Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-03-31
ECLI:NL:GHARL:2025:8755
Strafrecht
Wraking
4,013 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2025:8755 text/xml public 2026-04-15T15:47:04 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2025-03-31 200.352.994 Uitspraak Wraking NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8755 text/html public 2026-04-15T15:46:24 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2025:8755 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 31-03-2025 / 200.352.994 Verzoekster heeft op voorhand aan de verdediging gemeld dat zij bij twee strafzaken die zij thans als raadsheer behandelt, eerder als rechter in rechtbank Overijssel betrokken is geweest. Verzoekster acht zich voldoende vrij staan om de zaken als raadsheer te behandelen maar de verdediging heeft daartegen bezwaar gemaakt. Om die reden heeft verzoekster een verschoningsverzoek ingediend. De verschoningskamer is van oordeel dat bij deze stand van zaken het op de weg van de verdediging had gelegen een wrakingsverzoek in te dienen en dat een verschoningsverzoek niet voor de hand ligt. Nu het verschoningsverzoek er eenmaal ligt, passeert de verschoningskamer dit punt en wordt het verzoek inhoudelijk beoordeeld. Het verzoek tot verschoning wordt – gelet op verzoekster inhoudelijke betrokkenheid in een van de twee zaken – gehonoreerd. beslissing GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem zaaknummer 200.352.994 datum beslissing: 31 maart 2025 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken (hierna: verschoningskamer) op het verzoek zich te mogen verschonen, gedaan door mr. S. Taalman (hierna: verzoekster), raadsheer in dit gerechtshof 1. De procedure 1.1. Bij de strafkamer van het hof vond op 27 maart 2025 de inhoudelijke behandeling plaats van de strafzaken tegen [verdachte] , parketnummer 21-004626-21 en [verdachte] , parketnummer 21-004488-21. 1.2. Verzoekster heeft op 27 maart 2025 verzocht zich in deze procedure te mogen verschonen. 1.3. De verschoningskamer is van oordeel dat een mondelinge behandeling van het verschoningsverzoek niet noodzakelijk is. 2 De ontvankelijkheid van het verzoek 2.1 In het verschoningsprotocol van dit hof van 9 juni 2021 is vastgelegd in welke gevallen een verschoningsverzoek kan worden ingediend. In dat protocol is de volgende bepaling opgenomen: Het gaat in dit protocol om die gevallen waarin de raadsheer (rechter), nadat zijn naam aan partijen bekend is gemaakt, ontdekt dat hij vanwege het bestaan van (de objectief gerechtvaardigde vrees voor) vooringenomenheid niet vrij is de zaak te behandelen en een verschoningsverzoek indient. Een raadsheer (rechter) kan verschoning van de (verdere) behandeling en beslissing van een concrete zaak verzoeken als er hem betreffende feiten of omstandigheden zijn waardoor zijn rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dit protocol ziet niet op het geval dat de raadsheer (rechter) de zaak vanwege dergelijke feiten en omstandigheden niet kan behandelen, maar waarin nog geen verplichting bestaat tot het indienen van een verschoningsverzoek, omdat de naam van de rechter nog niet aan partijen bekend is gemaakt. 2.2 Uit het verschoningsverzoek blijkt dat de voorzitter van de strafkamer bij aanvang van de zitting de raadslieden heeft geïnformeerd over eerdere betrokkenheid van verzoekster als rechter bij beide strafzaken. De raadslieden hebben daarop te kennen gegeven er bezwaar tegen te hebben indien verzoekster als lid van de meervoudige kamer van het hof deelneemt aan de behandeling van de strafzaak tegen beide verdachten. 2.3 De verschoningskamer is van oordeel dat, nu partijen op de hoogte zijn van de naam en van de positie van verzoekster, en bezwaar hebben gemaakt tegen haar deelname aan de meervoudige kamer die beide strafzaken behandelt, het verzoek tot verschoning kan worden ontvangen. 3 Beoordeling van het verschoningsverzoek 3.1 Ter onderbouwing van haar verzoek heeft verzoekster het volgende aangevoerd. Bij de voorbereiding van de strafzaken tegen genoemde verdachten heeft verzoekster zich gerealiseerd dat zij in haar hoedanigheid van rechter in de rechtbank Overijssel, als lid van de meervoudige kamer heeft deelgenomen aan een aantal zittingen in de voorfase van de behandeling van die zaken bij de rechtbank Overijssel. 3.2 In de zaak [verdachte] is verzoekster betrokken geweest bij een pro forma-zitting op 14 december 2020, waarbij de rechtbank een beslissing heeft genomen over de voorlopige hechtenis van verdachte. In de zaak [verdachte] is verzoekster betrokken geweest bij twee pro forma zittingen, op 18 februari 2020 en 15 september 2020. Op een van die zittingen heeft de rechtbank een verzoek om een getuige te horen, wegens gebrek aan onderbouwing afgewezen. 3.3 Verzoekster heeft gemeend dat haar eerdere bemoeienissen met beide strafzaken als rechter niet in de weg staan aan haar deelname als raadsheer aan de meervoudige kamer bij de behandeling van de strafzaken in hoger beroep. Gelet evenwel op het standpunt van de verdediging ziet verzoekster aanleiding om te verzoeken zich te mogen verschonen van verdere betrokkenheid bij beide strafzaken. 3.4 De verschoningskamer overweegt het volgende. Op grond van artikel 517 van het Wetboek van Strafvordering kan elk van de rechters die een zaak behandelen, verzoeken zich te mogen verschonen op grond van feiten en omstandigheden waardoor diens onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 3.5 Vooropgesteld wordt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 14, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. 3.6 Uit het verschoningsverzoek valt op te maken dat verzoekster zichzelf in staat acht om onpartijdig en zonder vooringenomenheid de zaken te behandelen maar dat de verdediging bezwaren heeft tegen haar verdere betrokkenheid bij de behandeling van de strafzaken. Gelet hierop lag naar het oordeel van de verschoningskamer een verzoek tot verschoning van de zijde van verzoekster niet voor de hand. Eerder zou het op de weg van verdachten hebben gelegen om te beoordelen of het standpunt van verzoekster – dat zij de strafzaken zou kunnen behandelen – een reden voor hen zou zijn om een wrakingsverzoek in te dienen. Nu het verzoek tot verschoning er evenwel ligt, zal de verschoningskamer dit punt passeren en het verzoek inhoudelijk beoordelen. 3.7 De verschoningskamer is van oordeel dat in de zaak [verdachte] de enkele deelname van verzoekster aan een pro forma zitting, toen nog in haar hoedanigheid van rechter in de rechtbank Overijssel, op zichzelf geen beletsel oplevert om thans als raadsheer deel te nemen aan de meervoudige kamer die in hoger beroep de strafzaak behandelt. Immers, verzoekster is bij die pro forma zitting enkel betrokken geweest bij een beslissing over de voorlopige hechtenis van verdachte, maar heeft geen bemoeienis gehad bij de inhoudelijke behandeling of afdoening van de zaak. In zoverre is er geen reden voor verzoekster om zich te verschonen. In de zaak [verdachte] heeft de meervoudige kamer van de rechtbank waarvan verzoekster deel uitmaakte, een verzoek tot het horen van een getuige afgewezen. Voor het nemen van een dergelijke beslissing is een inhoudelijke toets van het dossier vereist. Om die reden is het bezwaar van de verdediging tegen verdere deelname van verzoekster aan de inhoudelijke behandeling – objectief bezien – voorstelbaar. 3.8 Gelet op hetgeen door verzoekster is aangevoerd en het bezwaar van de raadsman in de strafzaak tegen [verdachte] , is de vrees dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd te achten.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2025:8755 text/xml public 2026-04-15T15:47:04 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2025-03-31 200.352.994 Uitspraak Wraking NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8755 text/html public 2026-04-15T15:46:24 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2025:8755 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 31-03-2025 / 200.352.994 Verzoekster heeft op voorhand aan de verdediging gemeld dat zij bij twee strafzaken die zij thans als raadsheer behandelt, eerder als rechter in rechtbank Overijssel betrokken is geweest. Verzoekster acht zich voldoende vrij staan om de zaken als raadsheer te behandelen maar de verdediging heeft daartegen bezwaar gemaakt. Om die reden heeft verzoekster een verschoningsverzoek ingediend. De verschoningskamer is van oordeel dat bij deze stand van zaken het op de weg van de verdediging had gelegen een wrakingsverzoek in te dienen en dat een verschoningsverzoek niet voor de hand ligt. Nu het verschoningsverzoek er eenmaal ligt, passeert de verschoningskamer dit punt en wordt het verzoek inhoudelijk beoordeeld. Het verzoek tot verschoning wordt – gelet op verzoekster inhoudelijke betrokkenheid in een van de twee zaken – gehonoreerd. beslissing GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem zaaknummer 200.352.994 datum beslissing: 31 maart 2025 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken (hierna: verschoningskamer) op het verzoek zich te mogen verschonen, gedaan door mr. S. Taalman (hierna: verzoekster), raadsheer in dit gerechtshof 1. De procedure 1.1. Bij de strafkamer van het hof vond op 27 maart 2025 de inhoudelijke behandeling plaats van de strafzaken tegen [verdachte] , parketnummer 21-004626-21 en [verdachte] , parketnummer 21-004488-21. 1.2. Verzoekster heeft op 27 maart 2025 verzocht zich in deze procedure te mogen verschonen. 1.3. De verschoningskamer is van oordeel dat een mondelinge behandeling van het verschoningsverzoek niet noodzakelijk is. 2 De ontvankelijkheid van het verzoek 2.1 In het verschoningsprotocol van dit hof van 9 juni 2021 is vastgelegd in welke gevallen een verschoningsverzoek kan worden ingediend. In dat protocol is de volgende bepaling opgenomen: Het gaat in dit protocol om die gevallen waarin de raadsheer (rechter), nadat zijn naam aan partijen bekend is gemaakt, ontdekt dat hij vanwege het bestaan van (de objectief gerechtvaardigde vrees voor) vooringenomenheid niet vrij is de zaak te behandelen en een verschoningsverzoek indient. Een raadsheer (rechter) kan verschoning van de (verdere) behandeling en beslissing van een concrete zaak verzoeken als er hem betreffende feiten of omstandigheden zijn waardoor zijn rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dit protocol ziet niet op het geval dat de raadsheer (rechter) de zaak vanwege dergelijke feiten en omstandigheden niet kan behandelen, maar waarin nog geen verplichting bestaat tot het indienen van een verschoningsverzoek, omdat de naam van de rechter nog niet aan partijen bekend is gemaakt. 2.2 Uit het verschoningsverzoek blijkt dat de voorzitter van de strafkamer bij aanvang van de zitting de raadslieden heeft geïnformeerd over eerdere betrokkenheid van verzoekster als rechter bij beide strafzaken. De raadslieden hebben daarop te kennen gegeven er bezwaar tegen te hebben indien verzoekster als lid van de meervoudige kamer van het hof deelneemt aan de behandeling van de strafzaak tegen beide verdachten. 2.3 De verschoningskamer is van oordeel dat, nu partijen op de hoogte zijn van de naam en van de positie van verzoekster, en bezwaar hebben gemaakt tegen haar deelname aan de meervoudige kamer die beide strafzaken behandelt, het verzoek tot verschoning kan worden ontvangen. 3 Beoordeling van het verschoningsverzoek 3.1 Ter onderbouwing van haar verzoek heeft verzoekster het volgende aangevoerd. Bij de voorbereiding van de strafzaken tegen genoemde verdachten heeft verzoekster zich gerealiseerd dat zij in haar hoedanigheid van rechter in de rechtbank Overijssel, als lid van de meervoudige kamer heeft deelgenomen aan een aantal zittingen in de voorfase van de behandeling van die zaken bij de rechtbank Overijssel. 3.2 In de zaak [verdachte] is verzoekster betrokken geweest bij een pro forma-zitting op 14 december 2020, waarbij de rechtbank een beslissing heeft genomen over de voorlopige hechtenis van verdachte. In de zaak [verdachte] is verzoekster betrokken geweest bij twee pro forma zittingen, op 18 februari 2020 en 15 september 2020. Op een van die zittingen heeft de rechtbank een verzoek om een getuige te horen, wegens gebrek aan onderbouwing afgewezen. 3.3 Verzoekster heeft gemeend dat haar eerdere bemoeienissen met beide strafzaken als rechter niet in de weg staan aan haar deelname als raadsheer aan de meervoudige kamer bij de behandeling van de strafzaken in hoger beroep. Gelet evenwel op het standpunt van de verdediging ziet verzoekster aanleiding om te verzoeken zich te mogen verschonen van verdere betrokkenheid bij beide strafzaken. 3.4 De verschoningskamer overweegt het volgende. Op grond van artikel 517 van het Wetboek van Strafvordering kan elk van de rechters die een zaak behandelen, verzoeken zich te mogen verschonen op grond van feiten en omstandigheden waardoor diens onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 3.5 Vooropgesteld wordt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 14, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. 3.6 Uit het verschoningsverzoek valt op te maken dat verzoekster zichzelf in staat acht om onpartijdig en zonder vooringenomenheid de zaken te behandelen maar dat de verdediging bezwaren heeft tegen haar verdere betrokkenheid bij de behandeling van de strafzaken. Gelet hierop lag naar het oordeel van de verschoningskamer een verzoek tot verschoning van de zijde van verzoekster niet voor de hand. Eerder zou het op de weg van verdachten hebben gelegen om te beoordelen of het standpunt van verzoekster – dat zij de strafzaken zou kunnen behandelen – een reden voor hen zou zijn om een wrakingsverzoek in te dienen. Nu het verzoek tot verschoning er evenwel ligt, zal de verschoningskamer dit punt passeren en het verzoek inhoudelijk beoordelen. 3.7 De verschoningskamer is van oordeel dat in de zaak [verdachte] de enkele deelname van verzoekster aan een pro forma zitting, toen nog in haar hoedanigheid van rechter in de rechtbank Overijssel, op zichzelf geen beletsel oplevert om thans als raadsheer deel te nemen aan de meervoudige kamer die in hoger beroep de strafzaak behandelt. Immers, verzoekster is bij die pro forma zitting enkel betrokken geweest bij een beslissing over de voorlopige hechtenis van verdachte, maar heeft geen bemoeienis gehad bij de inhoudelijke behandeling of afdoening van de zaak. In zoverre is er geen reden voor verzoekster om zich te verschonen. In de zaak [verdachte] heeft de meervoudige kamer van de rechtbank waarvan verzoekster deel uitmaakte, een verzoek tot het horen van een getuige afgewezen. Voor het nemen van een dergelijke beslissing is een inhoudelijke toets van het dossier vereist. Om die reden is het bezwaar van de verdediging tegen verdere deelname van verzoekster aan de inhoudelijke behandeling – objectief bezien – voorstelbaar. 3.8 Gelet op hetgeen door verzoekster is aangevoerd en het bezwaar van de raadsman in de strafzaak tegen [verdachte] , is de vrees dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd te achten.