Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-02-26
ECLI:NL:GHARL:2026:1177
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
7,011 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1177 text/xml public 2026-03-12T16:35:39 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-02-26 200.357.235 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1177 text/html public 2026-03-12T16:26:27 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1177 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 26-02-2026 / 200.357.235 Verzoek van stiefvader om adoptie uit te spreken alsnog toegewezen. 1:227 en 1:228 BW. Voldaan aan vereiste van artikel 1:227 lid 2 BW. Voldoende aannemelijk dat stiefvader en kinderen ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaand aan indiening verzoek met elkaar hebben samengeleefd, hoewel stiefvader niet steeds was ingeschreven in BRP op de gezamenlijke adressen. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.357.235 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 585162 beschikking van 26 februari 2026 over de stiefouderadoptie van [kind1] en [de minderjarige1] in de zaak van [verzoekster1] (de moeder) en [verzoeker2] (de stiefvader) die wonen in [woonplaats] advocaat: mr. K. Broere en [belanghebbende1] (de vader) die geen bekende woon- of verblijfplaats heeft en [kind1] ( [kind1] ) die woont in [woonplaats] 1 Samenvatting De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft het verzoek van de stiefvader om de adoptie van [kind1] en [de minderjarige1] door hem uit te spreken, afgewezen. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom. 2 De feiten 2.1. De moeder en de vader zijn met elkaar gehuwd geweest. In een beschikking van 17 mei 2017 van de rechtbank in [plaats1] ( [land1] ) is de echtscheiding tussen de moeder en de vader uitgesproken. 2.2. Uit het huwelijk van de moeder en de vader zijn geboren: - [kind1] , geboren [in] 2006 in [plaats2] , [land1] , en - [de minderjarige1] , geboren [in] 2009 in [plaats2] , [land1] . 2.3. De moeder en de stiefvader hebben sinds 2017 een relatie en zijn gaan samenwonen in [land1] . Zij zijn [in] 2018 in [plaats3] met elkaar gehuwd en [in] 2021 naar Nederland gekomen. 2.4. De moeder, de vader, [kind1] en [de minderjarige1] hebben de [nationaliteit1] nationaliteit. De stiefvader heeft de [nationaliteit2] nationaliteit. 3 De procedure bij de rechtbank 3.1. De moeder en de stiefvader hebben de rechtbank verzocht het gezag over de kinderen te wijzigen, de adoptie van de kinderen door de stiefvader uit te spreken en de achternaam van de kinderen te wijzigen. 3.2. De rechtbank heeft in een beschikking van 23 april 2025 (de bestreden beschikking) het gezag over [de minderjarige1] gewijzigd, bepaald dat de achternaam van [de minderjarige1] en [kind1] [naam1] zal zijn en de verzoeken voor het overige afgewezen. 4 De procedure bij het hof 4.1. De moeder en de stiefvader zijn het niet eens met de beslissing van de rechtbank voor zover daarbij hun verzoek tot stiefouderadoptie is afgewezen. Zij verzoeken het hof – kort gezegd – de bestreden beschikking in zoverre te vernietigen en (alsnog) de adoptie uit te spreken van [kind1] (nu meerderjarig) en [de minderjarige1] door de stiefvader. De informatie die het hof heeft ontvangen 4.2. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen: het beroepschrift, ingekomen op 22 juli 2025, met bijlagen een emailbericht van de raad voor de kinderbescherming van 22 december 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting 4.3. [kind1] heeft op 22 december 2025 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Hij heeft verteld wat hij vindt van de adoptie. [de minderjarige1] heeft geschreven dat zij niet komt maar wel geschreven wat zij vindt van het verzoek. 4.4. De zitting bij het hof was op 23 december 2025. Aanwezig waren de moeder en de stiefvader met hun advocaat. 5 Het oordeel van het hof Rechtsmacht en toepasselijk recht 5.1. De stiefvader heeft de [nationaliteit2] nationaliteit. De moeder, [kind1] en [de minderjarige1] hebben de [nationaliteit1] nationaliteit. De stiefvader, de moeder, [kind1] en [de minderjarige1] wonen in Nederland. 5.2. Op grond van artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van het verzoek. De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven aangevoerd, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen. Adoptie 5.3. In artikel 1:227 BW staat (onder meer) dat adoptie geschiedt door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van twee personen samen of op verzoek van één persoon alleen. Het verzoek door de adoptant die echtgenoot, geregistreerde partner of levensgezel van de ouder is, kan slechts worden gedaan, indien hij tenminste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met die ouder heeft samengeleefd. Het verzoek kan alleen worden toegewezen indien de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft en aan de voorwaarden genoemd in artikel 1:228 BW wordt voldaan. Hoe oordeelt het hof? 5.4. Het hof is van oordeel dat de beslissing van de rechtbank ongedaan moet worden gemaakt (worden vernietigd). Het hof legt hierna uit waarom. 5.5. Volgens de rechtbank volgt uit de gegevens in de Basisregistratie Personen (BRP) dat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 1:227 lid 2 BW dat de stiefvader en de moeder ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaand aan indiening van het verzoek met elkaar hebben samengeleefd. In de BRP stonden de stiefvader en de moeder (niet langer dan) negen maanden op achtereenvolgens twee dezelfde adressen ingeschreven in de periode van 24 november 2022 tot 23 augustus 2023. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan het weigeren van adoptie een ongeoorloofde inmenging in het gezins- en familieleven van de stiefvader en de kinderen oplevert in de zin van artikel 8 EVRM (en die kunnen rechtvaardigen dat wordt voorbijgegaan aan het vereiste van artikel 1:227 lid 2 BW). 5.6. Het hof acht het voldoende aannemelijk dat de stiefvader en de kinderen ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaand aan indiening van het verzoek met elkaar hebben samengeleefd. Hoewel de stiefvader niet steeds was ingeschreven in de BRP op de opeenvolgende gezamenlijke adressen met de moeder en de kinderen heeft hij daarvoor een afdoende verklaring afgelegd. Deze verklaring houdt in – kort gezegd – dat hij steeds met de moeder en de kinderen in gezinsverband heeft geleefd, maar dat hij in de jaren voorafgaand aan het adoptieverzoek regelmatig heen en weer heeft gereisd tussen [land1] en Nederland en geregeld periodes in [land1] heeft doorgebracht in verband met zijn ondernemingen in [land1] . Zonder inschrijving in [land1] was het voor hem niet mogelijk als directeur zijn onderneming te voeren en (landbouw)grond te verwerven of te behouden. Zijn verklaring wordt gesteund door andere overgelegde verklaringen. Deze verklaringen houden in dat de stiefvader steeds met de moeder en de kinderen in gezinsverband heeft geleefd en dat zij samen een hecht gezin vormen. Het hof heeft geen redenen gevonden om aan deze verklaringen en de gestelde feiten te twijfelen. 5.7. Ook [kind1] heeft gezegd dat de stiefvader weliswaar geregeld in [land1] was, maar dat zij steeds in gezinsverband hebben geleefd, dat hij er altijd voor hem en [de minderjarige1] was (en is) en dat zij altijd bij hem terecht kunnen. Dat heeft [de minderjarige1] in haar brief aan het hof bevestigd. Voorts is komen vast te staan dat de moeder en de stiefvader, die [in] 2018 in [woonplaats] met elkaar zijn gehuwd, vanaf de aanvang van hun relatie in 2017 tot op heden (ruim acht jaar) een bestendige relatie hebben. [kind1] en [de minderjarige1] blijven door de adoptie dan ook in een bestendige situatie verkeren.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:1177 text/xml public 2026-04-30T11:00:48 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-02-26 200.357.235 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl EB 2026/46 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1177 text/html public 2026-03-12T16:26:27 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:1177 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 26-02-2026 / 200.357.235 Verzoek van stiefvader om adoptie uit te spreken alsnog toegewezen. 1:227 en 1:228 BW. Voldaan aan vereiste van artikel 1:227 lid 2 BW. Voldoende aannemelijk dat stiefvader en kinderen ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaand aan indiening verzoek met elkaar hebben samengeleefd, hoewel stiefvader niet steeds was ingeschreven in BRP op de gezamenlijke adressen. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.357.235 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 585162 beschikking van 26 februari 2026 over de stiefouderadoptie van [kind1] en [de minderjarige1] in de zaak van [verzoekster1] (de moeder) en [verzoeker2] (de stiefvader) die wonen in [woonplaats] advocaat: mr. K. Broere en [belanghebbende1] (de vader) die geen bekende woon- of verblijfplaats heeft en [kind1] ( [kind1] ) die woont in [woonplaats] 1 Samenvatting De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft het verzoek van de stiefvader om de adoptie van [kind1] en [de minderjarige1] door hem uit te spreken, afgewezen. Het hof beslist dat dit niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom. 2 De feiten 2.1. De moeder en de vader zijn met elkaar gehuwd geweest. In een beschikking van 17 mei 2017 van de rechtbank in [plaats1] ( [land1] ) is de echtscheiding tussen de moeder en de vader uitgesproken. 2.2. Uit het huwelijk van de moeder en de vader zijn geboren: - [kind1] , geboren [in] 2006 in [plaats2] , [land1] , en - [de minderjarige1] , geboren [in] 2009 in [plaats2] , [land1] . 2.3. De moeder en de stiefvader hebben sinds 2017 een relatie en zijn gaan samenwonen in [land1] . Zij zijn [in] 2018 in [plaats3] met elkaar gehuwd en [in] 2021 naar Nederland gekomen. 2.4. De moeder, de vader, [kind1] en [de minderjarige1] hebben de [nationaliteit1] nationaliteit. De stiefvader heeft de [nationaliteit2] nationaliteit. 3 De procedure bij de rechtbank 3.1. De moeder en de stiefvader hebben de rechtbank verzocht het gezag over de kinderen te wijzigen, de adoptie van de kinderen door de stiefvader uit te spreken en de achternaam van de kinderen te wijzigen. 3.2. De rechtbank heeft in een beschikking van 23 april 2025 (de bestreden beschikking) het gezag over [de minderjarige1] gewijzigd, bepaald dat de achternaam van [de minderjarige1] en [kind1] [naam1] zal zijn en de verzoeken voor het overige afgewezen. 4 De procedure bij het hof 4.1. De moeder en de stiefvader zijn het niet eens met de beslissing van de rechtbank voor zover daarbij hun verzoek tot stiefouderadoptie is afgewezen. Zij verzoeken het hof – kort gezegd – de bestreden beschikking in zoverre te vernietigen en (alsnog) de adoptie uit te spreken van [kind1] (nu meerderjarig) en [de minderjarige1] door de stiefvader. De informatie die het hof heeft ontvangen 4.2. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen: het beroepschrift, ingekomen op 22 juli 2025, met bijlagen een emailbericht van de raad voor de kinderbescherming van 22 december 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting 4.3. [kind1] heeft op 22 december 2025 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Hij heeft verteld wat hij vindt van de adoptie. [de minderjarige1] heeft geschreven dat zij niet komt maar wel geschreven wat zij vindt van het verzoek. 4.4. De zitting bij het hof was op 23 december 2025. Aanwezig waren de moeder en de stiefvader met hun advocaat. 5 Het oordeel van het hof Rechtsmacht en toepasselijk recht 5.1. De stiefvader heeft de [nationaliteit2] nationaliteit. De moeder, [kind1] en [de minderjarige1] hebben de [nationaliteit1] nationaliteit. De stiefvader, de moeder, [kind1] en [de minderjarige1] wonen in Nederland. 5.2. Op grond van artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van het verzoek. De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven aangevoerd, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen. Adoptie 5.3. In artikel 1:227 BW staat (onder meer) dat adoptie geschiedt door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van twee personen samen of op verzoek van één persoon alleen. Het verzoek door de adoptant die echtgenoot, geregistreerde partner of levensgezel van de ouder is, kan slechts worden gedaan, indien hij tenminste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met die ouder heeft samengeleefd. Het verzoek kan alleen worden toegewezen indien de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft en aan de voorwaarden genoemd in artikel 1:228 BW wordt voldaan. Hoe oordeelt het hof? 5.4. Het hof is van oordeel dat de beslissing van de rechtbank ongedaan moet worden gemaakt (worden vernietigd). Het hof legt hierna uit waarom. 5.5. Volgens de rechtbank volgt uit de gegevens in de Basisregistratie Personen (BRP) dat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 1:227 lid 2 BW dat de stiefvader en de moeder ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaand aan indiening van het verzoek met elkaar hebben samengeleefd. In de BRP stonden de stiefvader en de moeder (niet langer dan) negen maanden op achtereenvolgens twee dezelfde adressen ingeschreven in de periode van 24 november 2022 tot 23 augustus 2023. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan het weigeren van adoptie een ongeoorloofde inmenging in het gezins- en familieleven van de stiefvader en de kinderen oplevert in de zin van artikel 8 EVRM (en die kunnen rechtvaardigen dat wordt voorbijgegaan aan het vereiste van artikel 1:227 lid 2 BW). 5.6. Het hof acht het voldoende aannemelijk dat de stiefvader en de kinderen ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaand aan indiening van het verzoek met elkaar hebben samengeleefd. Hoewel de stiefvader niet steeds was ingeschreven in de BRP op de opeenvolgende gezamenlijke adressen met de moeder en de kinderen heeft hij daarvoor een afdoende verklaring afgelegd. Deze verklaring houdt in – kort gezegd – dat hij steeds met de moeder en de kinderen in gezinsverband heeft geleefd, maar dat hij in de jaren voorafgaand aan het adoptieverzoek regelmatig heen en weer heeft gereisd tussen [land1] en Nederland en geregeld periodes in [land1] heeft doorgebracht in verband met zijn ondernemingen in [land1] . Zonder inschrijving in [land1] was het voor hem niet mogelijk als directeur zijn onderneming te voeren en (landbouw)grond te verwerven of te behouden. Zijn verklaring wordt gesteund door andere overgelegde verklaringen. Deze verklaringen houden in dat de stiefvader steeds met de moeder en de kinderen in gezinsverband heeft geleefd en dat zij samen een hecht gezin vormen. Het hof heeft geen redenen gevonden om aan deze verklaringen en de gestelde feiten te twijfelen. 5.7. Ook [kind1] heeft gezegd dat de stiefvader weliswaar geregeld in [land1] was, maar dat zij steeds in gezinsverband hebben geleefd, dat hij er altijd voor hem en [de minderjarige1] was (en is) en dat zij altijd bij hem terecht kunnen. Dat heeft [de minderjarige1] in haar brief aan het hof bevestigd. Voorts is komen vast te staan dat de moeder en de stiefvader, die [in] 2018 in [woonplaats] met elkaar zijn gehuwd, vanaf de aanvang van hun relatie in 2017 tot op heden (ruim acht jaar) een bestendige relatie hebben. [kind1] en [de minderjarige1] blijven door de adoptie dan ook in een bestendige situatie verkeren.
Volledig
Dat de stiefvader volgens de gegevens in het BRP in die periode niet drie jaar steeds op dezelfde adressen stond ingeschreven als de moeder en de kinderen is dan ook onvoldoende om het verzoek af te wijzen. De stiefvader heeft daarmee voldaan aan het vereiste van artikel 1:227 lid 2 BW. 5.8. De verzochte adoptie moet vervolgens ook aan de vereisten van artikel 1:228 BW voldoen. In dat kader stelt het hof vast dat de moeder met het verzoek van de stiefvader heeft ingestemd. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Door niet te verschijnen heeft de vader het verzoek tot adoptie onweersproken gelaten. [kind1] en [de minderjarige1] staan beiden ook achter het verzoek tot adoptie. Ten slotte overweegt het hof dat in de afgelopen jaren geen enkel contact tussen de vader en de kinderen is geweest en dat ook niet valt te verwachten dat in de komende jaren contact tot stand zal komen. De vader kan dan ook geen inhoud geven aan zijn bevoegdheden en verplichtingen die voortvloeien uit het ouderschap. 5.9. [kind1] is inmiddels meerderjarig, maar op de dag van het indienen van het verzoekschrift bij de rechtbank, had hij de leeftijd van achttien jaren nog niet bereikt. Nu ook voldaan is aan de in artikel 1:228 lid 1 BW genoemde voorwaarden ligt het verzoek tot adoptie voor toewijzing gereed. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen voor zover deze aan het oordeel van het hof is onderworpen en beslissen als volgt. 5.10. Bij de stukken bevinden zich de geboorteakten van [kind1] en [de minderjarige1] . Op grond van artikel 1:25 lid 5 BW gelast het hof, die de adoptie uitspreekt, ambtshalve afzonderlijk de inschrijving van de in het eerste en het tweede lid bedoelde akten van geboorte. Gezag 5.11. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de moeder en de stiefvader gezamenlijk met het gezag belast over [de minderjarige1] . ( [kind1] was op dat moment al meerderjarig.) Op het moment dat de onderhavige beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, is de stiefvader (naast de moeder) de juridische ouder van [de minderjarige1] . Op grond van het bepaalde in artikel 1:251, eerste lid, BW oefenen de stiefvader en de moeder vanaf dat moment het gezag over [de minderjarige1] gezamenlijk uit. Het hof zal in verband met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder sub k. van het Besluit gezagsregisters bepalen dat de griffier, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister om daarin aantekening te doen van deze beschikking. Uitvoerbaarheid bij voorraad 5.12. De adoptie wordt op grond van artikel 1:230 lid 1 BW van kracht na het verstrijken van de hoger-beroepstermijn of cassatietermijn. Dat betekent dat de beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. Dit deel van het verzoek wordt daarom afgewezen. 6 De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 23 april 2025 voor zover daarbij het verzoek tot stiefouderadoptie is afgewezen en opnieuw beschikkende: gelast de inschrijving door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag van de geboorteakte van: [kind1] , geboren [in] 2006 te [plaats2] ( [land1] ) under the registration number [nummer1] ; [de minderjarige1] , geboren [in] 2009 te [plaats2] ( [land1] ) under the registration number [nummer2] ; spreekt uit de adoptie van [kind1] , geboren [in] 2006 te [plaats2] ( [land1] ); [de minderjarige1] , geboren [in] 2009 te [plaats2] ( [land1] ); door [verzoeker2] , geboren [in] 1968 in [plaats4] ; gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag een latere vermelding van de adoptie aan de geboorteakten toe te voegen; bepaalt dat de griffier niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en indien daartegen geen beroep in cassatie is ingesteld – een afschrift van deze beschikking zal zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, H. Phaff en I.J. Pieters, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is op 26 februari 2026 uitgesproken in het openbaar. Artikel 1:228 1 Voorwaarden voor adoptie zijn: a. dat het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien het op de dag van het verzoek twaalf jaren of ouder is, ter gelegenheid van zijn verhoor niet van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek heeft doen blijken; hetzelfde geldt, indien de rechter is gebleken van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek van een minderjarige die op de dag van het verzoek de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake; b. dat het kind niet is een kleinkind van een adoptant; c. dat de adoptant of ieder der adoptanten ten minste achttien jaren ouder dan het kind is; d. dat geen der ouders het verzoek tegenspreekt; e. dat de minderjarige moeder van het kind op de dag van het verzoek de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt; f. dat de adoptant of de adoptanten het kind gedurende ten minste een jaar heeft of hebben verzorgd en opgevoed; indien de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder of adoptiefouder het kind adopteert en zij gezamenlijk het kind gedurende ten minste een jaar hebben verzorgd en opgevoed wordt de periode van een jaar voor de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel gerekend vanaf het moment van feitelijk gezamenlijk verzorgen en opvoeden; g. dat de ouder of ouders niet of niet langer het gezag over het kind hebben. Indien evenwel de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder het kind adopteert, geldt dat deze ouder alleen of samen met voornoemde echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel het gezag heeft.
Volledig
Dat de stiefvader volgens de gegevens in het BRP in die periode niet drie jaar steeds op dezelfde adressen stond ingeschreven als de moeder en de kinderen is dan ook onvoldoende om het verzoek af te wijzen. De stiefvader heeft daarmee voldaan aan het vereiste van artikel 1:227 lid 2 BW. 5.8. De verzochte adoptie moet vervolgens ook aan de vereisten van artikel 1:228 BW voldoen. In dat kader stelt het hof vast dat de moeder met het verzoek van de stiefvader heeft ingestemd. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Door niet te verschijnen heeft de vader het verzoek tot adoptie onweersproken gelaten. [kind1] en [de minderjarige1] staan beiden ook achter het verzoek tot adoptie. Ten slotte overweegt het hof dat in de afgelopen jaren geen enkel contact tussen de vader en de kinderen is geweest en dat ook niet valt te verwachten dat in de komende jaren contact tot stand zal komen. De vader kan dan ook geen inhoud geven aan zijn bevoegdheden en verplichtingen die voortvloeien uit het ouderschap. 5.9. [kind1] is inmiddels meerderjarig, maar op de dag van het indienen van het verzoekschrift bij de rechtbank, had hij de leeftijd van achttien jaren nog niet bereikt. Nu ook voldaan is aan de in artikel 1:228 lid 1 BW genoemde voorwaarden ligt het verzoek tot adoptie voor toewijzing gereed. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen voor zover deze aan het oordeel van het hof is onderworpen en beslissen als volgt. 5.10. Bij de stukken bevinden zich de geboorteakten van [kind1] en [de minderjarige1] . Op grond van artikel 1:25 lid 5 BW gelast het hof, die de adoptie uitspreekt, ambtshalve afzonderlijk de inschrijving van de in het eerste en het tweede lid bedoelde akten van geboorte. Gezag 5.11. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de moeder en de stiefvader gezamenlijk met het gezag belast over [de minderjarige1] . ( [kind1] was op dat moment al meerderjarig.) Op het moment dat de onderhavige beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, is de stiefvader (naast de moeder) de juridische ouder van [de minderjarige1] . Op grond van het bepaalde in artikel 1:251, eerste lid, BW oefenen de stiefvader en de moeder vanaf dat moment het gezag over [de minderjarige1] gezamenlijk uit. Het hof zal in verband met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder sub k. van het Besluit gezagsregisters bepalen dat de griffier, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister om daarin aantekening te doen van deze beschikking. Uitvoerbaarheid bij voorraad 5.12. De adoptie wordt op grond van artikel 1:230 lid 1 BW van kracht na het verstrijken van de hoger-beroepstermijn of cassatietermijn. Dat betekent dat de beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. Dit deel van het verzoek wordt daarom afgewezen. 6 De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 23 april 2025 voor zover daarbij het verzoek tot stiefouderadoptie is afgewezen en opnieuw beschikkende: gelast de inschrijving door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag van de geboorteakte van: [kind1] , geboren [in] 2006 te [plaats2] ( [land1] ) under the registration number [nummer1] ; [de minderjarige1] , geboren [in] 2009 te [plaats2] ( [land1] ) under the registration number [nummer2] ; spreekt uit de adoptie van [kind1] , geboren [in] 2006 te [plaats2] ( [land1] ); [de minderjarige1] , geboren [in] 2009 te [plaats2] ( [land1] ); door [verzoeker2] , geboren [in] 1968 in [plaats4] ; gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag een latere vermelding van de adoptie aan de geboorteakten toe te voegen; bepaalt dat de griffier niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en indien daartegen geen beroep in cassatie is ingesteld – een afschrift van deze beschikking zal zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, H. Phaff en I.J. Pieters, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is op 26 februari 2026 uitgesproken in het openbaar. Artikel 1:228 1 Voorwaarden voor adoptie zijn: a. dat het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien het op de dag van het verzoek twaalf jaren of ouder is, ter gelegenheid van zijn verhoor niet van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek heeft doen blijken; hetzelfde geldt, indien de rechter is gebleken van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek van een minderjarige die op de dag van het verzoek de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake; b. dat het kind niet is een kleinkind van een adoptant; c. dat de adoptant of ieder der adoptanten ten minste achttien jaren ouder dan het kind is; d. dat geen der ouders het verzoek tegenspreekt; e. dat de minderjarige moeder van het kind op de dag van het verzoek de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt; f. dat de adoptant of de adoptanten het kind gedurende ten minste een jaar heeft of hebben verzorgd en opgevoed; indien de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder of adoptiefouder het kind adopteert en zij gezamenlijk het kind gedurende ten minste een jaar hebben verzorgd en opgevoed wordt de periode van een jaar voor de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel gerekend vanaf het moment van feitelijk gezamenlijk verzorgen en opvoeden; g. dat de ouder of ouders niet of niet langer het gezag over het kind hebben. Indien evenwel de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder het kind adopteert, geldt dat deze ouder alleen of samen met voornoemde echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel het gezag heeft.