Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-03-10
ECLI:NL:GHARL:2026:1518
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
2,034 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHARL:2026:1518 text/xml public 2026-04-02T10:03:47 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-10 24/1312 en 24/1313 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2026/622 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1518 text/html public 2026-03-16T10:13:52 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1518 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 10-03-2026 / 24/1312 en 24/1313 OB. Ontvankelijkheid bezwaar. Misslag in dictum rechtbank leidt niet tot vernietiging uitspraak. GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers BK-ARN 24/1312 en 24/1313 uitspraakdatum: 10 maart 2026 Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 31 mei 2024, nummers ARN 23/3632 en 23/3633, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Almelo (hierna: de Inspecteur) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Belanghebbende heeft op eigen naam bezwaar gemaakt tegen de aan [BV1] (hierna: [BV1] ) opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over de jaren 2015 en 2016. 1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de bezwaren van belanghebbende kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat belanghebbende niet het recht toekomt bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslagen. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen niet-ontvankelijk verklaard, omdat belanghebbende niet gerechtigd was de beroepen in te stellen. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord – via een digitale verbinding – mr. J.J. Weldam, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende was van oprichtingsdatum 2 oktober 2014 tot 17 februari 2020 enig aandeelhouder en bestuurder van [BV2] (hierna: [BV2] ). [BV2] was van 2 oktober 2014 tot 16 september 2016 medeaandeelhouder en (mede-)bestuurder van [BV1] . De overige aandelen in [BV1] waren in handen van [BV3] 2.2. [BV2] heeft haar aandelen in [BV1] in 2016 (in twee tranches) overgedragen aan een derde en is per 16 september 2016 afgetreden als (mede-)bestuurder van [BV1] . 2.3. [BV1] is op 1 mei 2017 opgehouden te bestaan. Belanghebbende was niet de laatste bestuurder of aandeelhouder van [BV1] . 2.4. Op 2 juni 2020 heeft de Ontvanger naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2015 en 2016 ten name van [BV1] , overeenkomstig artikel 8, lid 2, van de Invorderingswet 1990, bekendgemaakt door uitreiking – middels betekening door de belastingdeurwaarder – van de aanslagbiljetten aan het parket van het Openbaar Ministerie. Overeenkomstig artikel 8, lid 3, van de Invorderingswet 1990, is in een publicatie in de Staatscourant van 9 juni 2020 melding gemaakt van de betekening van de naheffingsaanslagen. 2.5. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslagen bezwaar gemaakt bij brief ontvangen door de Inspecteur op 26 januari 2023. 3 Geschil 3.1. In geschil is of belanghebbende het recht toekomt op eigen naam bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslagen. 3.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hem het recht toe moet komen op eigen naam bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslagen. Belanghebbende voert daartoe aan dat tegen hem een strafzaak loopt die mede betrekking heeft op feiten waarop de naheffingsaanslagen zien en op eigen naam bezwaar moet kunnen maken tegen de naheffingsaanslagen om de juistheid van deze naheffingsaanslagen te kunnen betwisten. Daarnaast wijst belanghebbende erop dat hij ook mogelijk nog door de Ontvanger aansprakelijk kan worden gesteld voor de (onbetaalde) naheffingsaanslagen. Door het bezwaar en het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, hebben de Inspecteur en de Rechtbank volgens belanghebbende een te beperkte uitleg gegeven aan het bepaalde in artikel 26a, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Het evenredigheidsbeginsel en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) dwingen tot een ruimere uitleg op grond waarvan belanghebbende het recht toekomt op eigen naam bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslagen. 3.3. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat hij het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat belanghebbende niet gerechtigd was bezwaar te maken. 4 Beoordeling van het geschil 4.1. Belanghebbende heeft op eigen naam bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen. De Inspecteur heeft vervolgens op naam van belanghebbende uitspraak op bezwaar gedaan. De belastingrechter is bevoegd kennis te nemen van het beroep tegen een op naam van degene die beroep instelt gestelde uitspraak op bezwaar van de Inspecteur, indien die uitspraak op bezwaar betrekking heeft op een ingevolge de belastingwet genomen besluit, zoals een belastingaanslag. Dat geldt ook in gevallen waarin de Inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat degene die bezwaar heeft gemaakt daartoe niet bevoegd was. Dit betekent dat de Rechtbank, nu overigens niet is gebleken dat het beroep op een andere grond niet-ontvankelijk was, het beroep van belanghebbende diende te ontvangen. Vervolgens had de Rechtbank moeten beoordelen of de Inspecteur terecht het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. Belanghebbende beklaagt zich in hoger beroep dus in zoverre terecht erover dat de Rechtbank het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. 4.2. Artikel 26a van de AWR beperkt de kring van belanghebbenden die rechtsmiddelen kan aanwenden tegen een belastingaanslag. Uit artikel 26a, lid 1, van de AWR in samenhang bezien met artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat tegen de onderhavige naheffingsaanslagen, die zijn vastgesteld met toepassing van artikel 8, lid 2, van de Invorderingswet 1990 (zie 2.4.), bezwaar kan worden gemaakt door de laatste bestuurder, aandeelhouder of vereffenaar van [BV1] . Belanghebbende was niet de laatste bestuurder, aandeelhouder of vereffenaar van [BV1] , zodat hem op grond van artikel 26a, lid 1, van de AWR niet het recht toe kwam op eigen naam bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslagen. De Inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de naheffingsaanslagen dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. 4.3. Anders dan belanghebbende met zijn verwijzing naar artikel 6 van het EVRM en het evenredigheidsbeginsel in de kern betoogt, leidt toepassing van artikel 26a, lid 1, van de AWR in dit geval niet tot een rechtstekort. De omstandigheid dat belanghebbende als voormalig (middellijk) bestuurder en aandeelhouder geen bezwaar kan maken tegen de aan [BV1] opgelegde naheffingsaanslagen, laat onverlet dat belanghebbende in de strafrechtelijke procedure de juistheid van de naheffingsaanslagen ter discussie kan stellen. Er bestaat daarom geen aanleiding belanghebbende op grond van artikel 6 van het EVRM, in afwijking van artikel 26a van de AWR, tot de kring van belanghebbenden te rekenen die rechtsmiddelen kan aanwenden tegen de naheffingsaanslagen. 4.4. Ook de omstandigheid dat belanghebbende mogelijk door de Ontvanger aansprakelijk wordt gesteld voor de naheffingsaanslagen, maakt niet dat belanghebbende het recht moet hebben op eigen naam bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslagen. Belanghebbende kan namelijk in een mogelijke procedure betreffende een beschikking tot aansprakelijkstelling feiten en omstandigheden betreffende de naheffingsaanslagen aanvoeren die niet eerder aan de belastingrechter zijn voorgelegd of waarover die rechter geen onherroepelijke uitspraak heeft gedaan. 4.5. Uit hetgeen het Hof hiervoor heeft geoordeeld, volgt dat de Rechtbank het beroep van belanghebbende niet niet-ontvankelijk had moeten verklaren, maar ongegrond.