Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-02-24
ECLI:NL:GHARL:2026:1205
Bestuursrecht; Belastingrecht
Verzet
2,032 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHARL:2026:1205 text/xml public 2026-03-12T16:04:59 2026-03-02 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-02-24 24/1471 Uitspraak Verzet NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026031203 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1205 text/html public 2026-03-09T16:12:11 2026-03-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1205 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 24-02-2026 / 24/1471 Uitspraak op verzet. Geen verschoonbare termijnoverschrijding. Verzet ongegrond. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 25/1471 uitspraakdatum: 24 februari 2026 nummer 07/005620111 Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het verzet van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende), vertegenwoordigd door J.W.A. Heijwegen te [plaats] (hierna: gemachtigde), tegen de met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gedane uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer van dit Hof van 9 september 2025 op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 17 april 2025, nummer ARN 23/7736, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur) 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De Inspecteur heeft op 19 september 2023 uitspraak gedaan op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2020. 1.2. Belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 17 april 2025, nummer 23/7736, ongegrond verklaard. De uitspraak is op dezelfde datum verstuurd en op 18 april 2025 bij de gemachtigde bezorgd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.4. Het Hof heeft het hoger beroep bij uitspraak van 9 september 2025 op de voet van artikel 8:54 van de Awb kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is overschreden. 1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof verzet gedaan. Het verzetschrift is gedagtekend 6 oktober 2025 en ter griffie van het Hof ontvangen op 8 oktober 2025. 1.6. Belanghebbende is bij aangetekende brief van 5 december 2025, verzonden aan het kantooradres van zijn gemachtigde J.W.A. Heijwegen, [kantooradres] , uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van het verzet op dinsdag 13 januari 2026 om 10.00 uur in het gerechtsgebouw, Walburgstraat 2-4 te Arnhem. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 8 december 2025 om 09.49 uur op het genoemde adres is uitgereikt en dat voor ontvangst daarvan is getekend. Belanghebbende is aldus correct opgeroepen. 1.7. Het verzet is ter zitting van het Hof behandeld op 13 januari 2026 te Arnhem. Ter zitting is niemand verschenen. Van belanghebbende is geen bericht van verhindering ontvangen. 2 Gronden van het verzet 2.1. Belanghebbende heeft in het verzetschrift het volgende aangevoerd. Door de zeer drukke belastingperiode van de gemachtigde en de vakantie die de gemachtigde daarna heeft gehad, heeft de gemachtigde over het hoofd gezien dat door de Rechtbank uitspraak was gedaan in de zaak van belanghebbende. Volgens belanghebbende heeft de Rechtbank daarna toegezegd dat tot uiterlijk 14 juli 2025 hoger beroep kon worden ingesteld, zodat zijn hogerberoepschrift op 11 juli 2025 tijdig is ontvangen. Ter onderbouwing van de toezegging door de Rechtbank wijst hij op een e-mailbericht van belanghebbende van 4 juli 2025 aan gemachtigde volgens welk bericht nog tot 14 juli 2025 hoger beroep zou kunnen worden ingesteld. 2.2. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het verzet. 3 Beoordeling van het verzet 3.1. De termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift bedraagt zes weken. Die termijn vangt aan met ingang van de dag na die van verzending van de uitspraak door de Rechtbank. Een hogerberoepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de hogerberoepstermijn is ontvangen. Bij verzending per post is een hogerberoepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend hogerberoepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. 3.2. De termijn voor het instellen van hoger beroep is aangevangen op vrijdag 18 april 2025. De termijn van zes weken eindigde op donderdag 29 mei 2025. Omdat 29 mei 2025 Hemelvaartsdag was en daarmee een algemeen erkende feestdag , 30 mei 2025 gelijk is gesteld met een algemeen erkende feestdag en de daarop volgende dagen een zaterdag en zondag waren, eindigde de termijn voor het instellen van hoger beroep op maandag 2 juni 2025. Het hogerberoepschrift is op 10 juli 2025 ter post bezorgd en blijkens het stempel op het hogerberoepschrift door het Hof ontvangen op 11 juli 2025. Het hogerberoepschrift is dus te laat ingediend. 3.3. In hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, is geen reden gelegen om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Dat de gemachtigde het druk had met andere werkzaamheden en daarna op vakantie is gegaan, en daarom de uitspraak van de Rechtbank niet tijdig zou hebben gezien, zijn omstandigheden die liggen in de verhouding tussen belanghebbende en zijn gemachtigde. De gevolgen daarvan komen voor rekening en risico van belanghebbende. Van een toezegging door de Rechtbank als door belanghebbende gesteld, blijkt niet uit de stukken. De enkele verklaring van belanghebbende zelf dat de Rechtbank de toezegging heeft gedaan dat belanghebbende nog tot 14 juli 2025 hoger beroep kon instellen, is daarvoor niet voldoende. Deze grond kan reeds daarom niet slagen. 3.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het verzet is daarom ongegrond. 4 Proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor toekenning van een proceskostenvergoeding. 5 Beslissing Het Hof verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen, voorzitter, mr. M. Harthoorn en mr. M.M. Breij, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier. De beslissing is op 24 februari 2026 in het openbaar uitgesproken. De griffier, De voorzitter, (J.W.J. de Kort) (E.C.G. Okhuizen) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.