Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-10
ECLI:NL:GHARL:2026:1505
Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-002674-22 Uitspraakdatum: 10 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 27 juni 2022 met parketnummer 16-126445-21 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1975 in [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] . Hoger beroep De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht. Onderzoek van de zaak Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 30 juni 2025 en 24 februari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. J.R.A. Röschlau, en de vertegenwoordiger van aangeefster, [naam 1] , werkzaam bij Slachtofferhulp Nederland, hebben aangevoerd. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging. Primair omdat vervolging ter zake van dit feit niet meer mogelijk is omdat het feit verjaard is. Subsidiair vanwege een forse overschrijding van de redelijke termijn, omdat de verdachte pas 22 jaar na het tenlastegelegde feit is gedagvaard en (bijna) 26 jaar na het feit een eindoordeel kan verwachten. Er is geen sprake van equality of arms nu door de aanzienlijke verstrijking van tijd de waarheidsvinding is bemoeilijkt en de verdachte bijvoorbeeld geen getuigen meer (op zinvolle wijze) kan horen of camerabeelden kan opvragen om zijn lezing te bevestigen. Het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) is daarmee geschonden. Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie wel ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte. Het feit is niet verjaard en het tijdsverloop is verklaarbaar, omdat de verdachte lange tijd niet in beeld was, namelijk in de periode dat zijn DNA nog niet in de Nederlandse DNA-databank was opgenomen. Vervolgens zijn politie en justitie voldoende voortvarend te werk gegaan in de opsporing en vervolging van de verdachte. Oordeel van het hof Op 31 december 2019 wordt bij de verdachte - in het kader van een andere zaak - DNA afgenomen, welke wordt opgenomen in de Nederlandse DNA-databank. Uit een rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut van 7 januari 2020 blijkt dat het afgestane DNA een match heeft opgeleverd met de cold-case verkrachting op 22 juni 2000 te [plaats 1] , te weten met het destijds aangetroffen spermaspoor op het cervixuitstrijkje van [benadeelde] . De verdachte is hierop op 8 april 2021 aangehouden, gedagvaard op 6 mei 2022 en bij vonnis van de politierechter op 27 juni 2022 veroordeeld voor de ten laste gelegde verkrachting. Verjaring Ingevolge artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht vervalt het recht tot strafvordering niet voor misdrijven waarop gevangenisstraf van 12 jaar of meer is gesteld. Deze regeling geldt sinds 1 april 2013 ingevolge de Wijzigingswet Wetboek van Strafrecht (aanpassing van de regeling van de vervolgingsverjaring), welke in werking is getreden op 1 april 2013. Hiermee blijven feiten zoals verkrachting levenslang vervolgbaar. De wet bevat een overgangsbepaling waarin is bepaald dat de wet van toepassing is op feiten die zijn gepleegd voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet, tenzij de feiten op dat moment al waren verjaard. Deze uitzondering is niet van toepassing; het onderhavige feit was in 2013 nog niet verjaard. Immers was de verjaringstermijn ten tijde van het feit (2000) 15 jaar en is deze verjaringstermijn Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 22 juni 2000 te [plaats 1] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door - naast [benadeelde] te gaan en/of blijven lopen en/of tegen haar te zeggen ‘Zullen we samen gaan slapen’, althans woorden van gelijke strekking en/of - (nadat die [benadeelde] had gezegd: ‘Sodemieter op’) die [benadeelde] (met kracht) te duwen tegen de armen, althans het lichaam, ten gevolge waarvan zij ten val kwam (in de bosjes) en/of - (terwijl die [benadeelde] op haar rug op de grond lag) haar ellebogen, althans armen vast te houden en/of op de grond te duwen en/of - (vervolgens) de rok van die [benadeelde] omhoog te doen, die [benadeelde] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , te weten het brengen/duwen/houden en/of heen en weer bewegen van de penis in haar vagina; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsmiddelen Alle gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring 1. Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] , opgemaakt en afgesloten door [naam 2] , brigadier van Regiopolitie [plaats 1] , [district] , op 24 juni 2000, doorgenummerd pagina 14 tot en met 17, voor zover inhoudende: Ik woon sinds januari 2000 op de [straatnaam 1] te [plaats 1] . Het was inmiddels 22 juni 2000. Vanuit huis ben ik in de richting gelopen van de [straatnaam 2] . Ik liep langs de bosschages die daar staan. Toen ik daar liep, liep er ineens een man naast mij. Ik liep aan de zijde van de bosjes en de man kwam rechts van mij lopen. De man passeerde mij niet, maar bleef naast mij lopen. Ik hoorde dat de man aan mij vroeg: “Zullen we samen gaan slapen”. Ik zei toen tegen de man: “Sodemieter op.” Ik had deze man nog nooit gezien. Vervolgens voelde ik, dat de man mij een harde duw tegen mijn armen gaf. Ik zag dat hij dit met zijn beide handen deed. Hij duwde zo hard, dat ik ten val kwam. Toen ik op de grond lag, lag ik in de bosjes. Ik zag dat de man naar mij toekwam. Toen hij naar mij toekwam, lag ik op mijn rug op de grond. Ik voelde toen, dat de man mijn armen vasthield. Ik voelde dat de man met zijn handen mijn armen op de grond duwde. Hij hield mij bij mijn beide ellebogen vast. Toen ik daar lag voelde ik dat de man mijn rok omhoog deed. De man heeft mij de gehele tijd bij mijn armen vastgehouden. (...) toen ik daar lag, voelde ik dat de man met zijn penis tegen mijn vagina duwde. Ik weet zeker dat het de penis van de man was en niet een vinger ofzo. De man hield mij op dat moment met zijn beide handen vast. Ik weet wel dat ik voelde dat de man heen en weer bewoog op mij. Toen hij dit deed was hij volgens mij wel met zijn penis in mijn vagina. De man die mij verkracht heeft kan ik als volgt omschrijven: Buitenlandse man vermoedelijk een Turk of Marokkaan; Normaal postuur. Lengte tussen 1.70 en 1.75; Leeftijd tussen 25 en 27 jaar; Kort zwart krullend haar; Geen bril, snor of baard; Opvallende moedervlek boven rechter mondhoek ter hoogte van zijn neus. 2. Een geschrift, te weten een uitgedraaide en niet ondertekende versie van het origineel opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , van 26 juli 2000, pagina 22 tot en met 25, voor zover inhoudende: Ik was ten tijde van het incident werkzaam als programmacoördinator in dienst van het [centrum] . Dit project (begeleid wonen) is gericht op het rehabiliteren en socialiseren van mensen met een verslavingsachtergrond. Op woensdag 21 juni 2000 omstreeks 24.00 uur kreeg ik weer een telefoontje dat het mis was op de [adres 2] . [benadeelde] [het hof begrijpt: [benadeelde] ] zou op dit adres een ruitje hebben ingegooid. Ik heb hierop direct de politie gealarmeerd en ben zelf ook naar de [ad Wij zagen dat [benadeelde] hierop zeer heftig reageerde. Wij zagen dat zij begon te huilen. Wij zagen en hoorden dat zij niet meer uit haar woorden kon komen. Gedurende een minuut kon zij niets zeggen. Nadat ze haar emoties te baas was en weer kon praten, was het eerste wat ze zei: “Ik was bang niet geloofd te worden.” 8. Het proces-verbaal van bevindingen, met getuigenverhoor van [benadeelde] , bij het kabinet van de raadsheer-commissaris van 4 september 2025, opgemaakt en ondertekend door [naam 3] en [naam 4] , met parketnummer 21-002674-22, voor zover inhoudende: U vraagt mij of ik mij iets kan herinneren over het uiterlijk van de man. Een bruine vlek op zijn gezicht. Getuige wijst met haar vinger op haar linkerwang. Dat vergeet ik nooit meer. Bewijsoverweging Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft hiertoe – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar zijn en dat de seksuele handelingen vrijwillig hebben plaatsgevonden niet in de bosschages, maar in de woning van aangeefster. De raadsman heeft de voorwaardelijke verzoeken – welke hij in zijn pleitnota in hoger beroep heeft opgenomen – ter terechtzitting ingetrokken. Oordeel van het hof Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Daarover overweegt het hof het volgende. Aangeefster heeft in 2000 op gedetailleerde en authentieke wijze verklaard over de verkrachting en heeft daarbij een signalement van de dader gegeven, welke, met in het bijzonder de moedervlek op diens linkerwang, nauw aansluit op het uiterlijk van de verdachte. Haar verklaring wordt verder ondersteund door andere bewijsmiddelen. Zo nam begeleidster [getuige 1] de ochtend na het gebeurde waar dat aangeefster erg emotioneel was en hoorde haar vertellen dat ze verkracht was. Vijfentwintig jaar na het gebeurde weet aangeefster zich hetgeen haar is overkomen nog goed te herinneren en ook haar emotionele reactie op het bezoek van het cold-case team op 19 januari 2021, waarin men haar over de DNA-match informeert, sterkt de betrouwbaarheid van de door haar in 2000 gedane aangifte. Ook bij de raadsheer-commissaris verklaart aangeefster in de kern consistent en geëmotioneerd. De verdachte heeft hier wisselende verklaringen tegenover gezet. In eerste aanleg ontkent de verdachte seks te hebben gehad met aangeefster. Hij verklaart bij de politie alleen seks te hebben gehad met zijn vrouw, ex-vrouw en met twee prostituees (eenmaal in Marokko en eenmaal in [plaats 2] ). In hoger beroep herinnert hij zich wel seks te hebben gehad met aangeefster, maar dit was vrijwillig en niet in bosschages, maar in de kamer van aangeefster, en op haar eigen initiatief. De verdachte, die ten tijde van het feit zelf dakloos was, zou op uitnodiging van aangeefster met haar zijn meegegaan naar haar verblijfplaats en naar zijn laatste verklaring in hoger beroep – tot de ochtend bij aangeefster in haar kamer zijn gebleven. Om het huis binnen te komen zou aangeefster een ruit hebben ingegooid, waar de verdachte bijstond. De verdachte heeft met klem verklaard nooit ‘iets seksueels op de straat’ te hebben gedaan, en dat dit in zijn familie en cultuur een groot taboe is. Daarnaast heeft de verdachte meermalen verklaard dat aangeefster misbruik van hem heeft gemaakt, wellicht omdat ze zoals hij tijdens de zitting in hoger beroep heeft verklaard, dacht via hem een woning te kunnen krijgen, en juist hém heeft verkracht. Een medebewoner van aangeefster heeft echter verklaard dat hij heeft gezien dat aangeefster de ruit al eerder op de avond rond, 00.15 uur, had ingeslagen, hetgeen wordt bevestigd door getuige [getuige 1] die de betreffende nacht rond 24.00 uur een melding kreeg over de kapotte ruit, ter plaatse ging, zag dat aangeefster al weg was en dat de ruit kapo Tot slot merkt het hof op dat de verdachte nog steeds zijn verantwoordelijkheid niet heeft genomen, maar zelfs de schuld expliciet bij het inmiddels overleden slachtoffer legt. Het hof heeft daarnaast acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die blijken uit het reclasseringsrapport van 10 juni 2022 en uit hetgeen hij hier ter terechtzitting over heeft verklaard. Uit het reclasseringsadvies blijkt dat de reclassering geen mogelijkheden ziet om criminogene factoren vast te stellen, vanwege de ontkenning van de verdachte in combinatie met het feit dat het strafbare feit (bij het uitbrengen van het rapport) tweeëntwintig jaar geleden heeft plaatsgevonden. De verdachte was ten tijde van het delict 24 jaar en verkeerde in een onzekere situatie als asielzoeker en dakloze. Inmiddels leeft de verdachte – samen met zijn vrouw en kinderen – van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, nadat hij in 2004 is afgekeurd. Bij de verdachte speelt – naar eigen zeggen – geen verslavingsproblematiek (meer) en de verdachte leidt – in tegenstelling tot de periode van het bewezenverklaarde feit – een stabiel leven. Dat wordt bevestigd door de constatering dat de verdachte tussen 2001 en 2019 niet meer met justitie in aanraking is gekomen. Het hof heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 januari 2026 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder (of later) is veroordeeld voor een soortgelijk feit. De veroordeling in 2019 – waarbij de verdachte zijn DNA heeft moeten afstaan – betrof een andersoortig feit. Bij de straftoemeting neemt het hof de binnen de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting voor feiten als het onderhavige in aanmerking. Dit betreft een oriëntatiepunt dat recentelijk is gewijzigd en is gedifferentieerd naar de mate van dwang. Volgens de vastgestelde oriëntatiepunten is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden het oriëntatiepunt voor verkrachting met geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang. Ten tijde van het feit werden lagere straffen opgelegd. Het hof zal het huidige oriëntatiepunt als uitgangspunt nemen, gelet op de gewijzigde maatschappelijke opvattingen ten aanzien van (de strafmaat bij) zedenfeiten. Het feit dat de verkrachting reeds in 2000 heeft plaatsgevonden, doet niet af aan de ernst. Tot slot merkt het hof op dat zij in het cold-case karakter van deze zaak, en het overlijden van het slachtoffer op 7 november 2025, geen aanleiding ziet tot strafvermindering. De strafdoelen vergelding en (generale) preventie zijn, bij ernstige feiten als het onderhavige, mede gelet op de maatschappelijke onrust die onopgeloste zaken nog jarenlang kunnen veroorzaken, nog onverkort aan de orde. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden. De verdachte is op 8 april 2021 aangehouden. Het vonnis van de rechtbank dateert van 27 juni 2022 en de verdachte heeft diezelfde dag hoger beroep ingesteld. Het arrest van het hof wordt gewezen op 10 maart 2026. De redelijke termijn is in hoger beroep met één jaar en negen maanden overschreden. Het verloop van deze termijn is niet volledig aan de verdachte te wijten. Gelet op deze overschrijding van de behandeling van de zaak zal het hof in hoger beroep een strafkorting toepassen. Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf van 30 maanden passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal een strafkorting van 3 maanden worden toegepast. Daarmee is het nadeel van de overschrijding van de redelijke termijn gecompenseerd. Alles afwegende acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaa