Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-03-10
ECLI:NL:GHARL:2026:1429
Strafrecht
Hoger beroep
2,042 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHARL:2026:1429 text/xml public 2026-04-09T09:49:19 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-10 Wahv 200.357.950/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1429 text/html public 2026-04-09T09:48:33 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1429 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 10-03-2026 / Wahv 200.357.950/01 Artikel 5 Wahv. De ambtenaar reed op de snelweg in een vrachtwagen (een Mobiel Media Lab) van de politie. Het hof acht het aannemelijk dat het voor de ambtenaar niet mogelijk was om de bestuurder staande te houden. De sanctie is terecht aan de kentekenhouder opgelegd. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.357.950/01 CJIB-nummer : 256635290 Uitspraak d.d. : 10 maart 2025 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 3 juni 2025, betreffende [betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene), gevestigd te [vestigingsplaats]. De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling 1. De gemachtigde van de betrokkene betwist de ontvangst van de uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter. Hij verzoekt het hof de zaak inhoudelijk te behandelen. Een hoorzitting acht de gemachtigde niet nodig. 2. In het dossier bevindt zich een - in overeenstemming met artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht - aan de gemachtigde gerichte brief van 18 april 2025 met kenmerk “11056709 BR VERZ 24-1060”, waarin de griffier van de rechtbank de gemachtigde oproept voor de zitting van de kantonrechter op 3 juni 2025. Bovenaan deze brief is met dikgedrukte letters “Oproeping” vermeld. Verder bevindt zich in het dossier een ‘proces-verbaal van aanbieding en overhandiging van een envelop’ van 18 april 2025, waarin is verklaard dat in een envelop geadresseerd aan de gemachtigde de stukken zitten die zijn vermeld op de zich in de envelop bevindende inventarislijst, waarvan een afschrift aan dit proces-verbaal is gehecht. Uit die inventarislijst volgt dat de envelop een oproeping met kenmerk “BR 24-1060” bevat. Gelet hierop kan naar het oordeel van het hof worden vastgesteld dat de desbetreffende brief is verzonden en de gemachtigde daarmee behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. De enkele betwisting van de ontvangst van die brief door de gemachtigde, maakt dat niet anders. 3. Nu bij genoemde brief van 18 april 2025 de gemachtigde ook de gelegenheid is geboden de gronden van het beroep aan te vullen, behoeft de grond van de gemachtigde - inhoudende dat hem die gelegenheid niet is geboden - geen bespreking meer. 4. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroepschrift geen gronden bevat. 5. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat bij het instellen van beroep wel degelijk gronden zijn aangevoerd. De kantonrechter heeft het beroep daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. 6. Het dossier bevat een namens de betrokkene op 9 oktober 2025 via het Digitaal Loket Verkeer ingediend beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie. Het hof stelt vast dat de gemachtigde hierbij onder meer het volgende heeft aangevoerd: “Betrokkene ontkent de gedraging, de bevoegdheid van de verbalisant en wettigheid van de gebruikte bewijsmiddelen.” Dit zijn gronden in de zin van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, namelijk het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. 7. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 380,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 17 maart 2023 om 14.33 uur op de Delhuijzenweg (A12) in Arnhem met het voertuig met het kenteken [kenteken]. 8. In hoger beroep voert de gemachtigde aan dat er een reële mogelijkheid tot staandehouding bestond, zodat ten onrechte op kenteken is bekeurd. De gemachtigde stelt - kort gezegd - dat de verklaring van de ambtenaar met betrekking tot de reden waarom is afgezien van een staandehouding is te duiden als een conclusie. Hierbij verwijst de gemachtigde naar rechtspraak van het hof. Volgens de gemachtigde ontbreekt in deze zaak een zekere onderbouwing en context. Nu de ambtenaar zich in uniform in een opvallend dienstvoertuig bevond, is niet duidelijk waarom niet tot staandehouding kon worden overgegaan. De inleidende beschikking kan daarom niet in stand blijven. 9. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt zodat aan hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. 10. In het zaakoverzicht is als reden geen staandehouding vermeld: “Wegens de constateringen van de feiten vanuit de truck (trekker) van het Mobiel Media Lab waarmee geen staandehouding mogelijk was.” 11. Bij opmerkingen heeft de ambtenaar onder meer opgenomen dat hij met de truck onderweg was van ’s-Hertogenbosch naar Epe, de trekker van de vrachtwagen is voorzien van de kenmerken van een opvallend politievoertuig en hij in uniform gekleed was. 12. Uit de verklaring van de ambtenaar volgt dat de bestuurder van het voertuig van de betrokkene niet is staandegehouden omdat met het voertuig waarin de ambtenaar reed dat niet mogelijk was. Hoewel de ambtenaar niet met zoveel woorden heeft aangegeven waarom dat niet mogelijk was, volgt het hof niet de stelling van de gemachtigde dat een zekere onderbouwing of context ontbreekt. De ambtenaar verklaart dat hij op het moment van de gedraging in een vrachtwagen (het Mobiel Media Lab) van de politie reed. Het is het hof ambtshalve bekend dat dit voertuig speciaal is ingericht om op een interactieve manier in gesprek te gaan met burgers over maatschappelijke thema's met een strafrechtelijk aspect. Gelet hierop acht het hof het aannemelijk dat het voor de ambtenaar niet mogelijk was om met deze specifieke vrachtwagen al rijdend op een autosnelweg de bedrijfsbus van de betrokkene (veilig) te doen stilhouden. Naar het oordeel van het hof is de sanctie terecht met toepassing van artikel 5 van de Wahv aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd. 13. Verder stelt het hof vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM in eerste aanleg is overschreden. De inleidende beschikking is op 1 april 2023 aan de betrokkene toegezonden en de kantonrechter heeft eerst op 3 juni 2025 op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beslist. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van dit hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369). 14. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking (vgl. ov.