Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-03-10
ECLI:NL:GHARL:2026:1430
Strafrecht
Hoger beroep
1,308 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHARL:2026:1430 text/xml public 2026-04-09T09:37:49 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-10 Wahv 200.357.691/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1430 text/html public 2026-04-09T09:37:11 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1430 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 10-03-2026 / Wahv 200.357.691/01 Geslotenverklaring. Niet is gebleken dat de hoogte van het door de regelgever vastgestelde sanctiebedrag hier niet in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de gedraging. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.357.691/01 CJIB-nummer : 266950715 Uitspraak d.d. : 10 maart 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 5 juni 2025, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verloop van de procedure De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling 1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 120,- voor: “Een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen negeren (bord C12)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 12 juni 2024 om 17.57 uur op de Escamplaan (ter hoogte van nummer 904) in 'sGravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken]. 2. De betrokkene erkent de gedraging te hebben verricht, maar beroept zich op de omstandigheden waaronder die gedraging is verricht. Op het moment van de gedraging was de betrokkene met spoed met een vriendin met ernstig letsel (een dubbele beenbreuk) op weg naar het ziekenhuis. De situatie was acuut en naar het idee van de betrokkene levensbedreigend. De betrokkene stelt dat het naleven van de verkeersregels in dit geval ondergeschikt was aan het redden van de gezondheid en het welzijn van een medemens. Hij verzoekt daarom de sanctie te heroverwegen en daarbij te beoordelen of zijn handelen valt onder het noodweer- of overmachtsbeginsel en te toetsen of het beginsel van evenredigheid voldoende is gewaarborgd. 3. Gelet op artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv moet worden beoordeeld of de gedraging is verricht onder zodanige omstandigheden dat het opleggen van een sanctie niet billijk is. 4. Naar het oordeel van het hof is van zodanige omstandigheden geen sprake. Niet is komen vast te staan dat zich hier een dusdanig (medisch) spoedeisende situatie heeft voorgedaan die meebrengt dat de betrokkene niet anders heeft kunnen handelen dat hij heeft gedaan, in dit geval het negeren van een geslotenverklaring. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat eerder in de procedure is aangegeven dat medewerkers van de ambulance de betrokkene hebben gevraagd de vriendin naar de spoedeisende hulp te brengen. Dezen zagen derhalve niet een dermate acuut en (potentieel) levensbedreigend letsel, dat de vriendin per ambulance naar het ziekenhuis moest worden vervoerd. Niet is gebleken dat het voor de betrokkene niet mogelijk was om via een wel toegestane route naar de spoedeisende hulp van het ziekenhuis te rijden. Daarbij betrekt het hof eveneens dat de betrokkene eerder in de procedure ook heeft gewezen op een andere reden waarom hij de geslotenverklaring heeft genegeerd, namelijk omdat hij zijn hele leven niet anders weet dan dat inrijden in de Escamplaan is toegestaan en dat hij niet bewust het verkeersbord heeft genegeerd. 5. Op grond van artikel 2, derde lid, van de Wahv is de hoogte van de sanctie voor elke gedraging vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. Het evenredigheidsbeginsel brengt mee dat bij de bepaling van de hoogte van de sanctie uitgangspunt is dat deze in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de gedraging, waarbij doel van de sanctie is het sanctioneren van strafwaardig gedrag en het dienen van de belangen waartoe de in artikel 2, eerste lid, van de Wahv genoemde regelgeving strekt, zoals de belangen genoemd in artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994. Niet is gebleken dat de hoogte van het door de regelgever vastgestelde sanctiebedrag hier niet in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de gedraging. Dat de betrokkene mogelijk niet op de hoogte was van de ter plaatse geldende geslotenverklaring is een omstandigheid waarvan de gevolgen voor rekening van de betrokkene komen. 6. Gelet op het voorgaande het de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal die beslissing daarom bevestigen. De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.