Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-12-16
ECLI:NL:GHARL:2025:8203
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
3,894 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2025:8203 text/xml public 2026-01-30T14:02:41 2025-12-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2025-12-16 23/518 t/m 23/528 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8203 text/html public 2026-01-16T15:53:31 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2025:8203 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 16-12-2025 / 23/518 t/m 23/528 Bartels, clustergewijze afdoening, BghU I, poort A. Machtiging ondertekend door ander dan belanghebbende, niet-ontvankelijk. GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers BK-ARN 23/518 tot en met 23/528 uitspraakdatum: 16 december 2025 Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het door mr. D.A.N. Bartels (hierna: Bartels) ingestelde hoger beroep en het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar) tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 13 februari 2023, nummers UTR 21/1429, UTR 21/1431, UTR 21/1432, UTR 21/1433, UTR 21/1434, UTR 21/1435, UTR 21/1436, UTR 21/1437, UTR 21/1438, UTR 21/1439 en UTR 21/1463 in het geding tussen [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) en de heffingsambtenaar 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Het hoger beroep is volgens het hogerberoepschrift ingesteld namens belanghebbende. In het hogerberoepschrift staat onder meer: “De volmacht maakt reeds deel uit van het Rechtbankdossier”. In het dossier van de Rechtbank bevindt zich een volmacht. Deze volmacht is ondertekend door [naam1] . 1.2. Het Hof heeft Bartels in de gelegenheid gesteld een nieuwe machtiging in te brengen binnen een termijn van zes weken. Bartels heeft hieraan niet voldaan. De volmacht die Bartels heeft ingebracht is ondertekend door [naam2] . 1.3. Bij brief van 30 november 2023 heeft het Hof Bartels een laatste gelegenheid geboden om uiterlijk 1 januari 2024 een nieuwe machtiging in te brengen. Hierbij is medegedeeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien aan deze uitnodiging niet binnen de gestelde termijn gehoor wordt gegeven. 1.4. Bartels heeft hierop gereageerd, maar een nieuwe machtiging waar het Hof om heeft verzocht is daarbij niet verstrekt. 1.5. De onderhavige zaken zijn gaan behoren tot een cluster van zaken waarin Bartels voor verschillende belanghebbenden optreedt, telkens met de heffingsambtenaar als wederpartij. Voor het verloop van de behandeling van dit cluster verwijst het Hof naar de uitspraak van 24 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3894. 1.6. In het kader van die clustergewijze behandeling is aan Bartels bij bericht van 15 januari 2025 een lijst verstrekt met zaken waarin de machtiging ontbreekt of niet toereikend is. De onderhavige zaken staan op die lijst. Bartels is daarbij in de gelegenheid gesteld om deze lijst op juistheid te controleren en daarop schriftelijk te reageren. Verder is Bartels in voornoemd bericht (nogmaals) erop gewezen dat niet in alle gevallen de rechtbankdossiers aan het Hof zijn overgelegd, zodat de enkele verwijzing naar het rechtbankdossier niet volstaat. Ook heeft het Hof (nogmaals) erop gewezen dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard wanneer een toereikende machtiging niet uiterlijk 29 januari 2025 wordt ontvangen. Bartels heeft niet gereageerd. 1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord Bartels, alsmede mr. [naam3] , namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door mr. [naam4] en [naam5] . Aan het eind van die zitting is het onderzoek gesloten in de zaken waarin de machtiging in hoger beroep ontbreekt of niet toereikend is. Het proces-verbaal van die zitting is aan partijen toegezonden. 2 Beoordeling door het Hof 2.1. In een procedure voor de bestuursrechter kunnen partijen zich door een gemachtigde laten vertegenwoordigen (artikel 8:24, eerste lid, van de Awb). De bestuursrechter kan van een gemachtigde die geen advocaat is, een schriftelijke machtiging verlangen (artikel 8:24, tweede en derde lid, van de Awb). 2.2. De machtigingen die Bartels in beroep en hoger beroep heeft overgelegd zijn ondertekend door iemand anders dan belanghebbende. Daarom heeft het Hof herhaaldelijk verzocht om een nieuwe, door belanghebbende ondertekende machtiging over te leggen. Daarbij is Bartels op de mogelijke gevolgen voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep gewezen. De daarvoor gestelde termijnen zijn onbenut gelaten. Ook op het bericht van 15 januari 2025 heeft Bartels niet gereageerd. 2.3. Gelet op het vorenstaande kan het Hof niet vaststellen dat Bartels bevoegd was namens belanghebbende hoger beroep in te stellen. Het hoger beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Aan het namens belanghebbende gedane verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn komt het Hof niet toe, omdat niet is gebleken dat Bartels bevoegd was dat verzoek te doen. 2.4. Aangezien het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard als gevolg van de omstandigheid dat de degene die het hoger beroep heeft ingesteld daartoe niet gerechtigd was, moet ook het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk worden verklaard (artikel 8:111, lid 1, letter c, van de Awb). Slotsom Op grond van het vorenstaande is zowel het hoger beroep als het incidentele hoger beroep niet-ontvankelijk. 3 Griffierecht en proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing Het Hof: – verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk, – verklaart het incidentele hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr. V.F.R. Woeltjes, mr. T. Tanghe, raadsheren, in tegenwoordigheid van A. Tax als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025. De griffier, De voorzitter, (A. Tax) (J.M.W. van de Sande) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2025:8203 text/xml public 2026-01-30T14:02:41 2025-12-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2025-12-16 23/518 t/m 23/528 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8203 text/html public 2026-01-16T15:53:31 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2025:8203 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 16-12-2025 / 23/518 t/m 23/528 Bartels, clustergewijze afdoening, BghU I, poort A. Machtiging ondertekend door ander dan belanghebbende, niet-ontvankelijk. GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers BK-ARN 23/518 tot en met 23/528 uitspraakdatum: 16 december 2025 Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het door mr. D.A.N. Bartels (hierna: Bartels) ingestelde hoger beroep en het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar) tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 13 februari 2023, nummers UTR 21/1429, UTR 21/1431, UTR 21/1432, UTR 21/1433, UTR 21/1434, UTR 21/1435, UTR 21/1436, UTR 21/1437, UTR 21/1438, UTR 21/1439 en UTR 21/1463 in het geding tussen [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) en de heffingsambtenaar 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Het hoger beroep is volgens het hogerberoepschrift ingesteld namens belanghebbende. In het hogerberoepschrift staat onder meer: “De volmacht maakt reeds deel uit van het Rechtbankdossier”. In het dossier van de Rechtbank bevindt zich een volmacht. Deze volmacht is ondertekend door [naam1] . 1.2. Het Hof heeft Bartels in de gelegenheid gesteld een nieuwe machtiging in te brengen binnen een termijn van zes weken. Bartels heeft hieraan niet voldaan. De volmacht die Bartels heeft ingebracht is ondertekend door [naam2] . 1.3. Bij brief van 30 november 2023 heeft het Hof Bartels een laatste gelegenheid geboden om uiterlijk 1 januari 2024 een nieuwe machtiging in te brengen. Hierbij is medegedeeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien aan deze uitnodiging niet binnen de gestelde termijn gehoor wordt gegeven. 1.4. Bartels heeft hierop gereageerd, maar een nieuwe machtiging waar het Hof om heeft verzocht is daarbij niet verstrekt. 1.5. De onderhavige zaken zijn gaan behoren tot een cluster van zaken waarin Bartels voor verschillende belanghebbenden optreedt, telkens met de heffingsambtenaar als wederpartij. Voor het verloop van de behandeling van dit cluster verwijst het Hof naar de uitspraak van 24 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3894. 1.6. In het kader van die clustergewijze behandeling is aan Bartels bij bericht van 15 januari 2025 een lijst verstrekt met zaken waarin de machtiging ontbreekt of niet toereikend is. De onderhavige zaken staan op die lijst. Bartels is daarbij in de gelegenheid gesteld om deze lijst op juistheid te controleren en daarop schriftelijk te reageren. Verder is Bartels in voornoemd bericht (nogmaals) erop gewezen dat niet in alle gevallen de rechtbankdossiers aan het Hof zijn overgelegd, zodat de enkele verwijzing naar het rechtbankdossier niet volstaat. Ook heeft het Hof (nogmaals) erop gewezen dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard wanneer een toereikende machtiging niet uiterlijk 29 januari 2025 wordt ontvangen. Bartels heeft niet gereageerd. 1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord Bartels, alsmede mr. [naam3] , namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door mr. [naam4] en [naam5] . Aan het eind van die zitting is het onderzoek gesloten in de zaken waarin de machtiging in hoger beroep ontbreekt of niet toereikend is. Het proces-verbaal van die zitting is aan partijen toegezonden. 2 Beoordeling door het Hof 2.1. In een procedure voor de bestuursrechter kunnen partijen zich door een gemachtigde laten vertegenwoordigen (artikel 8:24, eerste lid, van de Awb). De bestuursrechter kan van een gemachtigde die geen advocaat is, een schriftelijke machtiging verlangen (artikel 8:24, tweede en derde lid, van de Awb). 2.2. De machtigingen die Bartels in beroep en hoger beroep heeft overgelegd zijn ondertekend door iemand anders dan belanghebbende. Daarom heeft het Hof herhaaldelijk verzocht om een nieuwe, door belanghebbende ondertekende machtiging over te leggen. Daarbij is Bartels op de mogelijke gevolgen voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep gewezen. De daarvoor gestelde termijnen zijn onbenut gelaten. Ook op het bericht van 15 januari 2025 heeft Bartels niet gereageerd. 2.3. Gelet op het vorenstaande kan het Hof niet vaststellen dat Bartels bevoegd was namens belanghebbende hoger beroep in te stellen. Het hoger beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Aan het namens belanghebbende gedane verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn komt het Hof niet toe, omdat niet is gebleken dat Bartels bevoegd was dat verzoek te doen. 2.4. Aangezien het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard als gevolg van de omstandigheid dat de degene die het hoger beroep heeft ingesteld daartoe niet gerechtigd was, moet ook het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk worden verklaard (artikel 8:111, lid 1, letter c, van de Awb). Slotsom Op grond van het vorenstaande is zowel het hoger beroep als het incidentele hoger beroep niet-ontvankelijk. 3 Griffierecht en proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing Het Hof: – verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk, – verklaart het incidentele hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr. V.F.R. Woeltjes, mr. T. Tanghe, raadsheren, in tegenwoordigheid van A. Tax als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025. De griffier, De voorzitter, (A. Tax) (J.M.W. van de Sande) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.