Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-02-24
ECLI:NL:GHARL:2026:1203
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.356.876 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht 584982 beschikking van 24 februari 2026 in de zaak van VPGG Beheer B.V. (VPGG) die is gevestigd in ’s-Hertogenbosch advocaat: mr. S.M. Marges en GGN Mastering Credit B.V. (GGN) die is gevestigd in Rotterdam advocaat: mr. S.C. Krekel 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep VPGG heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, op 16 april 2025 heeft gegeven. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: het beroepschrift, ontvangen op 15 juli 2025 het bericht van 26 augustus 2025, onder meer houdende de uitlating over de ontvankelijkheid van VPGG de uitlating over de ontvankelijkheid van GGN. 2 De kern van de zaak 2.1. VPGG houdt aandelen in GGN. Volgens VPGG hebben een aantal gebeurtenissen bij GGN geleid tot sterk verminderde resultaten bij GGN, waardoor VPGG (financieel) nadeel heeft geleden. Die gebeurtenissen zijn volgens VPGG het gevolg van onzorgvuldig handelen dan wel nalaten van het (voormalige) bestuur en de (voormalige) directie van GGN en onvoldoende toezicht van de (voormalige) raad van commissarissen van GGN. 2.2. VPGG heeft de rechtbank bij verzoek van 29 november 2024 verzocht een voorlopig getuigenverhoor te gelasten om meer duidelijkheid te verkrijgen over de gebeurtenissen en welke (voormalig) bij GGN betrokken personen verantwoordelijk zijn voor die gebeurtenissen. 2.3. De rechtbank heeft het verzochte voorlopig getuigenverhoor afgewezen, omdat het verzoek zich richt op een onderzoek naar het handelen van de (voormalig) bestuurders en commissarissen van GGN, terwijl de vordering van VPGG is gericht tegen GGN, namelijk om GGN te bevelen een procedure te starten tegen haar (voormalig) bestuurders en commissarissen. Laatstgenoemden zijn daarom de feitelijke wederpartijen van VPGG. Daarnaast vindt de rechtbank dat sprake is van een zogenaamde ‘fishing expedition’. De bedoeling van het hoger beroep van VPGG is dat het afgewezen verzoek alsnog wordt toegewezen 2.4. Vanwege de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht die op 1 januari 2025 in werking is getreden heeft het hof partijen eerst gelegenheid gegeven zich bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid van VPGG. Het hof zal VPGG ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep en licht dat hierna toe. 3 VPGG is ontvankelijk in haar hoger beroep 3.1. De nieuwe regels uit de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht gelden voor gerechtelijke procedures die na 1 januari 2025 zijn gestart. Als een procedure vóór 1 januari 2025 is aangespannen, blijft het oude bewijsrecht gelden totdat de procedure bij die instantie is geëindigd. Dat volgt uit artikel XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht dat het overgangsrecht regelt. In de nota van wijziging is over artikel XIIA vermeld: Artikel XIIA betreft een overgangsbepaling. Op grond van deze bepaling gelden de artikelen van dit wetsvoorstel uitsluitend voor procedures die op of na de datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel bij de rechter aanhangig worden gemaakt. Het procesrecht zoals dat geldt vóór de inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing op alle bij de verschillende gerechten aanhangig gemaakte dagvaardingzaken dan wel ingediende verzoekschriften totdat de procedure in die instantie is beëindigd. Als de rechter op of na de datum van inwerkingtreding van deze wet uitspraak doet, is op een eventuele volgende instantie na het instellen van een rechtsmiddel tegen die uitspraak het nieuwe recht van toepassing. 3.2. Het nieuwe bewijsrecht bevat in artikel 200 lid 2 Rv een rechtsmiddelenverbod. Dat houdt in dat tegen een beslissing op een verzoek om (onder meer) een voorlopig getuigenverhoor geen hoger beroep openstaat, tenzij de rechter anders bepaalt. In dat geval geldt een termijn van vier weke