Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-02-24
ECLI:NL:GHARL:2026:1105
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.350.776/01 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden 10926529 arrest van 24 februari 2026 in de zaak van 1 [appellant] 2. [appellante] die beiden wonen in [woonplaats] hierna gezamenlijk aan te duiden als: [appellanten] advocaat: mr. H.A. van Beilen en 1 [geïntimeerde1] 2. [geïntimeerde2] die beiden wonen in [woonplaats] hierna gezamenlijk aan te duiden als: [geïntimeerden] advocaat: mr. H. Scheper 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1 [appellanten] hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden (hierna: de kantonrechter) op 29 oktober 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep van 28 januari 2025; de memorie van grieven; de memorie van antwoord; het tussenarrest van 19 augustus 2025; een brief houdende overleggen producties namens [geïntimeerden] ; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling ter plaatse op 16 december 2025. 1.2 Aan het slot van de mondelinge behandeling hebben partijen het hof gevraagd om arrest te wijzen. 2 Waar gaat deze zaak over? 2.1 Partijen zijn buren van elkaar. Het geschil gaat over de erfgrens tussen de percelen van partijen. [appellanten] willen dat daarop een schutting wordt geplaatst waarbij [geïntimeerden] voor de helft moeten bijdragen in de kosten daarvan. 2.2 [appellanten] hebben bij de kantonrechter gevorderd – kort gezegd – dat [geïntimeerden] worden veroordeeld om mee te werken aan de oprichting van een ondoorzichtige houten schutting op de erfgrens onder betaling van de helft van de kosten aan [appellanten] Verder hebben zij gevorderd dat [geïntimeerden] worden veroordeeld om aan degenen die de schutting plaatsen toegang te verlenen tot het perceel van [geïntimeerden] en om medewerking te verlenen aan de verwijdering van de huidige erfafscheiding. Dit alles op straffe van verbeurte van een dwangsom. Ook hebben [appellanten] gevorderd dat [geïntimeerden] worden veroordeeld in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten. 2.3 De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. 3 De feiten 3.1 Partijen zijn buren van elkaar. [geïntimeerden] zijn sinds 2016 eigenaar van de woning aan de [adres1] te [woonplaats] . [appellanten] zijn sinds 2018 eigenaar van de naastgelegen woning [adres2] te [woonplaats] . Beide percelen zijn ongeveer 80 meter lang, 23 meter breed en hebben een oppervlakte van circa 1.890 m². De percelen bevinden zich buiten de bebouwde kom. De percelen waarop de woningen staan zijn te bereiken over een onverharde weg. Partijen kijken vanaf de voorkant van hun woningen (de noordoostzijde) tegen meerdere hoge bomen aan. De percelen aan de achterkant van de woning (de zuidwestzijde) bestaan uit grasland met boomwallen. 3.2 Op 14 april 2022 heeft het Kadaster op verzoek van partijen de erfgrens uitgezet. Langs deze kadastrale grens zijn door [geïntimeerden] op hun perceel betonstaalmatten geplaatst die met rieten matten zijn afgeschermd. Daarnaast hebben [geïntimeerden] een doorzichtig plastic doek tussen de betonstaalmatten gespannen. Aan de kant van [geïntimeerden] zijn daarnaast laurierheesters geplaatst (in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is ten onrechte vermeld dat het coniferenhagen zijn). 3.3 Op het perceel van [geïntimeerden] staat vanaf de weg gezien een woning aan de linkerkant en een schuur/werkruimte aan de rechterkant. In de schuur exploiteert [geïntimeerden] een smederij. Op het perceel van [appellanten] staat vanaf de weg gezien een woning aan de rechterkant en een schuur aan de linkerkant. De afstand tussen de schuur van [appellanten] en de erfafscheiding is ongeveer 2.90 meter. 3.4 Op onderstaande foto is de huidige erfafscheiding te zien, met aan de linkerkant het pe Voor een dergelijke situatie is artikel 5:49 BW niet geschreven. [appellanten] hebben voldoende ruimte om op hun eigen terrein een schutting te plaatsen. De aanwezigheid van een schuur op het terrein van [appellanten] vormt daarvoor geen beletsel, omdat vaststaat dat de afstand tussen de huidige erfafscheiding en de schuur 2.90 meter is, zodat er voldoende ruimte overblijft als [appellanten] besluit om daarnaast een schutting op het eigen perceel te plaatsen. De stelling dat (werknemers van) [geïntimeerden] in de pauze naast de schuur zou/zouden zitten, leidt niet tot een ander oordeel. Het is overigens door [geïntimeerden] uitdrukkelijk betwist, zodat het hof onvoldoende is gebleken dat hiervan sprake is. De ruimte tussen de schuur en de al geplaatste afscheiding en de verdere inrichting van het perceel van [geïntimeerden] is ook zodanig dat de stelling van [appellanten] niet voorshands aannemelijk is. Er is verder niet gebleken van zodanige geluidsoverlast vanuit de schuur van [geïntimeerden] dat die het plaatsen van een schutting zoals gevorderd rechtvaardigt, voorzover dat geluid een relevante factor in de afweging zou zijn. Het voorgaande maakt dat [appellanten] geen beroep toekomen op artikel 5:49 BW en de vorderingen niet kunnen worden toegewezen op deze grondslag. Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van [appellanten] om nader bewijs te leveren dat wel sprake zou zijn van een aaneengebouwd gedeelte van de gemeente aangezien het hof de plaatselijke situatie en de ingenomen stellingen hiervoor al heeft beoordeeld. Onrechtmatige hinder 4.5 [appellanten] hebben in hoger beroep als aanvullende grondslag voor hun vorderingen aangevoerd dat [geïntimeerden] onrechtmatige hinder veroorzaken door de bedrijfsactiviteiten van de smederij. [geïntimeerden] hebben op de mondelinge behandeling bij het hof aangevoerd dat deze aanvulling in strijd is met een goede procesorde omdat zij daartegen onvoldoende verweer zouden kunnen voeren. Het hoger beroep heeft een herstelfunctie, waardoor partijen onder meer en behoudens zich hier niet voordoende uitzonderingen (zoals het gedekt zijn van een verweer) andere of nieuwe juridische grondslagen mogen aanvoeren, mits deze gewijzigde grondslag is opgenomen in het eerste schriftelijke processtuk dat door de eisende partij in hoger beroep is ingediend (de tweeconclusieregel). Omdat [appellanten] deze grondslag hebben opgenomen in hun memorie van grieven, is deze wijziging toegestaan. In de memorie van antwoord zijn [geïntimeerden] – zonder bezwaar te maken tegen de aanvulling van de grondslag – bovendien inhoudelijk op de gestelde hinder ingegaan. Hierop strandt het bezwaar van [geïntimeerden] , zodat het hof over deze aanvullende grondslag zal beslissen. 4.6 Artikel 5:37 BW bepaalt dat de eigenaar van een erf niet op een wijze die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is, aan eigenaars van een ander erf hinder mag toebrengen. [appellanten] stellen dat de hinder erin bestaat dat de bedrijfsactiviteiten in de smederij aantoonbaar geluidsoverlast veroorzaken. Volgens [appellanten] is deze hinder onrechtmatig. 4.7 Naar het oordeel van het hof hebben [appellanten] onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat van onrechtmatige hinder sprake is. [geïntimeerden] hebben een akoestisch rapport van De Geluidspraktijk van 21 september 2023 overgelegd waaruit blijkt dat [geïntimeerden] ten tijde van het opstellen van het rapport door het te hard dichtslaan van de deur van de bedrijfswagen de geluidsnormen overschreden. Op basis daarvan heeft de gemeente Smallingerland op 28 februari 2025 een besluit genomen met de strekking dat [geïntimeerden] een geluidsscherm dienen te plaatsen om het geluid te beperken. Daarna hebben [geïntimeerden] een nieuwe bedrijfswagen aangeschaft waardoor sindsdien, zo blijkt uit het akoestisch rapport van 26 maart 2025, ook zonder een geluidsscherm binnen de geluidsnormen wordt gebleven. Dat is voor de gemeente aanleiding geweest om niet langer maatwerkvoorschriften (zie 3.7) ter