Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-02-18
ECLI:NL:GHARL:2025:858
Civiel recht
Hoger beroep
8,125 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2025:858 text/xml public 2026-04-29T10:13:16 2025-02-19 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2025-02-18 200.331.330 Uitspraak Hoger beroep Tussenuitspraak NL Arnhem Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:858 text/html public 2026-04-29T10:13:08 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2025:858 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 18-02-2025 / 200.331.330 Mede-eigendom, eenvoudige gemeenschap, afspraak over ieders aandeel waarbij wordt afgeweken van wettelijk uitgangspunt van art. 3:116 BW. Bewijs geleverd dat vader en zoon de mede-eigendomsconstructie ten aan zien van de woning zijn aangegaan met de bedoeling dat in hun onderlinge verhouding de vader als 100% eigenaar zou gelden. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.331.330 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/54316 / HA ZA 22-423 arrest van 18 februari 2025 in de zaak van [appellant] die woont in [woonplaats] die hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als eiser in conventie en gedaagde in reconventie hierna: [appellant] advocaat: mr. T.B. van Dreumel tegen [geïntimeerde] (in haar hoedanigheid van erfgename van [erflater] , die bij leven woonde in [woonplaats] en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiser in reconventie) die woont in [woonplaats] die ook hoger beroep heeft ingesteld hierna: [geïntimeerde] en [erflater] advocaat: mr. J.C. van Vliet 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de rechtbank) op 24 mei 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep de akte rechtsmiddelenregister de memorie van grieven de akte schorsing rechtsgeding de antwoordakte de akte hervatting rechtsgeding de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep 1.2. Het rechtsgeding was enige tijd geschorst op de voet van artikel 353 jo 225 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vanwege het overlijden van [erflater] [in] 2023. Met instemming van [appellant] is het rechtsgeding door [geïntimeerde] , als rechtsopvolger onder algemene titel (enig erfgenaam) van [erflater] , hervat in de stand waarin het zich bevond. 2 De kern van de zaak 2.1. [erflater] is de vader van [appellant] , die is geboren uit het huwelijk van [erflater] met [belanghebbende1] (hierna: [belanghebbende1] ). In mei 1980 hebben [appellant] (toen 22 jaar) en [erflater] samen een winkel-woonhuis gekocht aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning), waarvoor zij gezamenlijk een hypothecaire geldlening zijn aangegaan. Daarnaast zijn verzekeringen afgesloten met betrekking tot de woning (opstal en inboedel). Zij woonden sindsdien, met hun gezinsleden, in de woning. In 1981 is de woning ernstig beschadigd geraakt door brand. Met behulp van de uitkering van de opstalverzekering is de hypothecaire geldlening in zijn geheel afgelost. Vanaf medio 1982 tot medio 2000 is de woning in eigen beheer hersteld. [appellant] heeft (net als alle bewoners van de woning) na de brand tijdelijk elders gewoond. Vanaf medio 1983 tot september 1993 heeft hij in een deel van de woning gewoond. In die periode is [belanghebbende1] overleden. Daarna is [erflater] met [geïntimeerde] gehuwd. In 1993 is [appellant] met zijn gezin naar een andere woning verhuisd. Partijen zijn gebrouilleerd geraakt. Zij hebben geprobeerd om te komen tot verdeling van de woning, maar dat is niet gelukt. 2.2. [appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd - kort gezegd - de vaststelling van de verdeling door verkoop van de woning en verdeling van de netto-opbrengst bij helfte, met veroordeling van [erflater] tot betaling van € 519.000 uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking/onverschuldigde betaling, met verklaringen voor recht en rente en kosten. Volgens [appellant] is het aandeel van partijen in de gemeenschap bestaande uit de woning gelijk, dus ieder 50%, en is verdeling van de netto-opbrengst na openbare verkoop van de woning in deze zaak passend. Verder vindt hij dat [erflater] vanaf september 1993 ten koste van hem is verrijkt, omdat [erflater] het deel van het woongenot dat aan hem toebehoorde heeft verhuurd zonder de inkomsten daarvan te delen, dan wel dat hij onverschuldigd heeft betaald aan [erflater] door zijn deel van het woongenot te verschaffen zonder daarvoor een tegenprestatie te ontvangen. Daarom vordert hij alsnog een bedrag van € 519.000,00 als vergoeding daarvoor. [erflater] voert hiertegen verweer. 2.3. [erflater] heeft bij de rechtbank een tegenvordering ingesteld. Hij wilde - kort gezegd - vaststelling van de verdeling door toedeling van het aandeel van [appellant] aan [erflater] zonder vergoeding van overwaarde, met veroordeling van [appellant] tot betaling aan [erflater] van € 265.194,51 (uit hoofde van vergoeding voor gemaakte kosten voor de woning) met verklaringen voor recht en rente en kosten. Volgens [erflater] berust het mede-eigendom van [appellant] slechts op een papieren constructie. [erflater] was en is feitelijk de enig eigenaar. Op grond van de redelijkheid en billijkheid tussen partijen geldt dat het aandeel van [erflater] in de eigendom van de woning niet 50% is, maar 100%, althans via vergoedingsrechten 91,6% dan wel 80,36%. Verder is [appellant] € 265.194,51 aan hem verschuldigd, vermeerderd met wettelijke rente, omdat [appellant] nooit heeft bijgedragen aan de uitgaven ten behoeve van de woning en ook niet wil bijdragen aan de noodzakelijke aanstaande verbouwing. [appellant] voert hiertegen verweer. 2.4. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank: als wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap vastgesteld dat de woning wordt toebedeeld aan [erflater] zonder dat aan [appellant] een vergoeding toekomt, met bepaling dat partijen hun medewerking dienen te verlenen aan de levering van de woning aan [erflater] op een door de notaris te bepalen datum en tijdstip en dat indien [appellant] deze medewerking niet verleent, dit vonnis in de plaats treedt van de voor levering van de woning vereiste wilsverklaring van [appellant] in de notariële akte en dat partijen elk gehouden zijn om de helft van de kosten, verbonden aan de uitvoering van deze verdeling, te voldoen. Dit vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de rechtbank heeft de kosten van deze procedure tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Alles wat meer of anders was gevorderd heeft de rechtbank afgewezen. De beslissing ten aanzien van de verdeling is - naar de kern - ingegeven door het oordeel van de rechtbank dat [erflater] voldoende feiten en omstandigheden aangevoerd en onderbouwd om aan te kunnen nemen dat partijen de mede-eigendomsconstructie zijn aangegaan met de bedoeling dat [erflater] in hun onderlinge verhouding als 100% eigenaar van de woning zou gelden met de bijbehorende lusten en lasten. 2.5. [erflater] heeft het bestreden vonnis ten uitvoer gelegd. Op 1 augustus 2023 is de woning aan hem geleverd, met inschrijving hiervan in de openbare registers op 2 augustus 2023. De kosten van de levering zijn door partijen bij helfte (ieder € 710,05) gedragen. 2.6. De inzet van het (principaal) hoger beroep van [appellant] is dat de bestreden beslissing wordt vernietigd en dat zijn (gewijzigde) vordering wordt toegewezen. Die strekt ertoe dat de gemeenschap wordt verdeeld, anders dan door toedeling van de woning aan [appellant] (het hof begrijpt: dus door verkoop van de woning aan een derde met gelijke verdeling van de netto-opbrengst of door toedeling van de woning aan [erflater] tegen vergoeding van de overwaarde aan [appellant] ). Verder wil [appellant] dat zijn overige vorderingen alsnog worden toegewezen en dat hij terugbetaald krijgt wat hij sinds het bestreden vonnis heeft voldaan, met veroordeling van [erflater] in de proceskosten (met rente) in beide instanties.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2025:858 text/xml public 2026-04-29T10:13:16 2025-02-19 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2025-02-18 200.331.330 Uitspraak Hoger beroep Tussenuitspraak NL Arnhem Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:858 text/html public 2026-04-29T10:13:08 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2025:858 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 18-02-2025 / 200.331.330 Mede-eigendom, eenvoudige gemeenschap, afspraak over ieders aandeel waarbij wordt afgeweken van wettelijk uitgangspunt van art. 3:116 BW. Bewijs geleverd dat vader en zoon de mede-eigendomsconstructie ten aan zien van de woning zijn aangegaan met de bedoeling dat in hun onderlinge verhouding de vader als 100% eigenaar zou gelden. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.331.330 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/54316 / HA ZA 22-423 arrest van 18 februari 2025 in de zaak van [appellant] die woont in [woonplaats] die hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als eiser in conventie en gedaagde in reconventie hierna: [appellant] advocaat: mr. T.B. van Dreumel tegen [geïntimeerde] (in haar hoedanigheid van erfgename van [erflater] , die bij leven woonde in [woonplaats] en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiser in reconventie) die woont in [woonplaats] die ook hoger beroep heeft ingesteld hierna: [geïntimeerde] en [erflater] advocaat: mr. J.C. van Vliet 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de rechtbank) op 24 mei 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep de akte rechtsmiddelenregister de memorie van grieven de akte schorsing rechtsgeding de antwoordakte de akte hervatting rechtsgeding de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep 1.2. Het rechtsgeding was enige tijd geschorst op de voet van artikel 353 jo 225 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vanwege het overlijden van [erflater] [in] 2023. Met instemming van [appellant] is het rechtsgeding door [geïntimeerde] , als rechtsopvolger onder algemene titel (enig erfgenaam) van [erflater] , hervat in de stand waarin het zich bevond. 2 De kern van de zaak 2.1. [erflater] is de vader van [appellant] , die is geboren uit het huwelijk van [erflater] met [belanghebbende1] (hierna: [belanghebbende1] ). In mei 1980 hebben [appellant] (toen 22 jaar) en [erflater] samen een winkel-woonhuis gekocht aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning), waarvoor zij gezamenlijk een hypothecaire geldlening zijn aangegaan. Daarnaast zijn verzekeringen afgesloten met betrekking tot de woning (opstal en inboedel). Zij woonden sindsdien, met hun gezinsleden, in de woning. In 1981 is de woning ernstig beschadigd geraakt door brand. Met behulp van de uitkering van de opstalverzekering is de hypothecaire geldlening in zijn geheel afgelost. Vanaf medio 1982 tot medio 2000 is de woning in eigen beheer hersteld. [appellant] heeft (net als alle bewoners van de woning) na de brand tijdelijk elders gewoond. Vanaf medio 1983 tot september 1993 heeft hij in een deel van de woning gewoond. In die periode is [belanghebbende1] overleden. Daarna is [erflater] met [geïntimeerde] gehuwd. In 1993 is [appellant] met zijn gezin naar een andere woning verhuisd. Partijen zijn gebrouilleerd geraakt. Zij hebben geprobeerd om te komen tot verdeling van de woning, maar dat is niet gelukt. 2.2. [appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd - kort gezegd - de vaststelling van de verdeling door verkoop van de woning en verdeling van de netto-opbrengst bij helfte, met veroordeling van [erflater] tot betaling van € 519.000 uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking/onverschuldigde betaling, met verklaringen voor recht en rente en kosten. Volgens [appellant] is het aandeel van partijen in de gemeenschap bestaande uit de woning gelijk, dus ieder 50%, en is verdeling van de netto-opbrengst na openbare verkoop van de woning in deze zaak passend. Verder vindt hij dat [erflater] vanaf september 1993 ten koste van hem is verrijkt, omdat [erflater] het deel van het woongenot dat aan hem toebehoorde heeft verhuurd zonder de inkomsten daarvan te delen, dan wel dat hij onverschuldigd heeft betaald aan [erflater] door zijn deel van het woongenot te verschaffen zonder daarvoor een tegenprestatie te ontvangen. Daarom vordert hij alsnog een bedrag van € 519.000,00 als vergoeding daarvoor. [erflater] voert hiertegen verweer. 2.3. [erflater] heeft bij de rechtbank een tegenvordering ingesteld. Hij wilde - kort gezegd - vaststelling van de verdeling door toedeling van het aandeel van [appellant] aan [erflater] zonder vergoeding van overwaarde, met veroordeling van [appellant] tot betaling aan [erflater] van € 265.194,51 (uit hoofde van vergoeding voor gemaakte kosten voor de woning) met verklaringen voor recht en rente en kosten. Volgens [erflater] berust het mede-eigendom van [appellant] slechts op een papieren constructie. [erflater] was en is feitelijk de enig eigenaar. Op grond van de redelijkheid en billijkheid tussen partijen geldt dat het aandeel van [erflater] in de eigendom van de woning niet 50% is, maar 100%, althans via vergoedingsrechten 91,6% dan wel 80,36%. Verder is [appellant] € 265.194,51 aan hem verschuldigd, vermeerderd met wettelijke rente, omdat [appellant] nooit heeft bijgedragen aan de uitgaven ten behoeve van de woning en ook niet wil bijdragen aan de noodzakelijke aanstaande verbouwing. [appellant] voert hiertegen verweer. 2.4. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank: als wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap vastgesteld dat de woning wordt toebedeeld aan [erflater] zonder dat aan [appellant] een vergoeding toekomt, met bepaling dat partijen hun medewerking dienen te verlenen aan de levering van de woning aan [erflater] op een door de notaris te bepalen datum en tijdstip en dat indien [appellant] deze medewerking niet verleent, dit vonnis in de plaats treedt van de voor levering van de woning vereiste wilsverklaring van [appellant] in de notariële akte en dat partijen elk gehouden zijn om de helft van de kosten, verbonden aan de uitvoering van deze verdeling, te voldoen. Dit vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de rechtbank heeft de kosten van deze procedure tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Alles wat meer of anders was gevorderd heeft de rechtbank afgewezen. De beslissing ten aanzien van de verdeling is - naar de kern - ingegeven door het oordeel van de rechtbank dat [erflater] voldoende feiten en omstandigheden aangevoerd en onderbouwd om aan te kunnen nemen dat partijen de mede-eigendomsconstructie zijn aangegaan met de bedoeling dat [erflater] in hun onderlinge verhouding als 100% eigenaar van de woning zou gelden met de bijbehorende lusten en lasten. 2.5. [erflater] heeft het bestreden vonnis ten uitvoer gelegd. Op 1 augustus 2023 is de woning aan hem geleverd, met inschrijving hiervan in de openbare registers op 2 augustus 2023. De kosten van de levering zijn door partijen bij helfte (ieder € 710,05) gedragen. 2.6. De inzet van het (principaal) hoger beroep van [appellant] is dat de bestreden beslissing wordt vernietigd en dat zijn (gewijzigde) vordering wordt toegewezen. Die strekt ertoe dat de gemeenschap wordt verdeeld, anders dan door toedeling van de woning aan [appellant] (het hof begrijpt: dus door verkoop van de woning aan een derde met gelijke verdeling van de netto-opbrengst of door toedeling van de woning aan [erflater] tegen vergoeding van de overwaarde aan [appellant] ). Verder wil [appellant] dat zijn overige vorderingen alsnog worden toegewezen en dat hij terugbetaald krijgt wat hij sinds het bestreden vonnis heeft voldaan, met veroordeling van [erflater] in de proceskosten (met rente) in beide instanties.
Volledig
Zijn drie grieven (bezwaren) tegen het bestreden vonnis betreffen delen van de weergave in het proces-verbaal, het oordeel over de “papieren constructie” (en de daarop gebaseerde vaststelling van de wijze van verdeling) en de afwijzing van de geldvorderingen van [appellant] [geïntimeerde] voert verweer. 2.7. Het (incidenteel) hoger beroep van [geïntimeerde] is zo ingericht, dat zij vordert om het bestreden vonnis gedeeltelijk te vernietigen en voor het overige te bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten (met rente) in beide instanties. Haar eerste grief ziet op de vaststelling van rechtsoverweging waarin is geoordeeld dat [erflater] en [appellant] de opstal- en inboedelverzekeringen (samen) hebben afgesloten, omdat alleen [erflater] verzekeringnemer was. Haar tweede grief is voorwaardelijk, dat wil zeggen dat die alleen is opgeworpen voor het geval het hof anders oordeelt over het exclusieve economisch eigendom van de woning van [erflater] (en, op grond daarvan, tot een andere verdelingswijze komt dan de rechtbank). In dat geval wil [geïntimeerde] alsnog toewijzing van de geldvorderingen van [erflater] Dit alles met veroordeling van [erflater] in de proceskosten (met rente) in beide instanties. [appellant] voert verweer. 3 Het oordeel van het hof 3.1. Centraal in dit geschil staat de vraag wie vanaf 1 mei 1980 eigenaar is/was van de woning. Het hof gaat bij de beoordeling uit van het volgende. Bij notariële akte van 1 mei 1980 is de woning geleverd (in eigendom overgedragen) aan [erflater] en [appellant] , die na inschrijving hiervan in de openbare registers beiden geregistreerd stonden als (ieder voor de helft) gerechtigde. Hiermee is tussen hen een eenvoudige gemeenschap ontstaan als bedoeld in art. 3:116 BW. Uit het tweede lid van die bepaling vloeit voort dat de aandelen van beide deelgenoten gelijk zijn, tenzij uit de rechtsverhouding anders voortvloeit. De deelgenoot die zich op deze “tenzij” bepaling beroept zal daarvoor (volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv) voldoende moeten aandragen (stellen) en, als de wederpartij deze stellingen weerspreekt, daarvoor het bewijs moeten leveren. 3.2. Volgens [geïntimeerde] betreft de mede-eigendom in dit geval slechts een papieren constructie, die niet overeenstemt met de onderliggende afspraken en de bedoeling van partijen. Dat het huis en de hypotheekschuld ook op naam van [appellant] zijn gezet was een formaliteit om tegemoet te komen aan de eisen van de bank, die een aanvullende zekerheidstelling nodig achtte. [appellant] heeft zijn medewerking hieraan verleend om zijn vader te helpen om de woning te verwerven, waarbij het duidelijk de bedoeling was dat [erflater] in materieel/economisch volledig eigenaar zou zijn, zonder dat [appellant] ooit tegenover hem enige aanspraak zou hebben betreffende de woning. Partijen hebben zich ook naar deze onderliggende afspraken gedragen. Verder blijkt het feitelijk enig-eigenaarschap van [erflater] uit het feit dat alleen hij uitgaven deed voor de aankoop van de woning, aflossing van de hypotheek, vergunningen, verzekeringspremies, belastingheffingen, de herbouw, enzovoort. [appellant] hield zich hier verre van. Hij betaalde huurpenningen aan [erflater] in de periode dat hij in de woning woonde. In 1993 vertrok hij omdat hij een voor hem en zijn gezinsleden geschiktere huurwoning kon krijgen. Daarna heeft hij niets meer bijgedragen. Pas in 2009 zijn partijen gebrouilleerd geraakt. Hieruit blijkt dat [erflater] in economische zin volledig eigenaar was. Daarom wenst [geïntimeerde] het aandeel van [erflater] op 100% en het aandeel van [appellant] op 0% gesteld te zien, door toedeling zonder vergoeding zoals in het bestreden vonnis is bepaald. In de door [geïntimeerde] gegeven onderbouwing (en bijbehorend bewijsaanbod) zijn te onderscheiden stellingen ten aanzien van de gemaakte afspraken zelf en ten aanzien van de gedragingen van [erflater] en [appellant] na het aanschaffen van de woning waaruit die afspraak blijkt. 3.3. [appellant] weerspreekt deze uitleg van [geïntimeerde] , die in het bestreden vonnis grotendeels is gevolgd, in alle opzichten. [erflater] en [appellant] kochten de woning bewust samen, juist vanwege de bedoeling er samen (met hun gezinsleden) te gaan wonen. Dat [erflater] de woning niet alleen kon financieren maakt dit niet anders. De eerste bewoning door de familie was van korte duur vanwege de brand en de nodige herstelwerkzaamheden. De hypothecaire schuld werd met de uitkering van de opstalverzekering volledig afgelost. [erflater] en [appellant] hebben de woning daarna in eigen beheer opgeknapt (grotendeels met de uitkering van de inboedelverzekering) en zijn er weer gaan wonen met hun gezinsleden. [appellant] betaalde in die periode geen huurpenningen maar een maandelijkse bijdrage waarmee de resterende eigenaars- en gebruikslasten ruimschoots konden worden voldaan. De voornaamste reden dat [appellant] in 1993 vertrok uit de woning is gelegen in de ernstig verslechterde verhoudingen die waren ontstaan na het overlijden van zijn moeder, [belanghebbende1] , en het hertrouwen van [erflater] met [geïntimeerde] . [appellant] heeft sindsdien dus geen gebruik meer kunnen maken van zijn deel van de woning, zonder dat hij daarvoor door [erflater] werd gecompenseerd. [erflater] verhuurde de vrijgekomen ruimtes en streek daarvoor de huurpenningen op. Om die redenen heeft [appellant] niet langer bijgedragen in de betrekkelijk geringe (eigenaars)lasten die na de aflossing van de hypotheekschuld resteerden en evenmin aan door [erflater] gewenste verbouwingen. 3.4. De rechtbank heeft (als onvoldoende weersproken en dus vaststaand) aangenomen dat partijen de mede-eigendomsconstructie zijn aangegaan met de bedoeling dat [erflater] in hun onderlinge verhouding als 100% eigenaar van de woning zou gelden met de bijbehorende lusten en lasten. Met zijn tweede grief richt [appellant] zich in hoger beroep tegen dit oordeel van de rechtbank. Deze grief slaagt. Zowel ten aanzien van de gemaakte afspraken rondom de koop van de woning en het aangaan van de financiering en als ten aanzien van de (duidingen van) de gedragingen en betalingen over en weer sindsdien heeft [appellant] de stellingen voldoende gemotiveerd betwist. Met de aangeleverde bewijsstukken (waaronder diverse op schrift gestelde getuigenverklaringen en een weergave van een gesprek) is, gelet op die betwisting, het bewijs nog niet geleverd. Gelet op het bewijsaanbod van [geïntimeerde] zal het hof laatstgenoemde alsnog toelaten te bewijzen dat [erflater] en [appellant] de mede-eigendomsconstructie zijn aangegaan met de bedoeling dat [erflater] in hun onderlinge verhouding als 100% eigenaar van de woning zou gelden. 3.5. Als [geïntimeerde] daarin slaagt, zal daarmee komen vast te staan dat uit de rechtsverhouding tussen [erflater] en [appellant] voortvloeit dat het aandeel van [erflater] in de eenvoudige gemeenschap ten aanzien van de woning 100% was tegenover het aandeel van [appellant] dat 0% was. Hieruit zou ook volgen dat de “lasten en lusten” verbonden aan de eigendom van de woning geheel voor [erflater] waren. Dat betekent dat dan de toedeling van de woning aan [erflater] (zonder enige vergoeding aan [appellant] ) in stand blijft en dat aan de voorwaardelijke subsidiaire vordering in incidenteel appel niet wordt toegekomen. Als het bewijs niet wordt geleverd zal in hoger beroep alsnog over de verdeling en overige (voorwaardelijke) vorderingen over en weer dienen te worden beslist. 3.6. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. 4 De beslissing Het hof, voordat het in hoger beroep verder beslist: 4.1. laat [geïntimeerde] toe te bewijzen dat [erflater] en [appellant] de mede-eigendomsconstructie ten aanzien van het pand met winkel met woonhuis aan de [adres] in [woonplaats] de zijn aangegaan met de bedoeling dat [erflater] in hun onderlinge verhouding als 100% eigenaar zou gelden; bepaalt verder dat: 4.2. als getuigen worden gehoord, raadsheer-commissaris mr. K. Mans de getuigen zal verhoren in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem. Partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn; 4.3.
Volledig
Zijn drie grieven (bezwaren) tegen het bestreden vonnis betreffen delen van de weergave in het proces-verbaal, het oordeel over de “papieren constructie” (en de daarop gebaseerde vaststelling van de wijze van verdeling) en de afwijzing van de geldvorderingen van [appellant] [geïntimeerde] voert verweer. 2.7. Het (incidenteel) hoger beroep van [geïntimeerde] is zo ingericht, dat zij vordert om het bestreden vonnis gedeeltelijk te vernietigen en voor het overige te bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten (met rente) in beide instanties. Haar eerste grief ziet op de vaststelling van rechtsoverweging waarin is geoordeeld dat [erflater] en [appellant] de opstal- en inboedelverzekeringen (samen) hebben afgesloten, omdat alleen [erflater] verzekeringnemer was. Haar tweede grief is voorwaardelijk, dat wil zeggen dat die alleen is opgeworpen voor het geval het hof anders oordeelt over het exclusieve economisch eigendom van de woning van [erflater] (en, op grond daarvan, tot een andere verdelingswijze komt dan de rechtbank). In dat geval wil [geïntimeerde] alsnog toewijzing van de geldvorderingen van [erflater] Dit alles met veroordeling van [erflater] in de proceskosten (met rente) in beide instanties. [appellant] voert verweer. 3 Het oordeel van het hof 3.1. Centraal in dit geschil staat de vraag wie vanaf 1 mei 1980 eigenaar is/was van de woning. Het hof gaat bij de beoordeling uit van het volgende. Bij notariële akte van 1 mei 1980 is de woning geleverd (in eigendom overgedragen) aan [erflater] en [appellant] , die na inschrijving hiervan in de openbare registers beiden geregistreerd stonden als (ieder voor de helft) gerechtigde. Hiermee is tussen hen een eenvoudige gemeenschap ontstaan als bedoeld in art. 3:116 BW. Uit het tweede lid van die bepaling vloeit voort dat de aandelen van beide deelgenoten gelijk zijn, tenzij uit de rechtsverhouding anders voortvloeit. De deelgenoot die zich op deze “tenzij” bepaling beroept zal daarvoor (volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv) voldoende moeten aandragen (stellen) en, als de wederpartij deze stellingen weerspreekt, daarvoor het bewijs moeten leveren. 3.2. Volgens [geïntimeerde] betreft de mede-eigendom in dit geval slechts een papieren constructie, die niet overeenstemt met de onderliggende afspraken en de bedoeling van partijen. Dat het huis en de hypotheekschuld ook op naam van [appellant] zijn gezet was een formaliteit om tegemoet te komen aan de eisen van de bank, die een aanvullende zekerheidstelling nodig achtte. [appellant] heeft zijn medewerking hieraan verleend om zijn vader te helpen om de woning te verwerven, waarbij het duidelijk de bedoeling was dat [erflater] in materieel/economisch volledig eigenaar zou zijn, zonder dat [appellant] ooit tegenover hem enige aanspraak zou hebben betreffende de woning. Partijen hebben zich ook naar deze onderliggende afspraken gedragen. Verder blijkt het feitelijk enig-eigenaarschap van [erflater] uit het feit dat alleen hij uitgaven deed voor de aankoop van de woning, aflossing van de hypotheek, vergunningen, verzekeringspremies, belastingheffingen, de herbouw, enzovoort. [appellant] hield zich hier verre van. Hij betaalde huurpenningen aan [erflater] in de periode dat hij in de woning woonde. In 1993 vertrok hij omdat hij een voor hem en zijn gezinsleden geschiktere huurwoning kon krijgen. Daarna heeft hij niets meer bijgedragen. Pas in 2009 zijn partijen gebrouilleerd geraakt. Hieruit blijkt dat [erflater] in economische zin volledig eigenaar was. Daarom wenst [geïntimeerde] het aandeel van [erflater] op 100% en het aandeel van [appellant] op 0% gesteld te zien, door toedeling zonder vergoeding zoals in het bestreden vonnis is bepaald. In de door [geïntimeerde] gegeven onderbouwing (en bijbehorend bewijsaanbod) zijn te onderscheiden stellingen ten aanzien van de gemaakte afspraken zelf en ten aanzien van de gedragingen van [erflater] en [appellant] na het aanschaffen van de woning waaruit die afspraak blijkt. 3.3. [appellant] weerspreekt deze uitleg van [geïntimeerde] , die in het bestreden vonnis grotendeels is gevolgd, in alle opzichten. [erflater] en [appellant] kochten de woning bewust samen, juist vanwege de bedoeling er samen (met hun gezinsleden) te gaan wonen. Dat [erflater] de woning niet alleen kon financieren maakt dit niet anders. De eerste bewoning door de familie was van korte duur vanwege de brand en de nodige herstelwerkzaamheden. De hypothecaire schuld werd met de uitkering van de opstalverzekering volledig afgelost. [erflater] en [appellant] hebben de woning daarna in eigen beheer opgeknapt (grotendeels met de uitkering van de inboedelverzekering) en zijn er weer gaan wonen met hun gezinsleden. [appellant] betaalde in die periode geen huurpenningen maar een maandelijkse bijdrage waarmee de resterende eigenaars- en gebruikslasten ruimschoots konden worden voldaan. De voornaamste reden dat [appellant] in 1993 vertrok uit de woning is gelegen in de ernstig verslechterde verhoudingen die waren ontstaan na het overlijden van zijn moeder, [belanghebbende1] , en het hertrouwen van [erflater] met [geïntimeerde] . [appellant] heeft sindsdien dus geen gebruik meer kunnen maken van zijn deel van de woning, zonder dat hij daarvoor door [erflater] werd gecompenseerd. [erflater] verhuurde de vrijgekomen ruimtes en streek daarvoor de huurpenningen op. Om die redenen heeft [appellant] niet langer bijgedragen in de betrekkelijk geringe (eigenaars)lasten die na de aflossing van de hypotheekschuld resteerden en evenmin aan door [erflater] gewenste verbouwingen. 3.4. De rechtbank heeft (als onvoldoende weersproken en dus vaststaand) aangenomen dat partijen de mede-eigendomsconstructie zijn aangegaan met de bedoeling dat [erflater] in hun onderlinge verhouding als 100% eigenaar van de woning zou gelden met de bijbehorende lusten en lasten. Met zijn tweede grief richt [appellant] zich in hoger beroep tegen dit oordeel van de rechtbank. Deze grief slaagt. Zowel ten aanzien van de gemaakte afspraken rondom de koop van de woning en het aangaan van de financiering en als ten aanzien van de (duidingen van) de gedragingen en betalingen over en weer sindsdien heeft [appellant] de stellingen voldoende gemotiveerd betwist. Met de aangeleverde bewijsstukken (waaronder diverse op schrift gestelde getuigenverklaringen en een weergave van een gesprek) is, gelet op die betwisting, het bewijs nog niet geleverd. Gelet op het bewijsaanbod van [geïntimeerde] zal het hof laatstgenoemde alsnog toelaten te bewijzen dat [erflater] en [appellant] de mede-eigendomsconstructie zijn aangegaan met de bedoeling dat [erflater] in hun onderlinge verhouding als 100% eigenaar van de woning zou gelden. 3.5. Als [geïntimeerde] daarin slaagt, zal daarmee komen vast te staan dat uit de rechtsverhouding tussen [erflater] en [appellant] voortvloeit dat het aandeel van [erflater] in de eenvoudige gemeenschap ten aanzien van de woning 100% was tegenover het aandeel van [appellant] dat 0% was. Hieruit zou ook volgen dat de “lasten en lusten” verbonden aan de eigendom van de woning geheel voor [erflater] waren. Dat betekent dat dan de toedeling van de woning aan [erflater] (zonder enige vergoeding aan [appellant] ) in stand blijft en dat aan de voorwaardelijke subsidiaire vordering in incidenteel appel niet wordt toegekomen. Als het bewijs niet wordt geleverd zal in hoger beroep alsnog over de verdeling en overige (voorwaardelijke) vorderingen over en weer dienen te worden beslist. 3.6. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. 4 De beslissing Het hof, voordat het in hoger beroep verder beslist: 4.1. laat [geïntimeerde] toe te bewijzen dat [erflater] en [appellant] de mede-eigendomsconstructie ten aanzien van het pand met winkel met woonhuis aan de [adres] in [woonplaats] de zijn aangegaan met de bedoeling dat [erflater] in hun onderlinge verhouding als 100% eigenaar zou gelden; bepaalt verder dat: 4.2. als getuigen worden gehoord, raadsheer-commissaris mr. K. Mans de getuigen zal verhoren in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem. Partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn; 4.3.