeldingen van [verzoekster] . Daarbij heeft Ardosz als arbodienst gefunctioneerd. Vanuit ODRN zijn drie waarschuwingen gegeven aan [verzoekster] met betrekking tot het meewerken aan re-integratie en de wijze van ziekmelden. Op 22 mei 2024 is het loon opgeschort wegens het niet voldoen aan re-integratieverplichtingen, die op 10 juni 2024 is omgezet in een loonstop. Een vervolgens opgestart mediation traject onder begeleiding van een door [verzoekster] voorgestelde mediator is door begin juli 2024 [verzoekster] beëindigd. Op 12 november 2024 heeft het UWV op verzoek van [verzoekster] een deskundigenoordeel uitgebracht, inhoudende dat [verzoekster] onvoldoende had meegewerkt aan haar re-integratie. ODRN heeft vervolgens op 30 november 2024 het ontbindingsverzoek ingediend. 3.3. Op 8 april 2025 is op verzoek van [verzoekster] een second opinion uitgebracht. Het loon van [verzoekster] is voor de periode van 25 mei 2025 (start van het tweede spoor) tot 1 oktober 2025 (ontbindingsdatum) door ODRN voldaan. [verzoekster] heeft per 1 december 2025 een WIA-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Verwijtbaar handelen [verzoekster] 3.4. [verzoekster] komt allereerst op tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij verwijtbaar heeft gehandeld en voert daarvoor het volgende aan. Van onwil is bij haar nooit sprake geweest, [verzoekster] heeft zich naar beste kunnen ingezet voor haar re-integratie. [verzoekster] kampte met klachten ten aanzien van onder meer concentratie, geheugen, energieniveau, mobiliteit en zicht. Er is sprake van een fluctuerend en progressief klachtenpatroon, waarbij haar inzetbaarheid van dag tot dag kon verschillen. Er is onvoldoende rekening gehouden met haar medische beperkingen, waardoor de re-integratie plannen voor [verzoekster] niet haalbaar waren. De arbo-artsen zijn bij het geven van hun adviezen steeds van onvolledige en onjuiste informatie uitgegaan. Deze adviezen zijn vervolgens door ODRN verkeerd geïnterpreteerd en ODRN heeft steeds eenzijdig een re-integratieplan opgelegd waaraan [verzoekster] – ondanks haar pogingen – niet kon voldoen. 3.5. ODRN is het eens met het oordeel van de kantonrechter. Volgens haar was het opgedragen werk passend, er werd rekening gehouden met de beperkingen van [verzoekster] . [verzoekster] kwam gewoon niet opdagen en wilde steeds zelf bepalen wat zij deed en waar en wanneer zij iets deed. Zij was nauwelijks bereikbaar en afspraken met haar waren bijna niet te maken. 3.6. Het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter dat [verzoekster] haar verplichtingen ten aanzien van het naleven van controlevoorschriften en het meewerken aan haar re-integratie niet (voldoende) is nagekomen en dat dit verwijtbaar handelen of nalaten aan haar zijde oplevert en neemt daarbij de overwegingen van de kantonrechter (geheel) over. In aanvulling daarop betrekt het hof ook nog het volgende in de beoordeling. Passend werk 3.7. Volgens [verzoekster] gingen de werkzaamheden die zijn vastgelegd in de re-integratieplannen na haar ziekmelding op 5 december 2023 haar belastbaarheid te buiten. Dit wijt zij allereerst aan onjuiste adviezen van de arbo-artsen en re-integratieplannen waarin ODRN eenzijdig werkzaamheden vastlegde die niet passend waren. Het gaat dan met name om haar visusklachten, die niet of onvoldoende in de adviezen zijn betrokken en die onder meer problemen opleveren voor de werkzaamheden die zien op langdurig lezen en beeldschermwerk. Daarnaast voert [verzoekster] aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de onvoorspelbaarheid van haar klachten (waaronder hoofdpijn, misselijkheid, rugpijn, en uitputting), waardoor zij zich vaak op het laatste moment moet afmelden. Er is volgens haar geen medische informatie opgevraagd bij de behandelende specialisten. [verzoekster] onderbouwt een en ander in hoger beroep onder meer met (uitgeschreven) geluidsbestanden van door haar opgenomen gesprekken, onder meer met arbo-artsen en medewerkers van het UWV, en met een rapport van dr. [naam4] . 3.8. Voor een goed beeld van de achtergrond van de ziekmelding op 5 december 2023 is van belang dat tussen [verzoekster] en ODRN toen al een slepend conflict was ontstaan over het al dan niet terugbellen door [verzoekster] van een extern contact, waarover op 5 december 2023 een gesprek zou plaatsvinden. De afdelingsmanager van [verzoekster] , [naam1] , liet [verzoekster] weten eerst dit gesprek met haar te willen voeren en daarvoor de verlofaanvraag van [verzoekster] voor een week in december nog niet te zullen accorderen.
Volledig
Daarop heeft [verzoekster] zich de volgende dag ziekgemeld. Uit de daarop volgende contacten met de bedrijfsarts van 14 december 2023, 17 januari 2024 en 12 maart 2024 blijkt dat de benadering van [verzoekster] zelf en (in het verlengde daarvan) van de bedrijfsartsen het accent op het slepende arbeidsconflict heeft gelegen. Nu legt [verzoekster] het zwaartepunt (vrijwel geheel) bij haar medische klachten. 3.9. De bedrijfsarts heeft gerapporteerd op 12 maart 2024 dat de beperkingen zich bevinden op persoonlijk en sociaal vlak en ten aanzien van werktijden. Medische informatie was en werd (opnieuw) opgevraagd. Advies was om de gesprekken over het arbeidsconflict voort te zetten en om te starten met re-integratie volgens een opbouwschema, startend met 2x2 uur per week en rekening houdend met de opgegeven beperkingen. Vervolgens heeft de teamleider van [verzoekster] , [naam2] , op 15 maart 2024 een schema opgesteld voor de volgende aangepaste werkzaamheden, te beginnen op 19 en 21 maart 2024 : 2e lezer zijn van werkafspraken en omzetten van oude werkafspraken naar een nieuwe format. Op 19 maart 2024 heeft [verzoekster] zich ziekgemeld. Op 20 maart 2024 is zij op kantoor geweest. Onweersproken is dat zij die dag vooral tijd heeft besteed aan het bijpraten met collega’s en niet zozeer aan activiteiten voorzien in het schema. Die dag heeft zij aan [naam2] te kennen gegeven op 21 maart 2024 niet te kunnen komen werken in verband met een privé-afspraak. In de week daaropvolgend zou [verzoekster] volgens het schema op 26 en 28 maart komen werken. Op 25 maart 2024 bericht [verzoekster] aan [naam2] dat zij op 26 maart 2024 niet kan komen werken vanwege een afspraak met een specialist en evenmin op 28 maart vanwege afspraken gerelateerd aan haar ziekte, maar dat ze vanuit thuis de werkzaamheden aan het verrichten is en zal verrichten (het beoordelen van werkinstructies). In haar bericht verzoekt ze om meer procedures ter beoordeling aan haar door te sturen per mail. Op 26 maart 2024 is een rapportage door de bedrijfsarts uitgebracht naar aanleiding van ontvangen medische informatie van een behandelaar van [verzoekster] . Gemeld is dat er enige discrepantie is ten aanzien van medische rapportages en dat een nieuw spreekuur al is ingepland, verdere acties zijn op dat moment niet nodig. Op 27 maart 2024 heeft [verzoekster] aan [naam2] te kennen gegeven dat zij één dag op kantoor en voor het overige thuis wil werken omdat werken op kantoor stressvol is. Verder schreef [verzoekster] dat zij al één procedure heeft beoordeeld en dat zij met belangstelling andere procedures tegemoet ziet om mee aan de slag te gaan. In de week erna heeft [verzoekster] zich weer ziekgemeld. In de spreekuurrapportage van de bedrijfsarts van 9 april 2024 is beschreven dat de medische situatie onveranderd is gebleven en dat [verzoekster] mag re-integreren overeenkomstig het eerder gegeven advies. 3.10. Uit niets blijkt dat de aangepaste werkzaamheden in deze fase op zichzelf niet passend zouden zijn geweest vanwege de beperkingen van [verzoekster] , integendeel. Van enig probleem met zicht of andere klachten en beperkingen dan die waarmee rekening was gehouden is in deze fase niet gerept, ook niet door [verzoekster] . 3.11. Eerst op 22 mei 2024 meldt [verzoekster] het volgende aan [naam1] : “(…) Vanochtend heb ik een bezoek gebracht aan het ziekenhuis. Ik kan helaas niet (lang) achter een beeldscherm zitten. Een operatie hiervoor is nodig. Ik meld me bij deze dan weer ziek .(…)” In de daaropvolgende spreekuurrapportage van de arbo-arts van 10 juni 2024 is vermeld dat naast de eerdergenoemde beperkingen een beperking in het zien aanwezig is, waardoor [verzoekster] zich vervoert met de fiets en meer last krijgt bij langdurig achtereen naar een scherm kijken of langdurig concentreren, waarvoor een interventie volgt (met een wachtlijst van maanden, nog geen concrete datum bekend) en waarvoor is medische informatie opgevraagd. Volgens de arbo-arts zijn er nog benutbare mogelijkheden en kan [verzoekster] , rekening houdend met de beperkingen, werkzaamheden uitvoeren volgens het eerder opgestelde schema. Vervolgens heeft [naam2] op 12 juni 2024 aan [verzoekster] de data voor het nieuwe schema weten en de aangepaste werkzaamheden laten weten: “ - De lijst van verschillen WRS en Open Wave; hier kun je mee verder. Dat is met name beeldschermwerk. - het omzetten van werkinstructie/werkafspraken voor Aanvraag BRIKS WRS/Wabo naar Aanvraag Milieu Open Wave/Omgevingswet. Dat bestand kun je ook uitprinten en hoeft daarom niet vanaf het beeldscherm te worden gedaan. Het gaat erom om bijgevoegd document dat BRIKS al heeft, om te schrijven naar onze praktijk.” Per e-mail van 14 juni 2024 heeft [verzoekster] daarop als volgt gereageerd: “(…) Zoals ik eerder heb aangegeven heb ik grote beperkingen en kan ik de door jou aangegeven werkzaamheden niet verrichten. De ODRN werkt niet mee met mijn re-integratie. De beperkingen en persoonlijke omstandigheden waar we rekening mee moeten houden is onder andere: concentratie zeer slecht, behandeling volgt, wachtlijst typen en schrijven zeer moeilijk Reizen is erg vermoeiend Zien behandeling volgt, wachtlijst Zicht is zeer slecht. Kan geen auto rijden Beeldscherm en lezen: zeer beperkt, kan niet scherp stellen, erg vermoeiend, behandeling volgt, wachtlijst Reizen: afstand wonen tot de ODRN is 159 km. Fysieke beperkingen, kan niet lang stilzitten, krampen, hoofdpijn migraine, opgejaagd gevoel, ervaar stress, angsten, concentratie, zeer grote vermoeidheid, behandeling volgt, wachtlijst. Het stelt me teleur dat je blijft volhouden dat ik achter het beeldscherm moet blijven zitten en veel moet lezen en concentreren terwijl hier o.a. mijn beperking ligt. Wat kan ik onder andere wel. Videobellen/Teams, afvaloverleg via Teams, afdelingsoverleg Teams, organiseren uitjes (…)” Dezelfde dag heeft [naam2] als volgt gereageerd: “ We hebben al een terugkoppeling ontvangen vanuit de Arbodienst. De bedrijfsarts geeft aan dat de werknemer beperkt is in langdurig achtereen naar een scherm kijken of langdurig concentreren. Er wordt dus niet aangegeven dat het helemaal niet mogelijk is. De aangedragen werkzaamheden kunnen dus worden uitgevoerd. Wij gaan er vanuit dat je maandag op kantoor aanwezig bent om te re-integreren in de aangepaste werkzaamheden .” En op 18 juni 2024 heeft [naam2] nog nader gereageerd als volgt: “(…) Op basis van dit advies zijn wij van oordeel dat werkzaamheden zonder langdurig beeldschermgebruik wel tot de opties behoren. Ter aanvulling van de eerder toegestuurde werkzaamheden heb ik vandaag links gestuurd met filmpjes over de Omgevingswet die je kunt beluisteren .(…)” Op 3 augustus 2024 heeft [verzoekster] aan [naam1] onder meer het volgende bericht: “(…) Tijdens mijn laatste bezoek aan de bedrijfsarts heeft mevrouw [naam3] aangegeven dat zij een duidelijk beeld heeft van mijn ziekte en dat zij mijn ziekte zelf kan duiden. Mijn ziektebeeld is helder. Ik ben momenteel niet in staat mijn huidige functie uit te voeren. De bedrijfsarts heeft aangegeven dat de ODRN moet zorgen voor passend werk. Dat heeft [naam2] , toevoeging hof] gedaan. Ik kijk/luister naar films over de omgevingswet. (…)” 3.12. Uit het voorgaande volgt dat op basis van adviezen van arbo-artsen, die zich daarbij hebben gebaseerd op de klachten zoals [verzoekster] die zelf meldde en op informatie van behandelaars, door ODRN plannen voor de re-integratie zijn uitgewerkt en dat daarbij ook duidelijk rekening is gehouden met de inbreng van [verzoekster] . 3.13. Voor zover [verzoekster] nu meent dat daarbij onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen volgt het hof dit niet. Vooropgesteld zij dat [verzoekster] , hoewel zij door [naam1] herhaaldelijk is gewezen op de mogelijkheden daartoe, zelf geen deskundigenoordeel of second opinion heeft aangevraagd vóór november 2024, toen ODRN overging tot het indienen van het ontbindingsverzoek.
Volledig
Daarop heeft [verzoekster] zich de volgende dag ziekgemeld. Uit de daarop volgende contacten met de bedrijfsarts van 14 december 2023, 17 januari 2024 en 12 maart 2024 blijkt dat de benadering van [verzoekster] zelf en (in het verlengde daarvan) van de bedrijfsartsen het accent op het slepende arbeidsconflict heeft gelegen. Nu legt [verzoekster] het zwaartepunt (vrijwel geheel) bij haar medische klachten. 3.9. De bedrijfsarts heeft gerapporteerd op 12 maart 2024 dat de beperkingen zich bevinden op persoonlijk en sociaal vlak en ten aanzien van werktijden. Medische informatie was en werd (opnieuw) opgevraagd. Advies was om de gesprekken over het arbeidsconflict voort te zetten en om te starten met re-integratie volgens een opbouwschema, startend met 2x2 uur per week en rekening houdend met de opgegeven beperkingen. Vervolgens heeft de teamleider van [verzoekster] , [naam2] , op 15 maart 2024 een schema opgesteld voor de volgende aangepaste werkzaamheden, te beginnen op 19 en 21 maart 2024 : 2e lezer zijn van werkafspraken en omzetten van oude werkafspraken naar een nieuwe format. Op 19 maart 2024 heeft [verzoekster] zich ziekgemeld. Op 20 maart 2024 is zij op kantoor geweest. Onweersproken is dat zij die dag vooral tijd heeft besteed aan het bijpraten met collega’s en niet zozeer aan activiteiten voorzien in het schema. Die dag heeft zij aan [naam2] te kennen gegeven op 21 maart 2024 niet te kunnen komen werken in verband met een privé-afspraak. In de week daaropvolgend zou [verzoekster] volgens het schema op 26 en 28 maart komen werken. Op 25 maart 2024 bericht [verzoekster] aan [naam2] dat zij op 26 maart 2024 niet kan komen werken vanwege een afspraak met een specialist en evenmin op 28 maart vanwege afspraken gerelateerd aan haar ziekte, maar dat ze vanuit thuis de werkzaamheden aan het verrichten is en zal verrichten (het beoordelen van werkinstructies). In haar bericht verzoekt ze om meer procedures ter beoordeling aan haar door te sturen per mail. Op 26 maart 2024 is een rapportage door de bedrijfsarts uitgebracht naar aanleiding van ontvangen medische informatie van een behandelaar van [verzoekster] . Gemeld is dat er enige discrepantie is ten aanzien van medische rapportages en dat een nieuw spreekuur al is ingepland, verdere acties zijn op dat moment niet nodig. Op 27 maart 2024 heeft [verzoekster] aan [naam2] te kennen gegeven dat zij één dag op kantoor en voor het overige thuis wil werken omdat werken op kantoor stressvol is. Verder schreef [verzoekster] dat zij al één procedure heeft beoordeeld en dat zij met belangstelling andere procedures tegemoet ziet om mee aan de slag te gaan. In de week erna heeft [verzoekster] zich weer ziekgemeld. In de spreekuurrapportage van de bedrijfsarts van 9 april 2024 is beschreven dat de medische situatie onveranderd is gebleven en dat [verzoekster] mag re-integreren overeenkomstig het eerder gegeven advies. 3.10. Uit niets blijkt dat de aangepaste werkzaamheden in deze fase op zichzelf niet passend zouden zijn geweest vanwege de beperkingen van [verzoekster] , integendeel. Van enig probleem met zicht of andere klachten en beperkingen dan die waarmee rekening was gehouden is in deze fase niet gerept, ook niet door [verzoekster] . 3.11. Eerst op 22 mei 2024 meldt [verzoekster] het volgende aan [naam1] : “(…) Vanochtend heb ik een bezoek gebracht aan het ziekenhuis. Ik kan helaas niet (lang) achter een beeldscherm zitten. Een operatie hiervoor is nodig. Ik meld me bij deze dan weer ziek .(…)” In de daaropvolgende spreekuurrapportage van de arbo-arts van 10 juni 2024 is vermeld dat naast de eerdergenoemde beperkingen een beperking in het zien aanwezig is, waardoor [verzoekster] zich vervoert met de fiets en meer last krijgt bij langdurig achtereen naar een scherm kijken of langdurig concentreren, waarvoor een interventie volgt (met een wachtlijst van maanden, nog geen concrete datum bekend) en waarvoor is medische informatie opgevraagd. Volgens de arbo-arts zijn er nog benutbare mogelijkheden en kan [verzoekster] , rekening houdend met de beperkingen, werkzaamheden uitvoeren volgens het eerder opgestelde schema. Vervolgens heeft [naam2] op 12 juni 2024 aan [verzoekster] de data voor het nieuwe schema weten en de aangepaste werkzaamheden laten weten: “ - De lijst van verschillen WRS en Open Wave; hier kun je mee verder. Dat is met name beeldschermwerk. - het omzetten van werkinstructie/werkafspraken voor Aanvraag BRIKS WRS/Wabo naar Aanvraag Milieu Open Wave/Omgevingswet. Dat bestand kun je ook uitprinten en hoeft daarom niet vanaf het beeldscherm te worden gedaan. Het gaat erom om bijgevoegd document dat BRIKS al heeft, om te schrijven naar onze praktijk.” Per e-mail van 14 juni 2024 heeft [verzoekster] daarop als volgt gereageerd: “(…) Zoals ik eerder heb aangegeven heb ik grote beperkingen en kan ik de door jou aangegeven werkzaamheden niet verrichten. De ODRN werkt niet mee met mijn re-integratie. De beperkingen en persoonlijke omstandigheden waar we rekening mee moeten houden is onder andere: concentratie zeer slecht, behandeling volgt, wachtlijst typen en schrijven zeer moeilijk Reizen is erg vermoeiend Zien behandeling volgt, wachtlijst Zicht is zeer slecht. Kan geen auto rijden Beeldscherm en lezen: zeer beperkt, kan niet scherp stellen, erg vermoeiend, behandeling volgt, wachtlijst Reizen: afstand wonen tot de ODRN is 159 km. Fysieke beperkingen, kan niet lang stilzitten, krampen, hoofdpijn migraine, opgejaagd gevoel, ervaar stress, angsten, concentratie, zeer grote vermoeidheid, behandeling volgt, wachtlijst. Het stelt me teleur dat je blijft volhouden dat ik achter het beeldscherm moet blijven zitten en veel moet lezen en concentreren terwijl hier o.a. mijn beperking ligt. Wat kan ik onder andere wel. Videobellen/Teams, afvaloverleg via Teams, afdelingsoverleg Teams, organiseren uitjes (…)” Dezelfde dag heeft [naam2] als volgt gereageerd: “ We hebben al een terugkoppeling ontvangen vanuit de Arbodienst. De bedrijfsarts geeft aan dat de werknemer beperkt is in langdurig achtereen naar een scherm kijken of langdurig concentreren. Er wordt dus niet aangegeven dat het helemaal niet mogelijk is. De aangedragen werkzaamheden kunnen dus worden uitgevoerd. Wij gaan er vanuit dat je maandag op kantoor aanwezig bent om te re-integreren in de aangepaste werkzaamheden .” En op 18 juni 2024 heeft [naam2] nog nader gereageerd als volgt: “(…) Op basis van dit advies zijn wij van oordeel dat werkzaamheden zonder langdurig beeldschermgebruik wel tot de opties behoren. Ter aanvulling van de eerder toegestuurde werkzaamheden heb ik vandaag links gestuurd met filmpjes over de Omgevingswet die je kunt beluisteren .(…)” Op 3 augustus 2024 heeft [verzoekster] aan [naam1] onder meer het volgende bericht: “(…) Tijdens mijn laatste bezoek aan de bedrijfsarts heeft mevrouw [naam3] aangegeven dat zij een duidelijk beeld heeft van mijn ziekte en dat zij mijn ziekte zelf kan duiden. Mijn ziektebeeld is helder. Ik ben momenteel niet in staat mijn huidige functie uit te voeren. De bedrijfsarts heeft aangegeven dat de ODRN moet zorgen voor passend werk. Dat heeft [naam2] , toevoeging hof] gedaan. Ik kijk/luister naar films over de omgevingswet. (…)” 3.12. Uit het voorgaande volgt dat op basis van adviezen van arbo-artsen, die zich daarbij hebben gebaseerd op de klachten zoals [verzoekster] die zelf meldde en op informatie van behandelaars, door ODRN plannen voor de re-integratie zijn uitgewerkt en dat daarbij ook duidelijk rekening is gehouden met de inbreng van [verzoekster] . 3.13. Voor zover [verzoekster] nu meent dat daarbij onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen volgt het hof dit niet. Vooropgesteld zij dat [verzoekster] , hoewel zij door [naam1] herhaaldelijk is gewezen op de mogelijkheden daartoe, zelf geen deskundigenoordeel of second opinion heeft aangevraagd vóór november 2024, toen ODRN overging tot het indienen van het ontbindingsverzoek.
Volledig
Ook heeft zij in 2024 geweigerd om mee te werken aan het door de arbo-artsen geadviseerde belastbaarheidsonderzoek door Ergatis, dat nu juist duidelijkheid had kunnen brengen over de (on)mogelijkheden van [verzoekster] met betrekking tot de werkzaamheden. 3.14. In dat licht kan [verzoekster] niet volstaan met het achteraf plaatsen van kritische kanttekeningen bij de arbo-advisering en de uitwerking daarvan door ODRN. Voor zover [verzoekster] meent dat uit de door haar heimelijk opgenomen en uitgeschreven gesprekken volgt dat de arbo-artsen en/of het UWV op basis van onjuiste of onvoldoende informatie hebben geadviseerd, volgt het hof [verzoekster] hierin overigens niet. Het staat vast dat de gesprekspartners van [verzoekster] in van de overgelegde geluidsbestanden niet wisten dat de gesprekken werden opgenomen. Omdat op dat aspect de positie van de gespreksdeelnemers ongelijkwaardig is geweest, beschouwt het hof die transcripties met enige voorzichtigheid. Door die ongelijkwaardigheid is immers gestuurde beïnvloeding op onderwerpen en op uitspraken door de onwetende gespreksdeelnemer niet uit te sluiten. Daarbij blijkt dat [verzoekster] in een aantal van die gesprekken zelf onjuiste informatie heeft verstrekt, zoals weergeven in de spreekaantekeningen van ODRN. Ook overigens geeft de inhoud van deze (uitgeschreven) gesprekken geen grond voor de door [verzoekster] voorgestane conclusies en gevolgtrekkingen. 3.15. Ook de (uiteindelijk) door [verzoekster] ingewonnen second opinion van de bedrijfsarts [naam4] biedt onvoldoende onderbouwing van haar standpunt over al dan niet passend werk waarin na haar ziekmelding op 5 december 2023 bij de re-integratie door ODRN is voorzien. In dit op 8 april 2025 uitgebrachte rapport schrijft [naam4] als conclusie en advies: “(…) In het mij voorliggend dossier ontbreken de re-integratieadviezen van de arboarts/bedrijfsarts aan de werkgever, tevens zie ik maar een beperkt aantal consulten in de periode juli 2024 tot januari 2025 en is er geen FML in het dossier. Ik kan dus geen mening geven over de door de arboarts/bedrijfsarts gegeven adviezen en of deze mijns inziens aansluiten bij de belastbaarheid van betrokkene. In een second opinion wordt ook vooral geadviseerd over hoe verder te gaan in de re-integratie. Mijn advies is betrokkene eerst te laten herstellen van de operatie aan beide ogen en daarna een nieuwe Functionele Mogelijkheden Lijst of nieuw inzetbaarheidsprofiel te schrijven waarna een nieuw arbeidsdeskundig onderzoek plaats zal moeten vinden om haar re-integratiemogelijkheden in spoor 2 opnieuw vast te stellen. Ik adviseer hierin rekening te blijven houden met verminderde energie, aangezien daarvoor voldoende medische argumenten zijn zoals bovenstaand beschreven. Door een correcte weergave van haar belastbaarheid en re-integratiemogelijkheden zou ook de communicatie tussen werkgever en werknemer verbeterd kunnen worden, zo nodig middels een nieuw mediationtraject. Daarnaast kan betrokkene geadviseerd worden bij aanhoudende vermoeidheidsklachten ondanks herstel van haar visueel vermogen nader onderzoek te laten doen in de curatieve sector naar de oorzaak van haar chronische vermoeidheidsklachten. Een consult bij een internist zou hierbij het best passen. ” Hieruit is dus niet af te leiden dat in 2024 onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen van [verzoekster] bij het maken van het re-integratieplan en de daarin opgenomen werkzaamheden. Ook de in juni 2025 opgestelde functionele mogelijkhedenlijst (FML) zegt niets over de passendheid van de werkzaamheden in het kader van de re-integratie in 2024. 3.16. Het hof komt dan ook tot de slotsom dat de aan [verzoekster] opgedragen werkzaamheden in het kader van de re-integratie passend waren. Dat betekent dat [verzoekster] in zoverre geen reden had om deze niet te verrichten. Werken op kantoor 3.17. In de re-integratieplannen die vanaf februari 2023 zijn gemaakt, is steeds uitgegaan van het verrichten van werkzaamheden door [verzoekster] op het kantoor van ODRN (destijds) in [plaats2] , (destijds en nu weer) de woonplaats van [verzoekster] . Vast staat dat [verzoekster] op enig moment in de periode oktober-november 2023 is verhuisd naar [plaats1] , op ruim 130 kilometer afstand van kantoor, zonder dat daarover destijds overleg of afstemming met ODRN heeft plaatsgevonden. Op 5 december 2023 heeft [verzoekster] zich (opnieuw) ziekgemeld. Volgens het re-integratieplan dat vervolgens (uiteindelijk) is opgesteld, diende [verzoekster] met ingang van 19 maart 2024 in een opbouwschema, beginnend met 2x2 uur per week, te re-integreren met passende werkzaamheden in een speciale prikkelarme ruimte op kantoor. 3.18. ODRN had in eerste aanleg al uitvoerig aangevoerd dat [verzoekster] zich niet aan dit opbouwschema heeft gehouden en heeft in hoger beroep (in het verweerschrift en bij gelegenheid van de mondelinge behandeling) op een rij gezet wanneer en waarvoor [verzoekster] zich vanaf maart 2024 heeft gemeld op kantoor: op 20 maart 2024 (in plaats van 19 en 21 maart 2024, zoals voorzien in het opbouwschema) waarbij zij andere activiteiten dan volgens het plan verrichtte en dat niet in de speciaal voor haar ingerichte prikkelarme ruimte; op 17 juni 2024 voor een gesprek met haar directeur (op initiatief van [verzoekster] ); in augustus 2024 om iets voor zich privé te printen; in oktober 2024 voor een gesprek met de OR over haar eventuele kandidatuur en in december 2024 om haar kerstpakket op te halen. [verzoekster] heeft tijdens de mondelinge behandeling op vragen van het hof verklaard dat dit overzicht niet klopt, omdat zij veel vaker op kantoor is geweest om te voldoen aan het opbouwschema, bijvoorbeeld voor het bijwonen van een teamoverleg (wat overigens niet als passend werk was aangemerkt). Zij heeft meer of andere aanwezigheid op kantoor in deze periode niet nader concreet toegelicht, wat in het licht van de door ODRN aangedragen onderbouwingen van het tegendeel wel van haar kon worden gevergd. Dat zij vaker naar kantoor is gekomen, staat ook haaks op de inhoud van haar e-mailberichten van 27 maart 2024 en 10 april 2024, waarin zij aan ODRN laat weten dat zij de re-integratiewerkzaam-heden vanuit huis wil verrichten vanwege de door haar als stressvol en onveilig ervaren omgeving op het werk (waarop door ODRN afwijzend is gereageerd). De voor haar ingerichte prikkelarme ruimte op kantoor is door [verzoekster] steevast aangeduid als “isoleerkamer”, waaruit een duidelijke maar niet vanzelfsprekende weerstand spreekt. Op zitting is voorts besproken dat het reizen per auto of openbaar vervoer vanuit [plaats1] naar [plaats2] volgens [verzoekster] bijna ondoenlijk was, vanwege de reistijd, de problemen met autorijden en haar klachten, en dat dit een belangrijke - zo niet doorslaggevende - rol heeft gespeeld bij haar niet verschijnen op kantoor. Volgens [verzoekster] dient hiermee, vanwege de gestelde dringende persoonlijke redenen voor haar verhuizing, rekening te worden gehouden. Ook heeft zij nogmaals benadrukt dat het in haar visie volkomen onnodig is dat zij haar werk op kantoor verrichtte. ODRN ziet dat laatste in zijn algemeenheid anders, maar achtte het in het kader van de re-integratie in het bijzonder van belang dat er toezicht en begeleiding was op de werkzaamheden van [verzoekster] . 3.19. Uit het dossier blijkt overigens dat [verzoekster] en ODRN al ruimschoots voor de ziekmeldingen, vanaf haar indiensttreding, het vaker en grondig oneens zijn geweest over de noodzaak om op kantoor in plaats van thuis te werken. ODRN heeft steeds aangestuurd op een volledige dan wel substantiële aanwezigheid van [verzoekster] op kantoor, tegenover de wens van [verzoekster] om zoveel mogelijk thuis te werken. Uiteindelijk is na overleg in juli 2022 als afspraak vastgelegd dat [verzoekster] drie dagen van haar 36-urige werkweek op kantoor zou werken. 3.20.
Volledig
Ook heeft zij in 2024 geweigerd om mee te werken aan het door de arbo-artsen geadviseerde belastbaarheidsonderzoek door Ergatis, dat nu juist duidelijkheid had kunnen brengen over de (on)mogelijkheden van [verzoekster] met betrekking tot de werkzaamheden. 3.14. In dat licht kan [verzoekster] niet volstaan met het achteraf plaatsen van kritische kanttekeningen bij de arbo-advisering en de uitwerking daarvan door ODRN. Voor zover [verzoekster] meent dat uit de door haar heimelijk opgenomen en uitgeschreven gesprekken volgt dat de arbo-artsen en/of het UWV op basis van onjuiste of onvoldoende informatie hebben geadviseerd, volgt het hof [verzoekster] hierin overigens niet. Het staat vast dat de gesprekspartners van [verzoekster] in van de overgelegde geluidsbestanden niet wisten dat de gesprekken werden opgenomen. Omdat op dat aspect de positie van de gespreksdeelnemers ongelijkwaardig is geweest, beschouwt het hof die transcripties met enige voorzichtigheid. Door die ongelijkwaardigheid is immers gestuurde beïnvloeding op onderwerpen en op uitspraken door de onwetende gespreksdeelnemer niet uit te sluiten. Daarbij blijkt dat [verzoekster] in een aantal van die gesprekken zelf onjuiste informatie heeft verstrekt, zoals weergeven in de spreekaantekeningen van ODRN. Ook overigens geeft de inhoud van deze (uitgeschreven) gesprekken geen grond voor de door [verzoekster] voorgestane conclusies en gevolgtrekkingen. 3.15. Ook de (uiteindelijk) door [verzoekster] ingewonnen second opinion van de bedrijfsarts [naam4] biedt onvoldoende onderbouwing van haar standpunt over al dan niet passend werk waarin na haar ziekmelding op 5 december 2023 bij de re-integratie door ODRN is voorzien. In dit op 8 april 2025 uitgebrachte rapport schrijft [naam4] als conclusie en advies: “(…) In het mij voorliggend dossier ontbreken de re-integratieadviezen van de arboarts/bedrijfsarts aan de werkgever, tevens zie ik maar een beperkt aantal consulten in de periode juli 2024 tot januari 2025 en is er geen FML in het dossier. Ik kan dus geen mening geven over de door de arboarts/bedrijfsarts gegeven adviezen en of deze mijns inziens aansluiten bij de belastbaarheid van betrokkene. In een second opinion wordt ook vooral geadviseerd over hoe verder te gaan in de re-integratie. Mijn advies is betrokkene eerst te laten herstellen van de operatie aan beide ogen en daarna een nieuwe Functionele Mogelijkheden Lijst of nieuw inzetbaarheidsprofiel te schrijven waarna een nieuw arbeidsdeskundig onderzoek plaats zal moeten vinden om haar re-integratiemogelijkheden in spoor 2 opnieuw vast te stellen. Ik adviseer hierin rekening te blijven houden met verminderde energie, aangezien daarvoor voldoende medische argumenten zijn zoals bovenstaand beschreven. Door een correcte weergave van haar belastbaarheid en re-integratiemogelijkheden zou ook de communicatie tussen werkgever en werknemer verbeterd kunnen worden, zo nodig middels een nieuw mediationtraject. Daarnaast kan betrokkene geadviseerd worden bij aanhoudende vermoeidheidsklachten ondanks herstel van haar visueel vermogen nader onderzoek te laten doen in de curatieve sector naar de oorzaak van haar chronische vermoeidheidsklachten. Een consult bij een internist zou hierbij het best passen. ” Hieruit is dus niet af te leiden dat in 2024 onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen van [verzoekster] bij het maken van het re-integratieplan en de daarin opgenomen werkzaamheden. Ook de in juni 2025 opgestelde functionele mogelijkhedenlijst (FML) zegt niets over de passendheid van de werkzaamheden in het kader van de re-integratie in 2024. 3.16. Het hof komt dan ook tot de slotsom dat de aan [verzoekster] opgedragen werkzaamheden in het kader van de re-integratie passend waren. Dat betekent dat [verzoekster] in zoverre geen reden had om deze niet te verrichten. Werken op kantoor 3.17. In de re-integratieplannen die vanaf februari 2023 zijn gemaakt, is steeds uitgegaan van het verrichten van werkzaamheden door [verzoekster] op het kantoor van ODRN (destijds) in [plaats2] , (destijds en nu weer) de woonplaats van [verzoekster] . Vast staat dat [verzoekster] op enig moment in de periode oktober-november 2023 is verhuisd naar [plaats1] , op ruim 130 kilometer afstand van kantoor, zonder dat daarover destijds overleg of afstemming met ODRN heeft plaatsgevonden. Op 5 december 2023 heeft [verzoekster] zich (opnieuw) ziekgemeld. Volgens het re-integratieplan dat vervolgens (uiteindelijk) is opgesteld, diende [verzoekster] met ingang van 19 maart 2024 in een opbouwschema, beginnend met 2x2 uur per week, te re-integreren met passende werkzaamheden in een speciale prikkelarme ruimte op kantoor. 3.18. ODRN had in eerste aanleg al uitvoerig aangevoerd dat [verzoekster] zich niet aan dit opbouwschema heeft gehouden en heeft in hoger beroep (in het verweerschrift en bij gelegenheid van de mondelinge behandeling) op een rij gezet wanneer en waarvoor [verzoekster] zich vanaf maart 2024 heeft gemeld op kantoor: op 20 maart 2024 (in plaats van 19 en 21 maart 2024, zoals voorzien in het opbouwschema) waarbij zij andere activiteiten dan volgens het plan verrichtte en dat niet in de speciaal voor haar ingerichte prikkelarme ruimte; op 17 juni 2024 voor een gesprek met haar directeur (op initiatief van [verzoekster] ); in augustus 2024 om iets voor zich privé te printen; in oktober 2024 voor een gesprek met de OR over haar eventuele kandidatuur en in december 2024 om haar kerstpakket op te halen. [verzoekster] heeft tijdens de mondelinge behandeling op vragen van het hof verklaard dat dit overzicht niet klopt, omdat zij veel vaker op kantoor is geweest om te voldoen aan het opbouwschema, bijvoorbeeld voor het bijwonen van een teamoverleg (wat overigens niet als passend werk was aangemerkt). Zij heeft meer of andere aanwezigheid op kantoor in deze periode niet nader concreet toegelicht, wat in het licht van de door ODRN aangedragen onderbouwingen van het tegendeel wel van haar kon worden gevergd. Dat zij vaker naar kantoor is gekomen, staat ook haaks op de inhoud van haar e-mailberichten van 27 maart 2024 en 10 april 2024, waarin zij aan ODRN laat weten dat zij de re-integratiewerkzaam-heden vanuit huis wil verrichten vanwege de door haar als stressvol en onveilig ervaren omgeving op het werk (waarop door ODRN afwijzend is gereageerd). De voor haar ingerichte prikkelarme ruimte op kantoor is door [verzoekster] steevast aangeduid als “isoleerkamer”, waaruit een duidelijke maar niet vanzelfsprekende weerstand spreekt. Op zitting is voorts besproken dat het reizen per auto of openbaar vervoer vanuit [plaats1] naar [plaats2] volgens [verzoekster] bijna ondoenlijk was, vanwege de reistijd, de problemen met autorijden en haar klachten, en dat dit een belangrijke - zo niet doorslaggevende - rol heeft gespeeld bij haar niet verschijnen op kantoor. Volgens [verzoekster] dient hiermee, vanwege de gestelde dringende persoonlijke redenen voor haar verhuizing, rekening te worden gehouden. Ook heeft zij nogmaals benadrukt dat het in haar visie volkomen onnodig is dat zij haar werk op kantoor verrichtte. ODRN ziet dat laatste in zijn algemeenheid anders, maar achtte het in het kader van de re-integratie in het bijzonder van belang dat er toezicht en begeleiding was op de werkzaamheden van [verzoekster] . 3.19. Uit het dossier blijkt overigens dat [verzoekster] en ODRN al ruimschoots voor de ziekmeldingen, vanaf haar indiensttreding, het vaker en grondig oneens zijn geweest over de noodzaak om op kantoor in plaats van thuis te werken. ODRN heeft steeds aangestuurd op een volledige dan wel substantiële aanwezigheid van [verzoekster] op kantoor, tegenover de wens van [verzoekster] om zoveel mogelijk thuis te werken. Uiteindelijk is na overleg in juli 2022 als afspraak vastgelegd dat [verzoekster] drie dagen van haar 36-urige werkweek op kantoor zou werken. 3.20.
Volledig
Verder blijkt uit de door ODRN in de spreekaantekeningen aangehaalde (uitgeschreven) geluidsfragmenten, die [verzoekster] in hoger beroep heeft ingebracht van heimelijk door haar gemaakte opnames van gesprekken met arbo-artsen, dat [verzoekster] in die gesprekken onwaarheden heeft verteld over haar verplichting om op kantoor aanwezig te zijn (zowel op basis van haar arbeidsovereenkomst als op basis van de re-integratieplannen) door te stellen dat steeds van haar werd gevraagd alle dagen op kantoor aanwezig te zijn. 3.21. Uit dit alles volgt [verzoekster] aan een belangrijk element van de re-integratie, aanwezigheid op kantoor, niet heeft voldaan, om redenen waarover zij tegen ODRN niet volledig open en eerlijk is geweest en die zich niet voldoende laten verklaren met de verwijzing naar haar (medische) klachten. Uit haar toelichting en uit de stukken rijst ook het beeld van een werknemer die haar eigen mening en voorkeur (vanwege haar privésituatie, waarover zij destijds niet heeft gecommuniceerd) over waar het werk kan worden verricht blijft stellen boven de duidelijke, herhaalde en alleszins redelijke instructie van de werkgever en daarbij ook tegenover arbo-artsen niet eerlijk verklaart over geldende afspraken met de werkgever. Geen benoeming deskundige 3.22. Voor ontbinding wegens verwijtbaar handelen omdat de werknemer de re-integratieverplichtingen niet nakomt, is onder meer vereist dat de werkgever bij het verzoek een deskundigenoordeel van het UWV in het geding brengt. Dat heeft ODRN in de procedure bij de kantonrechter gedaan. Ten aanzien van de vragen of van [verzoekster] kon worden gevergd dat zij de volgens de arbo-arts geschikte passende werkzaamheden verrichtte en dat zij hiervoor naar het kantoor in [plaats2] kwam, acht het hof zich op basis van wat over en weer is aangevoerd en onderbouwd (waaronder het deskundigenoordeel van het UWV dat op verzoek van ODRN is uitgebracht en de second opinion van bedrijfsarts [naam4] , uitgebracht op verzoek van [verzoekster] ) voldoende voorgelicht, zoals uit bovenstaande overwegingen volgt. [verzoekster] heeft met wat zij naar voren heeft gebracht de bevindingen van het UWV onvoldoende weersproken. Dat betekent dat [verzoekster] aan (al) haar re-integratieverplichtingen had moeten voldoen maar dat niet of onvoldoende heeft gedaan. Voor de benoeming van een (medisch) deskundige op de voet van art. 186 lid 1 (in samenhang met art. 284 en 362) Rv, zoals door [verzoekster] (subsidiair) verzocht, ziet het hof dan ook geen aanleiding. Ontbinding 3.23. Gelet op vorenstaande en de overwegingen van de kantonrechter (in het bijzonder over de geringe bereikbaarheid van [verzoekster] en de grote moeilijkheid om met haar te komen tot afspraken die doorgang vonden) sprake is van verwijtbaar handelen van [verzoekster] in de vorm van het niet nakomen van én de controlevoorschriften én de re-integratieverplichtingen. Dit alles, in onderlinge samenhang bezien en waarbij wordt betrokken dat noch een loonopschorting noch een daarop gevolgde loonstop [verzoekster] tot een andere opstelling heeft kunnen brengen, leidt tot verwijtbaar handelen van [verzoekster] , zodanig dat van ODRN niet gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter heeft dan ook terecht en op goede gronden de arbeidsovereenkomst ontbonden op de zogenoemde e-grond (artikel 7:669 lid 3 sub e BW). Dit betekent dat het hoger beroep ten aanzien van de daarin door [verzoekster] geformuleerde primaire verzoeken (die zien op herstel van de arbeidsovereenkomst met bijkomende financiële voorzieningen) niet slaagt. Geen billijke vergoeding 3.24. De afwijzing van het (subsidiaire) verzoek van [verzoekster] tot toekenning van een door ODRN te betalen billijke vergoeding houdt stand in hoger beroep. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Daarvan is geen sprake omdat de ontbinding terecht is uitgesproken vanwege verwijtbaar handelen van [verzoekster] . Terechte loonsanctie 3.25. Tussen 22 mei 2024 en 25 mei 2025 heeft ODRN aan [verzoekster] geen salaris betaald. [verzoekster] verzoekt in hoger beroep om ODRN te veroordelen om alsnog dit loon en de (maximale) wettelijke verhoging en rente daarover aan haar te betalen. Deze loonsanctie kent de volgende achtergrond. Nadat [verzoekster] te laat (namelijk op een tijdstip nadat de geplande afspraak al voorbij was) is verschenen op het spreekuur van de arbo-arts van 21 mei 2024 is aan haar op 22 mei 2024 (wederom) een loonsanctie opgelegd in de vorm van een opschorting van loon. Op 10 mei 2024 heeft [verzoekster] aan ODRN laten weten niet mee te zullen werken aan een belastbaarheidsonderzoek van Ergatis dat door de arbo-arts is geadviseerd. Op 10 juni 2024 heeft de arbo-arts bericht dat [verzoekster] kan re-integreren volgens het opbouwschema. Op 10 juni 2024 heeft ODRN de loonopschorting omgezet in een loonstop, omdat [verzoekster] weigerde de passende werkzaamheden te verrichten overeenkomstig het advies van de arbo-arts. Ook naar het oordeel van het hof is deze loonstop rechtsgeldig opgelegd. Zoals aldoor de kantonrechter is overwogen, had [verzoekster] , als zij het met het advies van de arbo-arts, die blijkens de rapportages werkte onder de supervisie van een bedrijfsarts, niet eens was een deskundigenoordeel bij het UWV moeten aanvragen. Dat heeft zij nagelaten. Door de eventuele werkzaamheden die zij al heeft verricht (volgens ODRN heeft [verzoekster] helemaal niet of nauwelijks gewerkt) thuis in plaats van op kantoor te verrichten, heeft [verzoekster] niet voldaan aan het advies van de arbo-arts. Deze situatie heeft voortgeduurd totdat [verzoekster] op 25 mei 2025 ging meewerken aan het zogenoemde tweede spoor. Noch in het deskundigenoordeel van het UWV van 12 november 2024 noch in het rapport van bedrijfsarts [naam4] van 8 april 2025 zijn aanknopingspunten te vinden om de loonstop voor onjuist te houden. De afwijzing van dit verzoek van [verzoekster] blijft dan ook in stand. Terechte veroordeling in de kosten van de procedure bij de kantonrechter 3.26. Uit vorenstaande vloeit voort dat de kantonrechter op goede gronden heeft geoordeeld dat [verzoekster] als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van ODRN moest betalen. Deze beslissing is in overeenstemming met “Aanbeveling 3.3” van de door de kantonrechters gebruikte “Aanbeveling schikking en proceskosten Wwz ten aanzien van de schikking ter zitting in Wwz-zaken (en pro forma ontbinding) en de proceskostenveroordeling in Wwz-zaken”. Het hof ziet geen reden om anders te beslissen. Ook op dit punt blijft de bestreden beschikking dan ook in stand. De conclusie 3.27. Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [verzoekster] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar veroordelen tot betaling van de proceskosten van ODRN bij het hof. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. 3.28. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4 De beslissing Het hof: 4.1. verwerpt het hoger beroep tegen de bestreden beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, van 8 augustus 2025; 4.2. veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de volgende proceskosten van ODRN: € 827 aan griffierecht en € 2.580 aan salaris advocaat (2 procespunten × appeltarief II à € 1.290); 4.3. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad en 4.4. wijst af wat verder is gevorderd. Deze beschikking is gegeven door mrs. K. Mans, W.F. Boele en P. Kruit, en is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2026. HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853
Volledig
Verder blijkt uit de door ODRN in de spreekaantekeningen aangehaalde (uitgeschreven) geluidsfragmenten, die [verzoekster] in hoger beroep heeft ingebracht van heimelijk door haar gemaakte opnames van gesprekken met arbo-artsen, dat [verzoekster] in die gesprekken onwaarheden heeft verteld over haar verplichting om op kantoor aanwezig te zijn (zowel op basis van haar arbeidsovereenkomst als op basis van de re-integratieplannen) door te stellen dat steeds van haar werd gevraagd alle dagen op kantoor aanwezig te zijn. 3.21. Uit dit alles volgt [verzoekster] aan een belangrijk element van de re-integratie, aanwezigheid op kantoor, niet heeft voldaan, om redenen waarover zij tegen ODRN niet volledig open en eerlijk is geweest en die zich niet voldoende laten verklaren met de verwijzing naar haar (medische) klachten. Uit haar toelichting en uit de stukken rijst ook het beeld van een werknemer die haar eigen mening en voorkeur (vanwege haar privésituatie, waarover zij destijds niet heeft gecommuniceerd) over waar het werk kan worden verricht blijft stellen boven de duidelijke, herhaalde en alleszins redelijke instructie van de werkgever en daarbij ook tegenover arbo-artsen niet eerlijk verklaart over geldende afspraken met de werkgever. Geen benoeming deskundige 3.22. Voor ontbinding wegens verwijtbaar handelen omdat de werknemer de re-integratieverplichtingen niet nakomt, is onder meer vereist dat de werkgever bij het verzoek een deskundigenoordeel van het UWV in het geding brengt. Dat heeft ODRN in de procedure bij de kantonrechter gedaan. Ten aanzien van de vragen of van [verzoekster] kon worden gevergd dat zij de volgens de arbo-arts geschikte passende werkzaamheden verrichtte en dat zij hiervoor naar het kantoor in [plaats2] kwam, acht het hof zich op basis van wat over en weer is aangevoerd en onderbouwd (waaronder het deskundigenoordeel van het UWV dat op verzoek van ODRN is uitgebracht en de second opinion van bedrijfsarts [naam4] , uitgebracht op verzoek van [verzoekster] ) voldoende voorgelicht, zoals uit bovenstaande overwegingen volgt. [verzoekster] heeft met wat zij naar voren heeft gebracht de bevindingen van het UWV onvoldoende weersproken. Dat betekent dat [verzoekster] aan (al) haar re-integratieverplichtingen had moeten voldoen maar dat niet of onvoldoende heeft gedaan. Voor de benoeming van een (medisch) deskundige op de voet van art. 186 lid 1 (in samenhang met art. 284 en 362) Rv, zoals door [verzoekster] (subsidiair) verzocht, ziet het hof dan ook geen aanleiding. Ontbinding 3.23. Gelet op vorenstaande en de overwegingen van de kantonrechter (in het bijzonder over de geringe bereikbaarheid van [verzoekster] en de grote moeilijkheid om met haar te komen tot afspraken die doorgang vonden) sprake is van verwijtbaar handelen van [verzoekster] in de vorm van het niet nakomen van én de controlevoorschriften én de re-integratieverplichtingen. Dit alles, in onderlinge samenhang bezien en waarbij wordt betrokken dat noch een loonopschorting noch een daarop gevolgde loonstop [verzoekster] tot een andere opstelling heeft kunnen brengen, leidt tot verwijtbaar handelen van [verzoekster] , zodanig dat van ODRN niet gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter heeft dan ook terecht en op goede gronden de arbeidsovereenkomst ontbonden op de zogenoemde e-grond (artikel 7:669 lid 3 sub e BW). Dit betekent dat het hoger beroep ten aanzien van de daarin door [verzoekster] geformuleerde primaire verzoeken (die zien op herstel van de arbeidsovereenkomst met bijkomende financiële voorzieningen) niet slaagt. Geen billijke vergoeding 3.24. De afwijzing van het (subsidiaire) verzoek van [verzoekster] tot toekenning van een door ODRN te betalen billijke vergoeding houdt stand in hoger beroep. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Daarvan is geen sprake omdat de ontbinding terecht is uitgesproken vanwege verwijtbaar handelen van [verzoekster] . Terechte loonsanctie 3.25. Tussen 22 mei 2024 en 25 mei 2025 heeft ODRN aan [verzoekster] geen salaris betaald. [verzoekster] verzoekt in hoger beroep om ODRN te veroordelen om alsnog dit loon en de (maximale) wettelijke verhoging en rente daarover aan haar te betalen. Deze loonsanctie kent de volgende achtergrond. Nadat [verzoekster] te laat (namelijk op een tijdstip nadat de geplande afspraak al voorbij was) is verschenen op het spreekuur van de arbo-arts van 21 mei 2024 is aan haar op 22 mei 2024 (wederom) een loonsanctie opgelegd in de vorm van een opschorting van loon. Op 10 mei 2024 heeft [verzoekster] aan ODRN laten weten niet mee te zullen werken aan een belastbaarheidsonderzoek van Ergatis dat door de arbo-arts is geadviseerd. Op 10 juni 2024 heeft de arbo-arts bericht dat [verzoekster] kan re-integreren volgens het opbouwschema. Op 10 juni 2024 heeft ODRN de loonopschorting omgezet in een loonstop, omdat [verzoekster] weigerde de passende werkzaamheden te verrichten overeenkomstig het advies van de arbo-arts. Ook naar het oordeel van het hof is deze loonstop rechtsgeldig opgelegd. Zoals aldoor de kantonrechter is overwogen, had [verzoekster] , als zij het met het advies van de arbo-arts, die blijkens de rapportages werkte onder de supervisie van een bedrijfsarts, niet eens was een deskundigenoordeel bij het UWV moeten aanvragen. Dat heeft zij nagelaten. Door de eventuele werkzaamheden die zij al heeft verricht (volgens ODRN heeft [verzoekster] helemaal niet of nauwelijks gewerkt) thuis in plaats van op kantoor te verrichten, heeft [verzoekster] niet voldaan aan het advies van de arbo-arts. Deze situatie heeft voortgeduurd totdat [verzoekster] op 25 mei 2025 ging meewerken aan het zogenoemde tweede spoor. Noch in het deskundigenoordeel van het UWV van 12 november 2024 noch in het rapport van bedrijfsarts [naam4] van 8 april 2025 zijn aanknopingspunten te vinden om de loonstop voor onjuist te houden. De afwijzing van dit verzoek van [verzoekster] blijft dan ook in stand. Terechte veroordeling in de kosten van de procedure bij de kantonrechter 3.26. Uit vorenstaande vloeit voort dat de kantonrechter op goede gronden heeft geoordeeld dat [verzoekster] als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van ODRN moest betalen. Deze beslissing is in overeenstemming met “Aanbeveling 3.3” van de door de kantonrechters gebruikte “Aanbeveling schikking en proceskosten Wwz ten aanzien van de schikking ter zitting in Wwz-zaken (en pro forma ontbinding) en de proceskostenveroordeling in Wwz-zaken”. Het hof ziet geen reden om anders te beslissen. Ook op dit punt blijft de bestreden beschikking dan ook in stand. De conclusie 3.27. Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [verzoekster] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar veroordelen tot betaling van de proceskosten van ODRN bij het hof. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. 3.28. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4 De beslissing Het hof: 4.1. verwerpt het hoger beroep tegen de bestreden beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, van 8 augustus 2025; 4.2. veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de volgende proceskosten van ODRN: € 827 aan griffierecht en € 2.580 aan salaris advocaat (2 procespunten × appeltarief II à € 1.290); 4.3. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad en 4.4. wijst af wat verder is gevorderd. Deze beschikking is gegeven door mrs. K. Mans, W.F. Boele en P. Kruit, en is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2026. HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853