Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-03
ECLI:NL:GHARL:2026:1330
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 23/1158 uitspraakdatum: 3 maart 2026 Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur) en de Staat der Nederlanden (Minister van Veiligheid en Justitie, hierna: de Staat) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 februari 2023, nummer AWB 21/2717, ECLI:NL:RBGEL:2023:953, in het geding tussen de Inspecteur en de erven [erflater] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan [erflater] (hierna: erflater) is voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 42.297 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 39.596. 1.2. De Inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag gesplitst in twee delen: het ene deel is betrokken in een massaal bezwaarprocedure en het andere (individuele) deel is bij uitspraak op bezwaar van 20 april 2021 ongegrond verklaard. 1.3. Erflater is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.297 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 16.087 en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het griffierecht vergoedt. 1.4. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Erflater heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. [naam1] en mr. [naam2] namens de Inspecteur. De gemachtigde van belanghebbende is zonder kennisgeving niet ter zitting verschenen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. 1.6. De griffier heeft op 14 oktober 2025 een bericht in het digitale dossier van belanghebbende geplaatst waarbij de gemachtigde is uitgenodigd voor de zitting. Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in dit digitale dossier is, volgens de – bij deze uitspraak gevoegde – loggegevens op 14 oktober 2025, om 14:50 uur, een kennisgeving verzonden naar het door de gemachtigde voor dit doel opgegeven e-mailadres. Op grond hiervan neemt het Hof aan dat de gemachtigde dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, op 14 oktober 2025. 2 Vaststaande feiten 2.1. Erflater woonde in 2018 samen met [(fiscaal) partner] (hierna: de partner). Zij waren in 2018 fiscaal partner van elkaar. 2.2. Tot de bezittingen van erflater en de partner behoren banktegoeden tot bedragen van € 503.323 (in Nederland) en € 5.855 (in het buitenland), beleggingen tot een bedrag van € 1.324.016 en onroerend goed in het buitenland tot een bedrag van € 145.367. 2.3. Het bezwaar van erflater tegen de aan hem opgelegde aanslag IB/PVV 2018 is door de Inspecteur op 29 december 2020 ontvangen. Het individuele bezwaar heeft de Inspecteur op 20 april 2021 ongegrond verklaard. 2.4. Bij beschikking van 16 november 2022 is het inkomen uit sparen en beleggen in de aanslag IB/PVV 2018 ambtshalve verminderd tot € 38.318 (hierna: de beschikking rechtsherstel). Hierbij is uitgegaan van een grondslag sparen en beleggen van € 1.918.561 en een aandeel grondslag dat aan erflater wordt toegekend van € 953.194. Nadien is bij beschikking van 8 december 2022 de aanslag IB/PVV 2018 verder verminderd in verband met een wijziging van de aftrek elders belast met € 300. 2.5. Op 7 maart 2024 heeft het Hof partijen laten weten behandeling van de zaak aan te houden totdat de Hoge Raad heeft beslist in de zaken waarin A-G Wattel (1 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:655) en A-G Pauwels (9 februari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1) conclusies hebben De bewijslast voor de stelling dat het werkelijke rendement lager is dan het (laagste) forfaitair berekende rendement, rust op de belastingplichtige die deze stelling inneemt. 4.3. Met betrekking tot de beleggingen heeft belanghebbende inzake gerealiseerde dividenden het volgende geschreven: - dividend Zelfbeleggen € 4.464 (kosten beheer € 216) - dividend Vermogensbeheer € 39.300 (kosten beheer € 13.161) Met betrekking tot de waarde van de beleggingen heeft belanghebbende de volgende informatie gegeven: waarde 1/1/2018 waarde 31/12/2018 mutatie - waarde zelfbeleggen € 146.369 € 123.438 - € 22.931 - waarde vermogensbeheer € 1.177.647 € 1.082.865 - € 94.782 Belanghebbende heeft verder de volgende toelichting gegeven: “Er is in de Zelf-beleggen portefeuille geen sprake van gerealiseerde waardeveranderingen; er zijn geen wijzigingen aangebracht in de portefeuille, anders dan herinvestering van dividend. Mutaties in de Vermogensbeheer portefeuille (Mandaat) betreffen opnames en stortingen die niet eenvoudig individueel van het etiket gerealiseerd rendement of ongerealiseerd rendement voorzien kunnen worden. De portefeuille als geheel is in beginsel “vast”; de waardeverandering moet daarom voorlopig als ongerealiseerd rendement beschouwd worden. (…) Het definiëren van de manier om ongerealiseerde waardeveranderingen te bepalen als onderdeel van werkelijk rendement vormt nog onderwerp van nadere uitwerking.” 4.4. Belanghebbende heeft met betrekking tot de aandelen die worden beheerd weliswaar aangegeven wat de waarde van deze beleggingen begin en eind 2018 was, maar niet of, en zo ja in hoeverre deze waardeverandering is ontstaan door stortingen in of onttrekkingen aan deze beleggingsportefeuille. Anders dan belanghebbende stelt, kan – zo volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2024 – met kosten van beheer bij het bepalen van het werkelijk rendement geen rekening worden gehouden. Belanghebbende heeft de door haar in de brief van 30 december 2024 gepresenteerde cijfers niet onderbouwd met schriftelijke bescheiden. 4.5. Gelet op het bovenstaande heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het werkelijke rendement lager is dan het op basis van de Herstelwet berekende forfaitaire rendement. 4.6. Belanghebbende heeft - voor het eerst in hoger beroep - verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaar is door de Inspecteur ontvangen op 29 december 2020. Sedertdien zijn 5 jaar en 2 maanden verstreken. Op 7 maart 2024 heeft het Hof partijen medegedeeld dat behandeling van de zaak wordt aangehouden totdat de Hoge Raad arrest had gewezen in vergelijkbare zaken waarin conclusie was genomen. De Hoge Raad heeft in deze zaken arrest gewezen op 6 juni 2024. Dat betekent dat de termijn waarin uitspraak in hoger beroep dient te worden gedaan 4 jaar en 3 maanden bedraagt. Dit brengt mee dat de redelijke termijn met meer dan 0,5 jaar, maar minder dan 1 jaar is overschreden, zodat het Hof een vergoeding voor immateriële schade van € 1.000 zal toekennen, te vergoeden door de Staat. Deze zaak hangt samen met die van de partner, zodat aan belanghebbende de helft van dit bedrag (€ 500) toekomt. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van de Inspecteur gegrond. 5 Proceskosten Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt. 6 Beslissing Het Hof: – vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, – verklaart het beroep gegrond, – vernietigt de uitspraak op bezwaar, – verlaagt de aanslag IB/PVV 2018 zoals ambtshalve verminderd bij de beschikking van 8 december 2022, – veroordeelt de Staat tot het betalen van een immateriële schadevergoeding van € 500. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. M.M. Breij en mr. A.J. van Lint, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier. De beslissing is op 3 maart 2026 in het openbaar u