Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2025-09-09
ECLI:NL:GHARL:2025:8782
beslissing GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN MEERVOUDIGE STRAFKAMER SCHORSING VOORLOPIGE HECHTENIS Parketnummer: 23-000579-24 Beslissing op het verzoek strekkende tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats], thans gedetineerd. De procedure De raadsman van de verdachte, mr. P.C. Schouten, heeft ter terechtzitting van 2 september 2025 een verzoek tot primair opheffing, subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte gedaan. De verdachte, zijn raadsman mr. P.C. Schouten en de advocaat-generaal zijn op dat verzoek op voornoemde terechtzitting gehoord. Het verzoek en de beoordeling daarvan Het vonnis en de voorlopige hechtenis De verdachte is bij vonnis van 27 februari 2024 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaren wegens: het in vereniging met anderen voorbereiden en vervolgens plegen van de moord op R. Scekic (zaakdossier Kreta), het in vereniging met een ander ondersteunen van de door derden in vereniging gepleegde moord op H. Changachi (zaakdossier Roos/Doorn), het in vereniging met anderen pogen [slachtoffer] te vermoorden (zaakdossier Tennis), en voor deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, waaronder moord, in de periode van 1 januari 2016 tot en met 12 januari 2017. De voorlopige hechtenis van de verdachte is bevolen vanwege deze feiten. De gronden waarop het eerder gegeven bevel tot voorlopige hechtenis rust zijn de zogenoemde twaalfjaarsgrond, de recidivegrond en het veroordelend vonnis. In het bijzonder is die twaalfjaarsgrond naar het oordeel van het hof onverkort aanwezig. Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis Het verzoek Namens de verdachte is – samengevat – het volgende aangevoerd. Op 27 december 2017 is door de officier van justitie met de verdachte op de voet van artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een schriftelijke afspraak gemaakt (hierna: de verklaringsovereenkomst). Op grond van die verklaringsovereenkomst heeft het Openbaar Ministerie zich jegens de verdachte ertoe verplicht om, mits hij zich houdt aan de voor hem uit hoofde van die overeenkomst geldende verplichtingen, in zijn strafzaak strafvermindering te vorderen. De voorgenomen vordering tot strafoplegging van 24 jaren (hierna: de basis-strafeis) zou worden verminderd met de helft daarvan, derhalve 12 jaren. Uitgaande van de toentertijd geldende wettelijke regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: de oude VI-regeling) impliceerde een opgelegde gevangenisstraf van 12 jaren een feitelijke detentieduur van 8 jaren. Door partijen is destijds onder ogen gezien dat een ophanden zijnde wijziging van die wettelijke regeling voor de verdachte een langere detentieduur zou kunnen opleveren, te weten niet 8 maar 10 jaren. Het Openbaar Ministerie heeft terecht gemeend dat door die verklaringsovereenkomst bij de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat zijn feitelijke detentieduur op grond van de voorgenomen vordering ter terechtzitting niet langer zou zijn dan 8 jaren. In eerste aanleg heeft de officier van justitie bij gelegenheid van het requisitoir aan dat vertrouwen betekenis toegekend, door in het voordeel van de verdachte af te wijken van wat ten aanzien van de basis-strafeis in de verklaringsovereenkomst is vastgelegd. In plaats van die basis-strafeis van 24 jaren heeft de officier van justitie bij wijze van basis-strafeis gerekwireerd tot strafoplegging van 20 jaren, waarop vervolgens naar analogie van wat met de verdachte in de verklaringsovereenkomst is overeengekomen een vermindering tot de helft daarvan is toegepast, derhalve 10 jaren. De tenuitvoerlegging van een straf van 10 jaren zou onder de werking van de ondertussen gewijzigde VI-regeling (hierna: de huidige VI-regeling) resulteren in een feitelijke detentieduur van 8 jaren, zijnde de netto-uitkomst die partijen ten tijde van de in 2017 door hen aangegane verklaringsovereenko Daarnaast is het hof van oordeel dat ook om andere redenen, welke in het bijzonder gelden in de zaak van de verdachte, geen sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 Sv. Als gezegd, de behandeling van verdachtes strafzaak is nog lopend. Te zijner tijd zal de advocaat-generaal zijn strafeis beredeneerd uiteenzetten en zal door (de verdediging van) de verdachte zijn standpunt daarnaast of daartegenover worden gesteld. Het hof onderkent dat voor de verdachte argumenten voorhanden zijn, waaraan hij op dit moment de verwachting kan ontlenen dat in het spoor van de officier van justitie ook de advocaat-generaal te zijner tijd in zijn requisitoir betekenis toekent aan het volgens het Openbaar Ministerie bij de verdachte opgewekte vertrouwen dat zijn feitelijke detentieduur de 8 jaren niet overschrijdt. Het hof onderstreept niettemin dat de behandeling in hoger beroep van de strafzaak tegen de verdachte niet is afgerond. Een concreet zicht op het moment waarop door de advocaat-generaal bij requisitoir de balans wordt opgemaakt is er nog niet. Wat er verder ook zij van wat het Openbaar Ministerie en de verdachte op grond van hun contractuele verhouding over en weer van elkaar mogen verwachten, het is bij uitstek aan het hof – immers de onafhankelijke rechter – om zich na ommekomst van de behandeling van de zaak ter terechtzitting, tijdens de beraadslaging in raadkamer een oordeel te vormen over het vonnis waarvan beroep, en zo nodig daarvoor andere beslissingen in de plaats te stellen. Daarbij zal het hof – gelet op wat is bepaald in artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht – zich in het geval van een veroordeling een oordeel moeten vormen, indachtig de verklaringsovereenkomst, over in elk geval de basis-straf en de eventuele strafvermindering, waarbij het hof niet is gebonden aan de inhoud van de verklaringsovereenkomst. Met het vorenstaande is onderstreept dat de uitkomst in de strafzaak tegen de verdachte in de vorm van eindoordelen van het hof ongewis is. Ook overigens is op dit moment niet gebleken dat zich ten aanzien van de verdachte het door de wetgever in artikel 67a lid 3 Sv geformuleerde geval voordoet, waarin ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan hem in het geval van zijn veroordeling in hoger beroep tot gevangenisstraf, bij tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis langere tijd van zijn vrijheid beroofd zou blijven dan de duur van die gevangenisstraf. Het voorgaande maakt, dat het hof dit primaire onderdeel van het verzoek zal afwijzen : de voorlopige hechtenis van de verdachte wordt niet opgeheven. Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis Het verzoek De verdediging heeft uiteengezet dat en waarom het persoonlijk belang van de verdachte de schorsing van zijn voorlopige hechtenis rechtvaardigt. In het verlengde van de onderbouwing waarvan het primaire onderdeel van het verzoek is voorzien, is andermaal aandacht gevraagd voor het eerder in deze beslissing beschreven vertrouwen van de verdachte dat de feitelijke detentieduur op grond van de voorgenomen vordering ter terechtzitting niet langer zou zijn dan 8 jaren. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De advocaat-generaal heeft dit onderdeel van het verzoek ondersteund. Daartoe heeft de advocaat-generaal erop gewezen dat de verdachte ook in hoger beroep zijn verplichtingen op grond van de verklaringsovereenkomst is blijven nakomen, terwijl er belangen bestaan (niet alleen die van de verdachte, maar ook een zwaarwegend algemeen strafvorderlijk belang, vanwege de uitstraling hiervan op andere zaken waarin een kroongetuige figureert) dat jegens hem wordt nagekomen wat aan hem is toegezegd. Daarbij komt, dat met aan een schorsing te verbinden voorwaarden toereikend kan worden verzekerd dat de verdachte gevolg blijft geven aan waartoe hij op grond van de verklaringsovereenkomst is gehouden, aldus de advocaat-generaal. Het oordeel van het hof De gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte rus