Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-03-12
ECLI:NL:GHARL:2026:1522
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,040 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHARL:2026:1522 text/xml public 2026-03-20T12:00:21 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-12 200.359.929/01 Uitspraak Hoger beroep Tussenuitspraak NL Leeuwarden Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1522 text/html public 2026-03-18T11:14:58 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1522 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-03-2026 / 200.359.929/01 Gezag en omgang. Aanhouding voor zes maanden. Verwijzing naar hulpverleningstrajecten. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.359.929/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 230773) beschikking van 12 maart 2026 in de zaak van [verzoekster] (de moeder), die woont in [woonplaats1] , verzoekster in hoger beroep, advocaat: mr. J. Doornbos te Groningen, en [verweerder] (de vader), die woont in [woonplaats2] , verweerder in hoger beroep, advocaat: mr. M.A.E. Dekens te Assen. In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend: de raad voor de kinderbescherming (de raad), regio Noord-Nederland, locatie Groningen. 1 De procedure in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 30 januari 2024, 30 september 2024, 19 april 2024, 19 maart 2025 en 30 juni 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 30 juni 2025 zal hierna worden aangeduid als de bestreden beschikking. 2 De procedure in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 30 september 2025; - een journaalbericht namens de moeder van 5 november 2025 met bijlage(n); - het verweerschrift met bijlage(n). 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 24 februari 2026 plaatsgevonden. De vader en de moeder zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Verder is een medewerker van de raad verschenen. 3 De feiten 3.1 De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2022. De vader heeft [de minderjarige] middels vervangende toestemming op 10 september 2025 erkend en oefent sinds die datum gezamenlijk met de moeder het gezag uit over [de minderjarige] . 3.2 De vader heeft de procedure op 9 januari 2024 ingeleid. Hij heeft, voor zover in hoger beroep nog van belang, verzocht om hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] en een omgangsregeling op te starten. 3.3 De vader en [de minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. De moeder heeft de Poolse nationaliteit. 4 De omvang van het geschil 4.1 Tussen partijen is in geschil of het ouderlijk gezag over [de minderjarige] alleen door de moeder, of gezamenlijk door beide ouders moet worden uitgeoefend, alsook het recht op omgang van de vader met [de minderjarige] . De rechtbank heeft bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking als volgt beslist: - de vader is, samen met de moeder, belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] vanaf het moment dat hij haar heeft erkend; - als zorgregeling is bepaald dat de vader recht heeft op contact met [de minderjarige] gedurende anderhalf uur per twee weken, begeleid door een hulpverlenende instantie aan te wijzen door de gemeente van de woonplaats van de moeder. Van daaruit dient te worden toegewerkt naar een normaal, onbegeleid contact tussen de vader en [de minderjarige] . 4.2 De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt vernietiging van de bestreden beschikking en al dan niet onder verbetering en/of aanvulling van de gronden het verzoek van de vader om samen met de moeder belast te worden met het gezag over [de minderjarige] alsnog af te wijzen en de door de rechtbank vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) te wijzigen in de door de raad geadviseerde regeling, inhoudende eenmaal per twee weken een uur omgang tussen de vader en [de minderjarige] bij [naam1] , waarbij er in overleg met [naam1] , ouders en de gemeenten [gemeentenaam1] en [gemeentenaam2] bekeken wordt of de omgang verder uitgebouwd kan worden. 4.3 De vader voert verweer en hij verzoekt het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen. 5 De motivering van de beslissing De rechtsmacht 5.1 Omdat de moeder de Poolse nationaliteit heeft, heeft deze zaak een internationaal karakter en dient het hof, alvorens de zaak inhoudelijk te beoordelen, ambtshalve te toetsen of de Nederlandse rechter bevoegd is om de zaak te behandelen en te beslissen. Het hof overweegt daarover als volgt. 5.2 Ten aanzien van het verzoek tot gezamenlijk gezag en het vaststellen van een omgangs- dan wel zorgregeling heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van artikel 7 lid 1 van de Verordening (EG) nr. 2019/1 111 van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter), omdat [de minderjarige] ten tijde van de indiening van het verzoekschrift haar gewone verblijfplaats in Nederland had. 5.3 De rechtbank heeft het Nederlandse recht toegepast. Omdat hiertegen geen grief is gericht, zal ook het hof het Nederlandse recht tot uitgangspunt nemen. Inhoudelijk 5.4 De moeder stelt dat één uur begeleide omgang tussen [de minderjarige] en de vader per twee weken bij [naam1] voldoende is en dat gezamenlijk gezag tussen haar en de vader niet mogelijk is, nu sprake is van een ernstig verstoorde communicatie. De vader heeft de moeder heeft bedreigd, gestalkt en zich intimiderend gedragen richting de omgangsbegeleiders. 5.5 De vader stelt dat hij nu al langere tijd geen contact met de moeder heeft gehad of gezocht en dat de situatie met de omgangsbegeleiders ook is opgelost. Hij stelt dat hij het contact met [de minderjarige] zo snel mogelijk weer wil oppakken. De vader is bereid om met de moeder te werken aan hun onderlinge communicatie en hij staat open voor begeleide omgangsmomenten bij [naam1] . 5.6 Het hof constateert dat de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling niet van de grond is gekomen. De vader heeft in oktober 2024 voor het laatst contact gehad met [de minderjarige] . Dit was tijdens een begeleid omgangsmoment. De verdere opbouw van de omgangsregeling heeft hierna stilgelegen. Inmiddels is er wel een en ander gewijzigd. De moeder heeft een EMDR-therapie positief afgerond.. De vader krijgt hulp en ondersteuning bij praktische zaken vanuit hulpverleningsinstantie [naam2] . Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de moeder aangegeven dat ze blij is om te horen dat de vader deze hulp krijgt en dat ze hoopt dat [de minderjarige] nu normaal contact kan krijgen met haar vader. 5.7 De raad heeft op de zitting bij het hof geadviseerd om de zaak aan te houden voor zes maanden, zodat in die periode bekeken kan worden of, en zo ja welke, verdere stappen met de ouders mogelijk zijn. De raad stelt voor de ouders te verwijzen naar het hulpverleningsaanbod van [naam3] , dat verschillende modules aanbiedt. [naam3] kan onderzoeken welke hulp passend is, dit kan zijn een traject voor parallel solo ouderschap of inzetten op het verbeteren van de communicatie. Daarnaast is geadviseerd om het contact tussen de vader en [de minderjarige] via [naam1] begeleid voort te zetten. Met betrekking tot het gezag heeft de raad eveneens geadviseerd de beslissing hierover aan te houden voor een periode van zes maanden in afwachting van de uitkomsten van de hiervoor genoemde trajecten. 5.8 Het hof acht zich op grond van de overgelegde stukken en wat op de zitting is besproken op dit moment onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen nemen over het gezag en de omgangsregeling. Het hof sluit zich daarom aan bij het advies van de raad. Het hof acht het in het belang van [de minderjarige] dat, voordat een beslissing met betrekking tot het gezag en de omgang wordt genomen, partijen zich wenden tot [naam3] en [naam1] om gebruik te maken van de door de raad geschetste hulp. Het hof zal daarom de zaak voor een periode van zes maanden aanhouden in afwachting van het verloop van de hulptrajecten.