Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-12-24
ECLI:NL:GHARL:2025:8595
Strafrecht
Hoger beroep
8,992 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003203-24
Uitspraakdatum: 24 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 15 juli 2024 met parketnummer 16-317244-22 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 december 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.H.H. Meulemeesters, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De rechtbank heeft bij vonnis van 15 juli 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van één jaar en een taakstraf voor de duur van 100 uur subsidiair 50 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor, kort gezegd, aanranding en bedreiging met verkrachting.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere beslissing komt en zal daarom opnieuw rechtdoen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 13 november 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] , door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door
- het onverhoeds betasten/bevoelen van de billen van een persoon genaamd [slachtoffer] en/of
- door op die [slachtoffer] te gaan zitten en/of door die [slachtoffer] bij de keel en/of schouders en/of hoofd te pakken, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen,
te weten het betasten/bevoelen van de billen en/of het (tong)zoenen van die [slachtoffer] ;
2.
hij op of omstreeks 13 november 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] [slachtoffer] heeft bedreigd met - verkrachting, en/of - enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of - gijzeling, en/of - zware mishandeling,
door op die [slachtoffer] te gaan zitten en/of
- door de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen, althans door die [slachtoffer] bij de keel vast te grijpen en/of
- door die [slachtoffer] klem te zetten met zijn benen zodat die [slachtoffer] niet weg kon komen en/of
- door tegen die [slachtoffer] te zeggen dat ze naar hem, verdachte moest luisteren anders zou hij haar pijn doen en geweld gebruiken, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of
- door tegen die [slachtoffer] te zeggen "Ik wil dat je mij pijpt dan mag je naar huis" en/of "We gaan nu seks hebben en je gaat meewerken of we gaan het tegen je zin doen, anders ga je pijn krijgen", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De raadsman van verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, nu het recht op een eerlijk proces is geschonden. De raadsman heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat er sprake is van een tijdsverloop van bijna twee jaar tussen de aangifte en het eerste verhoor van verdachte. De verdediging heeft daardoor niet de gelegenheid gehad om al haar verdedigingsrechten naar behoren uit te oefenen.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Voorop wordt gesteld dat volgens vaste rechtspraak overschrijding van de redelijke termijn niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging kan leiden, ook niet in uitzonderlijke gevallen.
Door de raadsman is echter betoogd dat als gevolg van de termijnoverschrijding het recht op een eerlijk proces is geschonden.
Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan als rechtsgevolg in beeld komen
het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “the proceedings as a whole were not fair.”
In de onderhavige zaak heeft [slachtoffer] op 3 december 2020 aangifte gedaan. Verdachte is vervolgens pas op 9 september 2022, dus bijna twee jaar later, door de politie aangehouden en verhoord. Ontegenzeggelijk is dit van invloed geweest op de mogelijkheden van de verdediging haar verdedigingsrechten ten volle uit te oefenen. Het hof zal hier bij de waardering van het bewijs rekening houden. Het hof komt echter niet tot het verstrekkend oordeel dat het proces in zijn geheel niet eerlijk is geweest. De verdediging is immers in de gelegenheid gesteld getuigen te ondervragen en kritische kanttekeningen te plaatsen bij het bewijs. Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wordt dan ook verworpen.
Vrijspraak
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde nu de verklaringen van aangeefster onvoldoende betrouwbaar zijn en het onderzoek door de politie onvolledig is geweest.
Oordeel van het hof
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof als volgt.
Op grond van de uitkomst van het DNA-onderzoek acht het hof de verdenking jegens verdachte op zichzelf gerechtvaardigd. Er is immers een DNA-mengprofiel in de broek van aangeefster aangetroffen waarbij het extreem veel waarschijnlijker is dat verdachte één van de donoren is dan wanneer dit niet zo is. Niettemin is het hof van oordeel dat het opsporingsonderzoek in relevante opzichten onvolledig is gebleven, waardoor het hof onvoldoende kan vaststellen wat er precies is gebeurd.
Verdachte heeft de aan hem tenlastegelegde feiten steeds stellig ontkent. Hij heeft een alternatief scenario naar voren gebracht, inhoudende dat het DNA dat is aangetroffen aan de binnenzijde van de achterzijde van de broekrand van aangeefster, afkomstig zou kunnen zijn van zijn jongere broer.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door mr. G. Dam, mr. J. Steenbrink en mr. D. Stikkelbroeck, in aanwezigheid van de griffier mr. J. Lambriks en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 december 2025.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003203-24
Uitspraakdatum: 24 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 15 juli 2024 met parketnummer 16-317244-22 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 december 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.H.H. Meulemeesters, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De rechtbank heeft bij vonnis van 15 juli 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van één jaar en een taakstraf voor de duur van 100 uur subsidiair 50 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor, kort gezegd, aanranding en bedreiging met verkrachting.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere beslissing komt en zal daarom opnieuw rechtdoen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 13 november 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] , door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door
- het onverhoeds betasten/bevoelen van de billen van een persoon genaamd [slachtoffer] en/of
- door op die [slachtoffer] te gaan zitten en/of door die [slachtoffer] bij de keel en/of schouders en/of hoofd te pakken, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen,
te weten het betasten/bevoelen van de billen en/of het (tong)zoenen van die [slachtoffer] ;
2.
hij op of omstreeks 13 november 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] [slachtoffer] heeft bedreigd met - verkrachting, en/of - enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of - gijzeling, en/of - zware mishandeling,
door op die [slachtoffer] te gaan zitten en/of
- door de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen, althans door die [slachtoffer] bij de keel vast te grijpen en/of
- door die [slachtoffer] klem te zetten met zijn benen zodat die [slachtoffer] niet weg kon komen en/of
- door tegen die [slachtoffer] te zeggen dat ze naar hem, verdachte moest luisteren anders zou hij haar pijn doen en geweld gebruiken, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of
- door tegen die [slachtoffer] te zeggen "Ik wil dat je mij pijpt dan mag je naar huis" en/of "We gaan nu seks hebben en je gaat meewerken of we gaan het tegen je zin doen, anders ga je pijn krijgen", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De raadsman van verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, nu het recht op een eerlijk proces is geschonden. De raadsman heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat er sprake is van een tijdsverloop van bijna twee jaar tussen de aangifte en het eerste verhoor van verdachte. De verdediging heeft daardoor niet de gelegenheid gehad om al haar verdedigingsrechten naar behoren uit te oefenen.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Voorop wordt gesteld dat volgens vaste rechtspraak overschrijding van de redelijke termijn niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging kan leiden, ook niet in uitzonderlijke gevallen.
Door de raadsman is echter betoogd dat als gevolg van de termijnoverschrijding het recht op een eerlijk proces is geschonden.
Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan als rechtsgevolg in beeld komen
het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “the proceedings as a whole were not fair.”
In de onderhavige zaak heeft [slachtoffer] op 3 december 2020 aangifte gedaan. Verdachte is vervolgens pas op 9 september 2022, dus bijna twee jaar later, door de politie aangehouden en verhoord. Ontegenzeggelijk is dit van invloed geweest op de mogelijkheden van de verdediging haar verdedigingsrechten ten volle uit te oefenen. Het hof zal hier bij de waardering van het bewijs rekening houden. Het hof komt echter niet tot het verstrekkend oordeel dat het proces in zijn geheel niet eerlijk is geweest. De verdediging is immers in de gelegenheid gesteld getuigen te ondervragen en kritische kanttekeningen te plaatsen bij het bewijs. Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wordt dan ook verworpen.
Vrijspraak
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde nu de verklaringen van aangeefster onvoldoende betrouwbaar zijn en het onderzoek door de politie onvolledig is geweest.
Oordeel van het hof
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof als volgt.
Op grond van de uitkomst van het DNA-onderzoek acht het hof de verdenking jegens verdachte op zichzelf gerechtvaardigd. Er is immers een DNA-mengprofiel in de broek van aangeefster aangetroffen waarbij het extreem veel waarschijnlijker is dat verdachte één van de donoren is dan wanneer dit niet zo is. Niettemin is het hof van oordeel dat het opsporingsonderzoek in relevante opzichten onvolledig is gebleven, waardoor het hof onvoldoende kan vaststellen wat er precies is gebeurd.
Verdachte heeft de aan hem tenlastegelegde feiten steeds stellig ontkent. Hij heeft een alternatief scenario naar voren gebracht, inhoudende dat het DNA dat is aangetroffen aan de binnenzijde van de achterzijde van de broekrand van aangeefster, afkomstig zou kunnen zijn van zijn jongere broer.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door mr. G. Dam, mr. J. Steenbrink en mr. D. Stikkelbroeck, in aanwezigheid van de griffier mr. J. Lambriks en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 december 2025.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003203-24
Uitspraakdatum: 24 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 15 juli 2024 met parketnummer 16-317244-22 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 december 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.H.H. Meulemeesters, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De rechtbank heeft bij vonnis van 15 juli 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van één jaar en een taakstraf voor de duur van 100 uur subsidiair 50 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor, kort gezegd, aanranding en bedreiging met verkrachting.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere beslissing komt en zal daarom opnieuw rechtdoen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 13 november 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] , door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door
- het onverhoeds betasten/bevoelen van de billen van een persoon genaamd [slachtoffer] en/of
- door op die [slachtoffer] te gaan zitten en/of door die [slachtoffer] bij de keel en/of schouders en/of hoofd te pakken, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen,
te weten het betasten/bevoelen van de billen en/of het (tong)zoenen van die [slachtoffer] ;
2.
hij op of omstreeks 13 november 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] [slachtoffer] heeft bedreigd met - verkrachting, en/of - enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of - gijzeling, en/of - zware mishandeling,
door op die [slachtoffer] te gaan zitten en/of
- door de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen, althans door die [slachtoffer] bij de keel vast te grijpen en/of
- door die [slachtoffer] klem te zetten met zijn benen zodat die [slachtoffer] niet weg kon komen en/of
- door tegen die [slachtoffer] te zeggen dat ze naar hem, verdachte moest luisteren anders zou hij haar pijn doen en geweld gebruiken, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of
- door tegen die [slachtoffer] te zeggen "Ik wil dat je mij pijpt dan mag je naar huis" en/of "We gaan nu seks hebben en je gaat meewerken of we gaan het tegen je zin doen, anders ga je pijn krijgen", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De raadsman van verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, nu het recht op een eerlijk proces is geschonden. De raadsman heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat er sprake is van een tijdsverloop van bijna twee jaar tussen de aangifte en het eerste verhoor van verdachte. De verdediging heeft daardoor niet de gelegenheid gehad om al haar verdedigingsrechten naar behoren uit te oefenen.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Voorop wordt gesteld dat volgens vaste rechtspraak overschrijding van de redelijke termijn niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging kan leiden, ook niet in uitzonderlijke gevallen.
Door de raadsman is echter betoogd dat als gevolg van de termijnoverschrijding het recht op een eerlijk proces is geschonden.
Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan als rechtsgevolg in beeld komen
het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “the proceedings as a whole were not fair.”
In de onderhavige zaak heeft [slachtoffer] op 3 december 2020 aangifte gedaan. Verdachte is vervolgens pas op 9 september 2022, dus bijna twee jaar later, door de politie aangehouden en verhoord. Ontegenzeggelijk is dit van invloed geweest op de mogelijkheden van de verdediging haar verdedigingsrechten ten volle uit te oefenen. Het hof zal hier bij de waardering van het bewijs rekening houden. Het hof komt echter niet tot het verstrekkend oordeel dat het proces in zijn geheel niet eerlijk is geweest. De verdediging is immers in de gelegenheid gesteld getuigen te ondervragen en kritische kanttekeningen te plaatsen bij het bewijs. Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wordt dan ook verworpen.
Vrijspraak
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde nu de verklaringen van aangeefster onvoldoende betrouwbaar zijn en het onderzoek door de politie onvolledig is geweest.
Oordeel van het hof
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof als volgt.
Op grond van de uitkomst van het DNA-onderzoek acht het hof de verdenking jegens verdachte op zichzelf gerechtvaardigd. Er is immers een DNA-mengprofiel in de broek van aangeefster aangetroffen waarbij het extreem veel waarschijnlijker is dat verdachte één van de donoren is dan wanneer dit niet zo is. Niettemin is het hof van oordeel dat het opsporingsonderzoek in relevante opzichten onvolledig is gebleven, waardoor het hof onvoldoende kan vaststellen wat er precies is gebeurd.
Verdachte heeft de aan hem tenlastegelegde feiten steeds stellig ontkent. Hij heeft een alternatief scenario naar voren gebracht, inhoudende dat het DNA dat is aangetroffen aan de binnenzijde van de achterzijde van de broekrand van aangeefster, afkomstig zou kunnen zijn van zijn jongere broer.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door mr. G. Dam, mr. J. Steenbrink en mr. D. Stikkelbroeck, in aanwezigheid van de griffier mr. J. Lambriks en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 december 2025.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003203-24
Uitspraakdatum: 24 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 15 juli 2024 met parketnummer 16-317244-22 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 december 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.H.H. Meulemeesters, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De rechtbank heeft bij vonnis van 15 juli 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van één jaar en een taakstraf voor de duur van 100 uur subsidiair 50 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor, kort gezegd, aanranding en bedreiging met verkrachting.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere beslissing komt en zal daarom opnieuw rechtdoen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 13 november 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] , door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door
- het onverhoeds betasten/bevoelen van de billen van een persoon genaamd [slachtoffer] en/of
- door op die [slachtoffer] te gaan zitten en/of door die [slachtoffer] bij de keel en/of schouders en/of hoofd te pakken, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen,
te weten het betasten/bevoelen van de billen en/of het (tong)zoenen van die [slachtoffer] ;
2.
hij op of omstreeks 13 november 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] [slachtoffer] heeft bedreigd met - verkrachting, en/of - enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of - gijzeling, en/of - zware mishandeling,
door op die [slachtoffer] te gaan zitten en/of
- door de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen, althans door die [slachtoffer] bij de keel vast te grijpen en/of
- door die [slachtoffer] klem te zetten met zijn benen zodat die [slachtoffer] niet weg kon komen en/of
- door tegen die [slachtoffer] te zeggen dat ze naar hem, verdachte moest luisteren anders zou hij haar pijn doen en geweld gebruiken, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of
- door tegen die [slachtoffer] te zeggen "Ik wil dat je mij pijpt dan mag je naar huis" en/of "We gaan nu seks hebben en je gaat meewerken of we gaan het tegen je zin doen, anders ga je pijn krijgen", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De raadsman van verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, nu het recht op een eerlijk proces is geschonden. De raadsman heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat er sprake is van een tijdsverloop van bijna twee jaar tussen de aangifte en het eerste verhoor van verdachte. De verdediging heeft daardoor niet de gelegenheid gehad om al haar verdedigingsrechten naar behoren uit te oefenen.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Voorop wordt gesteld dat volgens vaste rechtspraak overschrijding van de redelijke termijn niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging kan leiden, ook niet in uitzonderlijke gevallen.
Door de raadsman is echter betoogd dat als gevolg van de termijnoverschrijding het recht op een eerlijk proces is geschonden.
Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan als rechtsgevolg in beeld komen
het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “the proceedings as a whole were not fair.”
In de onderhavige zaak heeft [slachtoffer] op 3 december 2020 aangifte gedaan. Verdachte is vervolgens pas op 9 september 2022, dus bijna twee jaar later, door de politie aangehouden en verhoord. Ontegenzeggelijk is dit van invloed geweest op de mogelijkheden van de verdediging haar verdedigingsrechten ten volle uit te oefenen. Het hof zal hier bij de waardering van het bewijs rekening houden. Het hof komt echter niet tot het verstrekkend oordeel dat het proces in zijn geheel niet eerlijk is geweest. De verdediging is immers in de gelegenheid gesteld getuigen te ondervragen en kritische kanttekeningen te plaatsen bij het bewijs. Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wordt dan ook verworpen.
Vrijspraak
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde nu de verklaringen van aangeefster onvoldoende betrouwbaar zijn en het onderzoek door de politie onvolledig is geweest.
Oordeel van het hof
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof als volgt.
Op grond van de uitkomst van het DNA-onderzoek acht het hof de verdenking jegens verdachte op zichzelf gerechtvaardigd. Er is immers een DNA-mengprofiel in de broek van aangeefster aangetroffen waarbij het extreem veel waarschijnlijker is dat verdachte één van de donoren is dan wanneer dit niet zo is. Niettemin is het hof van oordeel dat het opsporingsonderzoek in relevante opzichten onvolledig is gebleven, waardoor het hof onvoldoende kan vaststellen wat er precies is gebeurd.
Verdachte heeft de aan hem tenlastegelegde feiten steeds stellig ontkent. Hij heeft een alternatief scenario naar voren gebracht, inhoudende dat het DNA dat is aangetroffen aan de binnenzijde van de achterzijde van de broekrand van aangeefster, afkomstig zou kunnen zijn van zijn jongere broer.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door mr. G. Dam, mr. J. Steenbrink en mr. D. Stikkelbroeck, in aanwezigheid van de griffier mr. J. Lambriks en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 december 2025.