Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-12-16
ECLI:NL:GHARL:2025:8726
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
1,888 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHARL:2025:8726 text/xml public 2026-01-30T16:16:41 2026-01-20 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2025-12-16 23/3076 t/m 23/3081 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2023:7798, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8726 text/html public 2026-01-23T12:54:35 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2025:8726 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 16-12-2025 / 23/3076 t/m 23/3081 Bartels, clustergewijze afdoening, HAW I, poort A. Griffierecht is niet voldaan en het beroep op betalingsonmacht is niet in behandeling genomen vanwege het ontbreken van noodzakelijke informatie. Niet-ontvankelijk. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers BK-ARN 23/3076 t/m 23/3081 uitspraakdatum: 16 december 2025 Uitspraak van de vijfde meervoudige kamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 13 november 2023, nummers UTR 22/373, 22/423 t/m 22/427, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Amersfoort (hierna: de heffingsambtenaar). 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Het hogerberoepschrift is op 1 december 2023 ontvangen ter griffie van het Hof. 1.2. Bij brief van 12 maart 2024, gericht aan het bij het Hof bekende adres van mr. D.A.N. Bartels (hierna: de gemachtigde), heeft de griffier gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van 548. In deze brief is meegedeeld dat het bedrag binnen vier weken na dagtekening van de brief moet zijn bijgeschreven op de in de brief vermelde bankrekening en dat als het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is bijgeschreven het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. 1.3. Bij aangetekende brief van 10 april 2024 gericht aan het bij het Hof bekende adres van de gemachtigde heeft de griffier nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van 548. Ook in deze brief is meegedeeld dat als het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is bijgeschreven op de in de brief vermelde bankrekening, het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. 1.4. De hiervoor bedoelde brieven zijn niet door het Hof retour ontvangen. Uit onderzoek is gebleken dat de aangetekende brief van 10 april 2024 op 12 april 2024 is afgehaald bij een PostNL-punt en dat voor ontvangst is getekend. 1.5. Bij brief van 18 april 2024 heeft de gemachtigde een gestandaardiseerd beroep op betalingsonmacht gedaan. Gelet op eerdere ervaringen met dergelijke (ongefundeerde) beroepen van deze gemachtigde, heeft het Hof bij brief van 1 april 2022 aan de gemachtigde medegedeeld dat een beroep op betalingsonmacht voortaan niet in behandeling wordt genomen, tenzij het met gebruik van de bij die brief gevoegde formulier wordt gedaan of het beroep de daarin gevraagde informatie bevat, op basis waarvan het beroep inhoudelijk kan worden beoordeeld. De brief van 18 april 2024 is niet voorzien van een ingevuld formulier dat daartoe aan de gemachtigde is verstrekt. Evenmin is de in het formulier gevraagde informatie anderszins aangeleverd. Het Hof heeft het beroep op betalingsonmacht daarom niet in behandeling genomen. 1.6. Het griffierecht is niet betaald. 1.7. De onderhavige zaken zijn gaan behoren tot een cluster van zaken waarin de gemachtigde voor verschillende belanghebbenden optreedt, telkens met de heffingsambtenaar als wederpartij. Op 28 mei 2025 heeft het Hof op een regiezitting met partijen procesafspraken gemaakt voor de behandeling van de zaken die tot het cluster behoren. Van de regiezitting is een proces-verbaal opgesteld dat aan partijen is verzonden. Het Hof heeft de procesafspraken voor de clustergewijze behandeling bij brief van 12 juni 2025 bevestigd. 1.8. Het Hof heeft bij brief van 21 juli 2025 een overzicht verstrekt van zaken waarin het griffierecht niet is betaald. De onderhavige zaken staan op dat overzicht. De gemachtigde is daarbij in de gelegenheid gesteld om dit overzicht op juistheid te controleren en daarop schriftelijk te reageren. De gemachtigde heeft niet gereageerd. 1.9. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord de gemachtigde namens belanghebbende en [naam1] namens de heffingsambtenaar. Het proces-verbaal van de zitting is aan partijen toegezonden. 2 Beoordeling door het Hof 2.1. Het verschuldigde griffierecht is niet binnen de gestelde termijn bijgeschreven op de bankrekening die is vermeld in de brief van de griffier. 2.2. Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat de indiener niet in verzuim is geweest. 2.3. Dit betekent dat het hoger beroep volgens artikel 8:108, eerste lid, in samenhang met artikel 8:41, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk moet worden verklaard. 2.4. Gelet op de datum van binnenkomst van het hogerberoepschrift is de redelijke termijn in hoger beroep niet overschreden, zodat het verzoek om vergoeding van immateriële schade moet worden afgewezen. Slotsom 2.5. Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep niet-ontvankelijk. 3 Griffierecht en proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing Het Hof: - verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk, - wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr. J.W. Keuning en mr. V.F.R. Woeltjes, raadsheren, in tegenwoordigheid van A. Tax als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025. De griffier, De voorzitter, A. Tax J.M.W. van de Sande Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.