Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-03-03
ECLI:NL:GHARL:2026:1324
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 24/994 uitspraakdatum: 3 maart 2026 Uitspraak van vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 februari 2024, nummer UTR 22/3922, ECLI:NL:RBMNE:2024:1230, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar) alsmede de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is bij nota van 22 november 2019 een bedrag van € 720.175,72 aan leges in rekening gebracht wegens het in behandeling nemen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bouw van 600 appartementen in de gemeente Utrecht. 1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar van 24 juni 2022 het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft de heffingsambtenaar en de Staat veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van in totaal € 300 en de heffingsambtenaar en de Staat ieder veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 109,40. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. R. van den Berg, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede mr. [naam1] , namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door drs. [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 Vaststaande feiten 2.1. Tot het dossier behoort een voorstel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: het college) met nummer 2016/117 aan de gemeenteraad van de gemeente Utrecht (hierna: de gemeenteraad) omtrent de Verordening leges omgevingsvergunning 2017. In dit voorstel is onder meer het volgende opgenomen: “ Verordening leges omgevingsvergunning 2017 Het college van burgemeester en wethouders stelt de raad voor het volgende te besluiten: 1 Het percentage van de bouwkosten, dat gehanteerd wordt als tariefstelling van de leges voor de omgevingsvergunning activiteit bouw, te verlagen voor bouwprojecten met een bouwsom vanaf EUR 1.000.000,-. 2 De leges voor activiteiten die een bijdrage leveren aan de gemeentelijke duurzaamheidsdoelstellingen met 50% (en in één geval met 100%) te verminderen, tot een maximumbedrag van EUR 50.000,-. 3 3 De Verordening leges omgevingsvergunning 2017 vast te stellen. (…) Conclusie commissie: Toezeggingen wethouder: De wethouder zegt toe de ervaringen met verlagen van leges voor duurzame projecten uit Enschede naar de raad te sturen. Uiterlijk 16 december ” 2.2. Het in 2.1. genoemde voorstel bevat verschillende bijlagen. In een van die bijlagen wordt onder meer een toelichting gegeven op het voorstel. In deze toelichting is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen: “ Context Jaarlijks wordt de verordening leges omgevingsvergunning geactualiseerd. (…) Daarnaast hebben we in deze verordening het eerste deel van motie 2016/139 'duurzame leges’ uitgewerkt, zoals besproken in de gemeenteraad van 30 juni 2016. Door middel van het geven van een korting op of vrijstelling van leges willen wij initiatieven en activiteiten stimuleren die een bijdrage leveren aan de gemeentelijke duurzaamheidsdoelstellingen. (…) Beslispunt 2. De leges voor activiteiten die een bijdrage leveren aan de gemeentelijke duurzaamheidsdoelstellingen met 50% (en in één geval met 100%) te verminderen, tot een maximumbedrag van EUR 50.000,-. Argumenten 2.1 Hiermee werken we het eerste deel van motie 2016/139 'Duurzame leges' uit. Het aantal aanvragen voor vrijstelling heeft sinds de zomer van 2016 een enorme vlucht genomen. Het grootste beslag op de regeling wordt gelegd door commerciële aanvragen, zoals woningcorporaties, projectontwikkelaars en bedrijven (samen voor ca. € 400.000). Particulieren (niet commerciële aanvragen) leggen voor € 150.000 beslag op de regeling. Het bedrag aan gederfde inkomsten loopt nu zo snel op (tot € 550.000 uitgekeerd medio september), dat vooruitlopend op de evaluatie een voorstel voor aanpassing noodzakelijk is. Begin september heeft het college u geïnformeerd over de stand van zaken rondom de groene leges Dit is in de stedelijke commissie van 26 september jl besproken. U heeft in deze vergadering de portefeuillehouder geadviseerd de regeling zo snel mogelijk aan te passen om de financiële consequenties zoveel mogelijk te beperken. Hierop hebben wij besloten de regeling voor de zogenaamde grootverbruikers (corporaties, bedrijven en projectontwikkelaars) zo snel als juridisch mogelijk stop te zetten. Na een juridische check is gebleken dat voor het gedeeltelijk stopzetten van de regeling de legesverordening aangepast moet worden. Dat is de aanleiding voor dit voorstel aan de raad. ” 2.4. Tot de documenten van de gemeente Enschede die zijn verstrekt aan de gemeenteraad behoort ook een brief van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede aan gemeenteraad van die gemeente van 4 november 2016 met als onderwerp “Korte analyse regeling groene leges”. In een bijlage 1 van deze brief staat onder meer het volgende: “ Bijlage 1. Resultaten 2016 en Programmabegroting 2017 Resultaten 2016. Vooruitlopend op de definitieve evaluatie, valt het volgende globale beeld te schetsen: • Voor de doelgroep particulieren lijkt het een effectief instrument te zijn. Dat blijkt niet alleen uit een vergelijking ten opzichte van 2015, maar ook ten opzichte van andere gemeenten in de regio: a. In 2015 werd er in Enschede niet of nauwelijks energiezuiniger gebouwd dan wettelijk verplicht. Met de regeling groene leges bouwt ruim 50% van de aanvragers energiezuiniger dan wettelijk verplicht (peildatum oktober 2016). b. Uit de gegevens die op dit moment beschikbaar zijn, blijkt dat in omliggende gemeenten niet of nauwelijks energiezuiniger dan het Bouwbesluit wordt gebouwd. Enschede is daarmee koploper energiezuinig bouwen in de regio Twente. Daarnaast wordt duidelijk - uit de eerste gesprekken die met aanvragers zijn gevoerd - dat het bedrag dat op de leges wordt bespaard, ook volledig wordt geïnvesteerd in duurzame maatregelen. Naar verwachting zal er door deze doelgroep aan het eind van het jaar voor circa € 250.000 (van de totale € 800.000, zie bijlage 3) geïnvesteerd zijn in duurzaamheid. Hiermee is het voor deze doelgroep een succesvolle duurzaamheidsmaatregel. • Van de doelgroep woningcorporaties heeft één corporatie gebruik gemaakt van de regeling. Bij die aanvragen was het voor het eerst dat er in grote getale gebouwd wordt met een EPC van nul. Zowel onze gemeentelijke projectleiders als de projectleiders van de corporatie geven mondeling alvast aan dat er extra duurzaamheidsmaatregelen getroffen zijn als gevolg van het financiële voordeel van de groene leges. • De ervaringen van het ondernemersloket met de regeling voor bedrijven zijn positief. De regeling wordt ingezet als acquisitie- en onderhandelingsinstrument en stimuleert om energiezuiniger te bouwen. • De ervaringen bij projectmanagers zijn soortgelijk. Groene leges zijn daar ook effectief gebleken om projectontwikkelaars te bewegen zich op warmtenet aan te sluiten. Een aantal projecten op Kotmanpark en Beekwoude zouden zonder de groene legesregeling niet op het warmtenet aangesloten worden. Hoewel de evaluatie in het voorjaar 2017 meer duidelijkheid moet geven over wat de inzet van dit instrument daar aan heeft bijgedragen lijkt het instrument effectief te zijn om mensen in de ontwerpfase van een bouwproject al te stimuleren om duurzaam te bouwen. Het geld ko geldt een maximumbedrag van 50.000,00 euro 4.4 Ten aanzien van de vermindering als genoemd in artikel 4.2.6 stelt het college nadere beleidsregels op. De tekst van deze bepaling is gelijk aan de tekst van onderdelen 4.2. tot en met 4.4. van de tarieventabel behorende bij de Verordening leges omgevingsvergunning gemeente Utrecht 2017. 2.8. Belanghebbende heeft een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bouw van 600 appartementen in de gemeente Utrecht ingediend. De appartementen zijn gerealiseerd met een energieprestatiecoëfficiënt (EPC) van -0,4. 2.9. Bij nota van 22 november 2019 heeft de heffingsambtenaar belanghebbende een bedrag van € 720.175,72 aan leges in rekening gebracht wegens het in behandeling nemen van de in 2.8. genoemde aanvraag. Op deze nota is een vermindering van € 50.000 in aanmerking genomen. 3 Geschil 3.1. In geschil is of de heffingsambtenaar een te hoog bedrag aan leges in rekening heeft gebracht. Meer in het bijzonder is in geschil of belanghebbende recht heeft op een hogere vermindering van de leges dan de vermindering van € 50.000 die de heffingsambtenaar in aanmerking heeft genomen. 3.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de heffingsambtenaar het bedrag aan leges te hoog heeft vastgesteld. Belanghebbende voert daartoe aan dat onderdeel 4.3. van de Tarieventabel buiten toepassing moet worden gelaten, dan wel onverbindend is, omdat dit onderdeel in strijd is met de algemene rechtsbeginselen. Volgens belanghebbende zijn haar gerechtvaardigde belangen bij de totstandkoming van deze bepaling niet meegewogen en is daarmee sprake van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering van deze bepaling. Verder is volgens belanghebbende deze bepaling in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Ook heeft de heffingsambtenaar volgens belanghebbende begunstigend beleid gevoerd of het oogmerk van begunstiging gehad ten aanzien van de toepassing van onderdeel 4.2.6. van de Tarieventabel. Belanghebbende verbindt aan deze standpunten de conclusie dat zij recht heeft op een vermindering van de aan haar in rekening gebrachte leges naar nihil. Subsidiair bepleit belanghebbende dat zij recht heeft op driemaal de maximale vermindering van € 50.000, nu zij op grond van de onderdelen 4.2.2., 4.2.3. en 4.2.6. van de Tarieventabel recht heeft op toepassing van een vermindering. 3.3. De heffingsambtenaar is van mening dat belanghebbende geen recht heeft op verdere vermindering van de aan haar in rekening gebrachte leges. 4 Beoordeling van het geschil 4.1. Op grond van artikel 229, lid 1, aanhef en onder b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. 4.2. Op grond van artikel 2 van de Verordening worden onder de naam ‘Leges omgevingsvergunning’ rechten geheven voor het genot voor diensten die door of vanwege het gemeentebestuur worden verstrekt en die worden genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Verordening worden de leges geheven naar de tarieven die zijn opgenomen in de Tarieventabel. In onderdeel 3.1. van de Tarieventabel is bepaald op welke wijze de verschuldigde leges voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit worden berekend. Tussen partijen is niet in geschil dat de door de heffingsambtenaar vastgestelde leges in overeenstemming met onderdeel 3.1. van de Tarieventabel zijn berekend op een bedrag van € 770.175,72. 4.3. Paragraaf 4 van de Tarieventabel bepaalt vervolgens in welke gevallen recht bestaat op een vermindering van de leges die zijn berekend met toepassing van onderdeel 3.1. van de Tarieventabel. Partijen zijn het erover eens dat belanghebbende – in ieder geval – recht heeft op de in onderdeel 4.2.2. van de Tarieventabel opgenomen vermindering. De heffingsambtenaar heeft de vermindering in dit geval bepaald op het in onderdeel 4.3. van de Tarieventabel genoemde maximum van € Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende er in dit geval niet in geslaagd om het van haar verlangde bewijs te leveren dat zij nadelige gevolgen in de vorm van een concurrentienadeel ondervindt van de maximering van de vermindering. Zonder nadere toelichting, die belanghebbende niet heeft gegeven, valt niet in te zien dat belanghebbende met onderhavig bouwproject, dat bestaat uit de bouw van 600 (energiezuinige) woningen en waarvan de bouwkosten € 44 miljoen bedroegen, daadwerkelijk in concurrentie treedt met duurzame bouwprojecten waarvan de bouwkosten veel lager zijn of die van een andere aard zijn. 4.10. Ook overigens heeft de invoering van de vermindering van leges en de daaraan gestelde maximering niet geleid tot een lastenverzwaring voor belanghebbende in vergelijking met de situatie vóór invoering van deze vermindering. Als gevolg van de vermindering zijn voor ieder bouwproject dat voldoet aan de duurzaamheidscriteria zoals vermeld in paragraaf 4 van de Tarieventabel, ongeacht de omvang daarvan, minder leges verschuldigd dan vóór de invoering van de vermindering. Het Hof acht de maximering van de vermindering van de leges ook verder zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd. Het Hof overweegt daartoe dat uit de in 2.2. weergegeven toelichting op het raadsvoorstel volgt dat het instellen van een maximumbedrag van € 50.000 voor de vermindering van de leges in onderdeel 4.3. van de Tarieventabel is gemotiveerd in de zin dat met dit maximum wordt beoogd te garanderen dat meer duurzame initiatieven kunnen worden gehonoreerd en dat de financiering van de vermindering beheersbaar en binnen het beschikbare budget van € 1.000.000 blijft. Bij die motivering zijn ook de ervaringen van de gemeente Enschede met een soortgelijke regeling betrokken. Uit de ervaringen van de gemeente Enschede volgt onder andere dat aanvragen van woningcorporaties en projectontwikkelaars een groot beslag leggen op de totale beschikbare financiële middelen voor een dergelijke maatregel. Uit de notulen van de vergadering van de gemeenteraad van 22 december 2016 volgt verder dat de maximering van de vermindering van de leges in die vergadering uitvoerig onderwerp van de discussie geweest. Daarbij is ook gesteld dat de vermindering voor een projectontwikkelaar of woningcorporatie niet doorslaggevend is bij de uitvoering van hun projecten. Verder is inherent aan de gekozen vormgeving van de vermindering van de leges en de maximering daarvan dat de vermindering van de leges op het totaalbedrag van de verschuldigde leges relatief gezien lager wordt naarmate de bouwkosten van een project hoger worden. Naar het oordeel van het Hof moet daarom worden aangenomen dat de belangen van ontwikkelaars van grotere bouwprojecten, zoals belanghebbende, zijn meegewogen bij de totstandkoming van de maximering van de vermindering van onderdeel 4.3. van de Tarieventabel. Gelijkheidsbeginsel 4.11. Het Hof begrijpt dat belanghebbende met haar beroep op het gelijkheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel in wezen betoogt dat de maximering van de vermindering discriminerend uitwerkt, omdat de maximering ertoe leidt dat bij kleinere duurzame projecten procentueel een hogere vermindering van de verschuldigde leges wordt gegeven dan bij grotere duurzame projecten. 4.12. Het Hof volgt belanghebbende niet in haar betoog dat de maximering van de vermindering leidt tot een schending van het gelijkheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel. De maximale vermindering van de leges is zonder onderscheid van toepassing op alle belastingplichtigen, ongeacht de omvang van de bouwkosten. De omstandigheid dat de maximering van de vermindering van de leges ertoe leidt dat bij hogere bouwkosten in verhouding tot de totaal verschuldigde leges relatief gezien een lagere vermindering van de leges plaatsvindt, levert niet een ongelijke behandeling van gelijke gevallen op. Evenredigheidsbeginsel 4.13. Bij toetsing aan het evenredigheidsbeginsel gaat het erom dat de nadelige gevolgen van een last De Rechtbank heeft belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg toegekend van € 300. Bij het bepalen van de hoogte van deze vergoeding is de Rechtbank uitgegaan van een vergoeding van € 50 voor elk half jaar dat de redelijk termijn is overschreden. Belanghebbende heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de Rechtbank uit had moeten gaan van een vergoeding van € 500 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Nu partijen overigens geen stellingen hebben ingenomen ten aanzien van de periode waarover de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade heeft berekend en de wijze waarop zij die vergoeding heeft verdeeld over de heffingsambtenaar en de Staat, zal het Hof hiervan uitgaan. Dit betekent dat het Hof de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg zal vaststellen op € 3.000, waarvan 24/25 deel, € 2.880, voor rekening van de heffingsambtenaar komt en 1/25 deel, € 120, voor rekening van de Staat komt. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond. 5 Griffierecht en proceskosten Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht in hoger beroep te vergoeden. De Rechtbank heeft bepaald dat het griffierecht in eerste aanleg niet hoeft te worden vergoed. Belanghebbende heeft tegen deze beslissing geen gronden aangevoerd, zodat het Hof deze beslissing in stand zal laten. Belanghebbende heeft in hoger beroep ook geen gronden aangevoerd tegen de beslissingen van de Rechtbank omtrent de proceskosten in eerste aanleg, zodat het Hof ook deze beslissingen in stand zal laten. Het Hof ziet aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting) wegingsfactor 0,5 € 934). Het Hof hanteert in dit geval een wegingsfactor van 0,5, omdat belanghebbende alleen in het gelijk is gesteld op een punt ondergeschikt belang, namelijk op het punt van de vergoeding van immateriële schade. 6 Beslissing Het Hof: – vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de beslissing omtrent de vergoeding van immateriële schade, – bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige, – veroordeelt de heffingsambtenaar in de door belanghebbende geleden immateriële schade in eerste aanleg tot een bedrag van € 2.880, – veroordeelt de Staat in de door belanghebbende geleden immateriële schade in eerste aanleg tot een bedrag van € 120, – veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 934, – gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt van € 559 in verband met het hoger beroep bij het Hof. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, voorzitter, mr. J.W. Keuning en mr. F. van Horzen, in tegenwoordigheid van mr. P.W.L. van den Bersselaar als griffier. De beslissing is op 3 maart 2026 in het openbaar uitgesproken. De griffier, De voorzitter, (P.W.L. van den Bersselaar) (R.R. van der Heide) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij