Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-02-17
ECLI:NL:GHARL:2025:919
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
1,773 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005576-23
Uitspraak d.d.: 17 februari 2025
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Verkorte beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 28 november 2023 met het parketnummer 18-194142-23 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De betrokkene heeft tegen de hiervoor genoemde beslissing hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Deze beslissing is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 februari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 8.000,-, en oplegging aan de betrokkene van een betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van datzelfde bedrag.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsman, mr. M. Jonk, naar voren is gebracht.
Dictum
De rechtbank heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 8.000,- en heeft betrokkene voor datzelfde bedrag een betalingsverplichting opgelegd.
Het hof verenigt zich niet met de beslissing waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.
Vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 8.000,- en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van eenzelfde bedrag.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De betrokkene is bij arrest van dit hof van 3 februari 2025 (parketnummer 21-005575-23) ter zake van onder meer – kort gezegd – het aanwezig hebben van harddrugs veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 8.000,- en dat aan betrokkene wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van eenzelfde bedrag.
Door en namens betrokkene is – kort gezegd – aangevoerd dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen omdat wettig bewijs voor het bestaan van wederrechtelijk verkregen voordeel ontbreekt. Voor het bestaan van wederrechtelijk verkregen voordeel en voor de schatting van de omvang daarvan is volledig uitgegaan van de verklaring van betrokkene zelf en deze verklaring kan geen conclusies over daadwerkelijk genoten winst dragen, alleen al omdat daaruit niet blijkt of betrokkene spreekt over omzet of winst. Het dossier bevat verder onvoldoende informatie om conclusies te trekken over winsten. Dat er enige aanwijzingen zijn voor transacties van verdovende middelen, maakt niet automatisch dat er winsten zijn genoten.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 2.000,-. Het hof komt tot deze schatting op basis van de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan het arrest van dit hof van 3 februari 2025, parketnummer 21-005575-23. Op grond van zowel de verklaring van betrokkene bij de politie op 7 augustus 2023 waarin betrokkene aangeeft dat hij drugs verkoopt en de bij betrokkene aangetroffen hoeveelheid drugs, te weten 52,77 gram cocaïne en 45,31 gram MDMA, wat een indicatie voor dealen is, leidt het hof af dat betrokkene wel degelijk drugs heeft verkocht. Dat past ook bij de informatie die de wijkagent via buurtbewoners heeft ontvangen en de gegevens die naar voren zijn gekomen uit het onderzoek naar de telefoon van betrokkene. Betrokkene heeft bij de politie verklaard dat hij drugs verkocht om zijn verslaving te financieren. Daarbij heeft hij vrij specifiek verklaard over in- en verkoopprijzen, de periode, het aantal kopers en hoeveelheden. Het had op de weg van de politie gelegen om naar aanleiding daarvan een berekening te maken van het wederrechtelijk verkregen voordeel en/of nader onderzoek te doen. Er is nu volstaan met een verwijzing naar een zinsnede van verdachte in zijn verhoor dat hij ”misschien (..) een keer 8000 euro of 9000 euro er mee verdiend” heeft. Daarbij is het onduidelijk gebleven of verdachte daarmee winst of omzet bedoelde. Nu het Openbaar Ministerie geen berekening ten grondslag heeft gelegd aan het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel wat betrokkene tenminste zal hebben genoten (voorzichtig) geschat op een bedrag van € 2.000,-.
De verplichting tot betaling aan de Staat
Het hof ziet geen aanleiding om de verplichting tot betaling aan de Staat vast te stellen op een lager bedrag dan voormeld wederrechtelijk verkregen voordeel, gelet ook op de leeftijd van betrokkene en zijn op basis daarvan veronderstelde mate van verdiencapaciteit.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.
Dictum
Het hof:
Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 40 dagen.
Aldus gewezen door
mr. J.A.M. Kwakman, voorzitter,
mr. O. Anjewierden en mr. F.E.J. Goffin, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. Kiemel, griffier,
en op 17 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.