Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-03-10
ECLI:NL:GHARL:2026:1446
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,007 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHARL:2026:1446 text/xml public 2026-03-25T11:21:54 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-10 200.361.201 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1446 text/html public 2026-03-25T11:21:44 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1446 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 10-03-2026 / 200.361.201 Gezag en vervangende toestemming. Geen juridische grondslag voor beëindiging gezamenlijk gezag tijdens huwelijk. Het hof verleent geen algemene vervangende toestemming voor gezagsbeslissingen. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.361.201 (zaaknummer rechtbank Overijssel 322503) beschikking van 10 maart 2026 inzake [verzoekster] , wonende te [woonplaats1] , België, verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. A.H.M. Bressers, en [verweerder] , wonende te [woonplaats2] , verweerder in beroep, verder te noemen: de vader, advocaat: mr. R.W. Hoevers. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 3 februari 2025, uitgesproken onder zaaknummer 322503. Deze beschikking wordt hierna ook de bestreden beschikking genoemd. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: het beroepschrift met producties, ingekomen op 7 november 2026; het verweerschrift. 2.2 [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben op 26 januari 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij hebben verteld wat zij van het verzoek van de moeder vinden om weer (mede) het gezag over hen te hebben. 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 5 februari 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, de vader, bijgestaan door zijn advocaat. 3. De feiten 3.1 De vader en de moeder zijn [in] 2012 met elkaar getrouwd. 3.2 Zij zijn de ouders van: [de minderjarige1] , geboren [in] 2012, en [de minderjarige2] , geboren [in] 2015. 3.3 De ouders oefenden tot de bestreden beschikking samen het gezag uit over de kinderen. De kinderen wonen bij de vader. 3.4 De vader heeft de rechtbank in eerste aanleg verzocht: hem alleen te belasten met het gezag over de kinderen; of voor zover de vader niet alleen wordt belast met het gezag over de kinderen, aan hem vervangende toestemming te verlenen voor het aanvragen van identiteitsbewijzen voor de kinderen, te reizen met de kinderen naar het buitenland, de kinderen in te schrijven op school/scholen en het aangaan van een eventuele (paramedische) behandelovereenkomsten van de kinderen. 3.5 De moeder is in de procedure bij de rechtbank niet verschenen. 4 De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de vader met ingang van 27 januari 2025 belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen en het meer of anders verzochte afgewezen. De rechtbank heeft deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 4.2 De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof om die beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat partijen gezamenlijk belast zijn met het gezag over de kinderen dan wel een beslissing te nemen die het hof juist oordeelt, en een beslissing over de proceskosten te nemen (kosten rechtens). 4.3 De vader voert verweer. De vader vraagt het hof het verzoek in hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 5 De motivering van de beslissing Rechtsmacht en toepasselijk recht 5.1 De moeder woont in België. Daardoor heeft deze zaak een internationaal karakter en dient het hof ambtshalve te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Voor de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is en aan hem dus rechtsmacht toekomt, is in zaken over de ouderlijke verantwoordelijkheid als uitgangspunt bepalend wat de gewone verblijfplaats is van het kind op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt (artikel 7 lid 1 Brussel II-ter). De kinderen hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland. Daarom is de Nederlandse rechter bevoegd om het geschil te beoordelen. De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Omdat de vader en de moeder daartegen geen bezwaar hebben gemaakt, zal het hof ook Nederlands recht toepassen. Ontvankelijkheid 5.2 Het hof dient allereerst te beoordelen of de moeder tijdig hoger beroep heeft ingesteld. 5.3 Op grond van het bepaalde in artikel 806 lid 1 onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep ingesteld te worden. Artikel 806 lid 1 onder b Rv bepaalt dat door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden hoger beroep kan worden ingesteld. 5.4 Het hof stelt vast dat de moeder bij de rechtbank niet is verschenen. Zij is in de Staatscourant opgeroepen om tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank te verschijnen, omdat zij op dat moment geen voor de rechtbank bekende woon- of verblijfplaats had. Deze oproep heeft de moeder niet bereikt. 5.5 De moeder heeft in het door de vader ingediende verzoek tot echtscheiding kennisgenomen van de bestreden beschikking. De moeder heeft dit verzoekschrift op 9 augustus 2025 ontvangen (bijlagen 4 en 5 bij het beroepschrift). 5.6 Het beroepschrift is door het hof op 7 november 2025 ontvangen en dus binnen drie maanden nadat de moeder bekend is geworden met de beslissingen van de rechtbank. Dit betekent dat de moeder kan worden ontvangen in haar verzoek in hoger beroep. Gezag 5.7 Artikel 1:253r lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat artikel 1:253q BW van overeenkomstige toepassing is indien het bestaan of de verblijfplaats van de ouders of van één van hen die het gezag uitoefenen, onbekend is. 5.8 In artikel 1:253q lid 1 BW is te lezen dat wanneer een van de ouders die gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen en deze ouder op een van de in artikel 1:246 BW genoemde gronden daartoe onbevoegd is, de andere ouder alleen het gezag over de kinderen uitoefent. Wanneer de grond van de onbevoegdheid is weggevallen, herleeft van rechtswege het gezamenlijke gezag. 5.9 De vader en de moeder zijn bij het instellen van het hoger beroep door de moeder nog steeds met elkaar gehuwd. Het wettelijk uitgangspunt is dat de ouders tijdens het huwelijk gezamenlijk zijn belast met het gezag over de kinderen. 5.10 Het hof is van oordeel dat in deze zaak de juridische grondslag om de vader alleen met het gezag over de kinderen te belasten ontbreekt. De vader voert aan dat de verblijfplaats van de moeder bij het instellen van deze zaak in eerste aanleg voor hem onbekend was, maar tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de vader niet aan de moeder heeft gevraagd wat haar verblijfplaats is. De vader beantwoordde de verzoeken tot het voeren van telefoongesprekken met de moeder ook niet, omdat deze, volgens de vader, vaak uitmondden in ruzies. De vader en de moeder hadden hierdoor (zeer) beperkt telefonisch contact, maar de vader beschikte wel over het telefoonnummer van de moeder en kon dus met de moeder in contact treden. Dat de vader dit niet heeft gedaan, leidt niet tot het oordeel dat de verblijfplaats van de moeder voor de vader onbekend was en dat hij om die reden alleen moet worden belast met het gezag over de kinderen. Dit betekent dat het verzoek van de vader om alleen te worden belast met het gezag van de kinderen alsnog dient te worden afgewezen. 5.11 De vader heeft nog aangevoerd dat - indien zijn verzoek om hem te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen wordt afgewezen - hij dit verzoek opnieuw zal indienen in de echtscheidingsprocedure. Ook dit argument vormt voor het hof geen reden om de vader op dit moment alleen te belasten met het gezag over de kinderen.