Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-12-11
ECLI:NL:GHARL:2025:7924
Civiel recht
Hoger beroep
18,500 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.354.954 en 200.357.508
(zaaknummer rechtbank Gelderland: 440421)
beschikking van 11 december 2025
inzake
[appellant] (de man)
die woont in [woonplaats1] , Belgiëadvocaat: mr. L.D.M. Rubens-Snijders
en
[geïntimeerde] (de vrouw)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. B.N. Wolters
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
De man heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem (hierna: de rechtbank) op 25 februari 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft gegeven. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 23 mei 2025
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties
- een journaalbericht van mr. Rubens-Snijders van 15 oktober 2025 met producties
- een journaalbericht van mr. Wolters van 20 oktober 2025 met producties.
1.2
De mondelinge behandeling heeft op 31 oktober 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
2De kern van de zaak
2.1
Partijen zijn [in] 2016 in [plaatsnaam1] met elkaar getrouwd, zonder het maken van huwelijkse voorwaarden. De vrouw heeft de Nederlandse en de man de Franse nationaliteit.
2.2
Op 19 juni 2024 heeft de vrouw de rechtbank verzocht de echtscheiding uit te spreken en ook heeft zij nevenvoorzieningen verzocht (partneralimentatie, huurrecht, verdeling van de huwelijksgemeenschap en afstand pensioenverevening en nabestaandenpensioen).
2.3
Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is (voor zover hier van belang) bepaald dat de man een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud vrouw moet betalen van € 1.984 per maand en is de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap gelast. De verzoeken van de vrouw ter zake van de toedeling van de gezamenlijke schuld bij de ING Bank N.V. en afstand van pensioenaanspraken (verevening en bijzonder nabestaandenpensioen) zijn afgewezen. De man heeft in deze procedure verstek laten gaan.
2.4
De bedoeling van het hoger beroep van de man is dat de bestreden beschikking voor een deel wordt vernietigd en dat het hof bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud alsnog afwijst, dan wel deze vaststelt op een bedrag die het juist vindt, met veroordeling van de vrouw om de te veel ontvangen partneralimentatie terug te betalen binnen twee weken na het wijzen van de beschikking. Verder dat het hof bepaalt dat de vrouw € 4.000 aan de man betaalt voor de toedeling van de Peugeot 108 met kenteken [kentekennummer] en € 2.500 ter zake van het massagematras.
2.5
De vrouw concludeert tot afwijzing/verwerping van de grieven van de man als zijnde onjuist en ongegrond. De bedoeling van haar hoger beroep is dat het hof, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat de man volledig draagplichtig is voor de schuld aan de ING Bank N.V. en bepaalt dat partijen hebben afgesproken dat er geen pensioenverevening plaatsvindt en dat partijen afstand doen van het voor en tijdens het huwelijk opgebouwde nabestaandenpensioen. Met veroordeling van de man in de proceskosten van de procedure in hoger beroep, dan wel compensatie van die kosten in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
2.6
De echtscheidingsbeschikking is [in] 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.7
Het hof beslist dat de bestreden beschikking voor wat betreft de vastgestelde bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw wordt vernietigd en voor wat betreft de gelaste wijze van verdeling wordt bekrachtigd met een aanvulling op die beslissing.
3De toelichting van het hof
IPR: rechtsmacht en toepasselijk recht
3.1
Gelet op het internationale karakter van de zaak is allereerst aan de orde of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om van de verzoeken kennis te nemen en welk rechtstelsel op de beoordeling van het verzoek van toepassing is. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking gemotiveerd uiteengezet waarom zij bevoegd is kennis te nemen van de verzoeken en waarom Nederlands recht van toepassing is. Na ambtshalve toetsing verenigt het hof zich met de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding, kennis te nemen van het alimentatieverzoek en ook ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen. Nu op het punt van het toepasselijk recht op de verschillende verzoeken geen grief is opgeworpen zal het hof net als de rechtbank Nederlands recht toepassen. Voor het huwelijksregime betekent dit dat partijen in gemeenschap van goederen zijn gehuwd zoals die gold voor 1 januari 2018 (de “oude” gemeenschap van goederen), nu zij geen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt (zie 2.1).
vermogensrechtelijke afwikkeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap
toetsingskader
3.2
Artikel 3:185 lid 1 BW bepaalt dat, als deelgenoten geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken, de rechter de wijze van verdeling gelast of zelf de verdeling vaststelt en daarbij naar billijkheid rekening houdt met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter is daarbij niet gebonden aan wat partijen over en weer hebben verzocht en hij behoeft niet - expliciet - in te gaan op wat partijen hebben aangevoerd.
peildata
3.3
Voor de beoordeling van de samenstelling en omvang van de gemeenschap is de datum van ontbinding bepalend, tenzij partijen daarvoor een andere datum hebben afgesproken. Aangezien van een dergelijke afspraak niet is gebleken geldt als peildatum 19 juni 2024 (datum indiening verzoek tot echtscheiding, zie 2.2).
3.4
Voor de bepaling van de waarde bij de verdeling moet worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling. Van deze hoofdregel wordt weliswaar afgeweken, indien partijen anders zijn overeengekomen of uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen beheersen anders voortvloeit, maar daarvan is hier niet gebleken.
schuld aan ING Bank N.V.
3.5
Tussen partijen is niet in geschil dat er een gezamenlijke schuld bestaat aan de ING Bank N.V. die tot de ontbonden gemeenschap behoort. Wel hebben partijen verschil van mening wie draagplichtig is voor deze schuld.
3.6
Het hof ziet geen grond om af te wijken van de hoofdregel dat ieder van de ex-echtgenoten voor de helft draagplichtig is voor gemeenschapsschulden. Van een totaalafspraak ter zake van de verdeling is het tussen partijen niet (meer) gekomen. De man heeft voldoende onderbouwd dat zijn aanbod, om de schuld volledig te dragen, alleen gold wanneer partijen tot een volledige afwikkeling van de verdeling van het huwelijksvermogen zouden komen (een totaalafspraak). Nu het partijen niet is gelukt om over de overige vermogensbestanddelen tot afspraken te komen, kan de man ook niet gehouden worden aan zijn aanbod om de schuld voor zijn rekening te nemen.
Conclusie
3.12
Grief I van de vrouw faalt. Grief II van de man slaagt voor een deel en faalt voor een deel.
pensioenverevening en nabestaandenpensioen
3.13
Het hof merkt grief II van de vrouw over de verevening van pensioenrechten en het afstand doen van het nabestaandenpensioen aan als een nevenvoorziening in de zin van artikel 827 lid 1 onder g Rv. De vrouw is dan ook ontvankelijk in haar verzoek. Over de pensioenen zijn partijen het met elkaar eens geworden. Beiden wensen uitsluiting van verevening. Een beslissing van het hof kan achterwege blijven, nu partijen hebben verklaard dat zij voornemens zijn de tussen hen gemaakte afspraak in een overeenkomst vast te leggen. De grief van de vrouw behoeft dan ook geen bespreking.
partneralimentatie
3.14
De man heeft een grief (I) geformuleerd waarin hij klaagt over de door de rechtbank bepaalde bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw. De grief valt uiteen in een aantal subgrieven (a, b en c). De man betwist a. de (hoogte van de) behoefte van de vrouw en stelt dat het toepassen van de hofnorm niet volstaat en b. de behoeftigheid. Hij is van mening dat de vrouw fulltime kan werken en op die manier in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Tot slot betwist hij c. dat hij draagkracht heeft voor de vastgestelde bijdrage. De vrouw voert verweer.
toetsingskader
3.15
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:157 lid 1 BW heeft een gewezen echtgenoot recht op een uitkering tot levensonderhoud indien deze niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft noch zich deze in redelijkheid kan verwerven.
3.16
Bij de beantwoording van de vraag of aan de gewezen echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud moet worden toegekend en zo ja, tot welk bedrag en voor hoe lang, dient volgens de wet en volgens vaste rechtspraak rekening te worden gehouden met de wettelijke maatstaven behoefte en draagkracht en overigens met alle omstandigheden van het geval, waaronder de behoeftigheid van de gewezen echtgenoot.
3.17
Van behoeftigheid is sprake als de onderhoudsgerechtigde niet voldoende inkomsten heeft, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven, om volledig in de eigen behoefte te kunnen voorzien.
(hoogte) behoefte vrouw
3.18
Niet langer is in geschil dat de concrete (consumptieve) uitgaven van partijen tijdens het huwelijk € 5.077,12 netto per maand bedroegen. De vrouw heeft daarvan een overzicht in het geding gebracht (productie 28) en de man heeft met dat overzicht ingestemd. De behoefte van de vrouw kan dan op 60% van deze concrete gezamenlijke uitgaven worden vastgesteld en dus op € 3.046,27 netto per maand.
3.19
Dat betekent ook dat het hof de stelling van de man, dat de vrouw haar werkelijke behoefte niet aantoont nu zij al meer dan twee jaar zonder een bijdrage van de man leeft, passeert. Tijdsverloop kan namelijk niet tot de conclusie leiden dat de huwelijksgerelateerde behoefte is verbleekt. Er moet immers worden gekeken naar alle omstandigheden van het geval. De enkele omstandigheid dat de vrouw noodgedwongen haar uitgavenpatroon zo heeft moeten inrichten dat zij met de door haar gegenereerde inkomsten in haar levensonderhoud kon voorzien, indien al juist, brengt niet mee dat haar huidige behoefte niet meer overeenkomt met de huwelijksgerelateerde behoefte.
3.20
Voor zover in de stellingen van de man moet worden gelezen dat hij een verband legt tussen het verbleken van behoefte enerzijds en het afnemen van lotsverbondenheid door tijdsverloop anderzijds, vindt dit geen steun in het recht. Hierbij verwijst het hof naar wat is overwogen door de Hoge Raad in zijn beschikking van 4 mei 2018: “(…)Weliswaar kan de door het huwelijk in het leven geroepen lotsverbondenheid als een grondslag voor het ontstaan van de alimentatieverplichting worden beschouwd, maar het voortduren van die verplichting berust niet op het voortduren van de lotsverbondenheid. Daarom kan het ‘afnemen’ of ‘vervallen’ van lotsverbondenheid geen grond zijn voor beëindiging van de alimentatieverplichting, ook niet in samenhang met andere omstandigheden (vgl. HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2058, NJ 2014/143, rov. 3.4.4 en 3.5) (…)”
resterende behoefte en behoeftigheid
3.21
In hoger beroep is in geschil of de vrouw méér inkomen zou kunnen genereren dan zij op dit moment feitelijk doet. De man neemt het standpunt in dat de vrouw parttime werkt en in staat kan worden geacht fulltime te gaan werken. Hij voert daartoe aan dat sprake is van een relatief kort huwelijk van ruim zes jaar, dat partijen op latere leeftijd met elkaar zijn getrouwd en uit het huwelijk geen kinderen zijn geboren. Het huwelijk heeft geen negatieve invloed gehad op de verdiencapaciteit van de vrouw. Er is dan ook geen grond voor vaststelling van partneralimentatie. De vrouw voert verweer.
3.22
Het hof overweegt het volgende. De vrouw stelt dat zij altijd op basis van een 32-urige werkweek heeft gewerkt. De man heeft dat niet weersproken. Sinds haar gehoorproblemen werkt zij in overleg met haar werkgever feitelijk 30 uur per week. Zij heeft aannemelijk gemaakt dat dit nodig is om een werkzaam leven vol te kunnen blijven houden. Het hof is van oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een werkweek van 36 uur, gelet op haar gehoorproblemen, niet van haar gevergd kan worden. Het hof gaat dan ook uit van het huidige inkomen van de vrouw.
3.23
Het hof gaat uit van het inkomen volgens de jaaropgaaf 2024, omdat daarin alle nodige gegevens staan. Aan de hand van het inkomen van de vrouw volgens deze jaaropgaaf, dat is een inkomen van € 33.768 op jaarbasis, berekent het hof het netto besteedbaar maandinkomen van de vrouw op € 2.483 (zie aangehechte berekening). Rekening houdende met een huwelijksgerelateerde behoefte van € 3.046,27 netto per maand en een eigen inkomen van € 2.483 netto per maand, resteert een behoefte aan partneralimentatie van € 563,27 netto per maand. Bruto is dit een bedrag van € 1.095 per maand.
uitgangspunten bij de berekening van de draagkracht van de man
3.24
Vervolgens is de vraag in hoeverre de man een bijdrage kan betalen. Daartoe onderzoekt het hof de draagkracht van de man en gebruikt daarvoor de forfaitaire benadering voor partneralimentatie door te rekenen met de redelijke kosten van levensonderhoud op basis van forfaits: een vast bedrag voor kosten van levensonderhoud van € 1.310 per maand in 2025, en een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen (NBI). Die bedragen worden afgetrokken van het NBI en van het restant is 60% beschikbaar als draagkracht voor partneralimentatie.
draagkracht man
3.25
De man stelt dat zijn inkomen niet toereikend is om de vastgestelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen. De vrouw betwist dat.
3.26
De Belgische werkgever van de man heeft verklaard (zie verklaring van 12 mei 2025, als productie 5 door de man bij zijn beroepschrift overgelegd) dat de man in 2024 een belastbaar loon heeft van € 61.002,21, dat dit resulteert in een netto loon van € 38.851,86 en dat hij daarnaast een bedrag van € 8.734,19 ter dekking van kosten voor uitvoering van zijn werkzaamheden ontvangt. Het hof gaat daarom uit van voornoemd netto inkomen op jaarbasis van € 38.851,86, dus een besteedbaar inkomen van € 3.238 per maand. Omdat er sprake is van buitenlandse belastingen laat het hof een draagkrachtberekening achterwege.
Dictum
Het hof:
4.1
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 25 februari 2025 onder 4.2 en in zoverre opnieuw beschikkende:
4.2
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 630 per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
4.3
bekrachtigt de beschikking voor het overige onder aanvulling van 4.4. eerste gedachtestreepje en bepaalt dat de vrouw aan de man wegens overbedeling moet voldoen € 2.700 (zie r.o. 3.7);
4.4
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.5
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
4.6
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, L. Hamer en M.E.L. Klein, bijgestaan door mr. G.J. Heuvelink als griffier, en is op 11 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Artikel 10:56 BW.
Artikel 3 sub b van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008).
Artikel 5 lid 1 van de Verordening Huwelijksvermogensstelsels (Verordening (EU)2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016).
Artikel 3:5 BW
HR 24 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1997:ZC2473.
zie overweging 2.12 van de conclusie van de A-G bij de uitspraak van de Hoge Raad van 9 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:313.
ECLI:NL:HR:2018:695, rov 3.3.5.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.354.954 en 200.357.508
(zaaknummer rechtbank Gelderland: 440421)
beschikking van 11 december 2025
inzake
[appellant] (de man)
die woont in [woonplaats1] , Belgiëadvocaat: mr. L.D.M. Rubens-Snijders
en
[geïntimeerde] (de vrouw)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. B.N. Wolters
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
De man heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem (hierna: de rechtbank) op 25 februari 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft gegeven. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 23 mei 2025
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties
- een journaalbericht van mr. Rubens-Snijders van 15 oktober 2025 met producties
- een journaalbericht van mr. Wolters van 20 oktober 2025 met producties.
1.2
De mondelinge behandeling heeft op 31 oktober 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
2De kern van de zaak
2.1
Partijen zijn [in] 2016 in [plaatsnaam1] met elkaar getrouwd, zonder het maken van huwelijkse voorwaarden. De vrouw heeft de Nederlandse en de man de Franse nationaliteit.
2.2
Op 19 juni 2024 heeft de vrouw de rechtbank verzocht de echtscheiding uit te spreken en ook heeft zij nevenvoorzieningen verzocht (partneralimentatie, huurrecht, verdeling van de huwelijksgemeenschap en afstand pensioenverevening en nabestaandenpensioen).
2.3
Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is (voor zover hier van belang) bepaald dat de man een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud vrouw moet betalen van € 1.984 per maand en is de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap gelast. De verzoeken van de vrouw ter zake van de toedeling van de gezamenlijke schuld bij de ING Bank N.V. en afstand van pensioenaanspraken (verevening en bijzonder nabestaandenpensioen) zijn afgewezen. De man heeft in deze procedure verstek laten gaan.
2.4
De bedoeling van het hoger beroep van de man is dat de bestreden beschikking voor een deel wordt vernietigd en dat het hof bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud alsnog afwijst, dan wel deze vaststelt op een bedrag die het juist vindt, met veroordeling van de vrouw om de te veel ontvangen partneralimentatie terug te betalen binnen twee weken na het wijzen van de beschikking. Verder dat het hof bepaalt dat de vrouw € 4.000 aan de man betaalt voor de toedeling van de Peugeot 108 met kenteken [kentekennummer] en € 2.500 ter zake van het massagematras.
2.5
De vrouw concludeert tot afwijzing/verwerping van de grieven van de man als zijnde onjuist en ongegrond. De bedoeling van haar hoger beroep is dat het hof, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat de man volledig draagplichtig is voor de schuld aan de ING Bank N.V. en bepaalt dat partijen hebben afgesproken dat er geen pensioenverevening plaatsvindt en dat partijen afstand doen van het voor en tijdens het huwelijk opgebouwde nabestaandenpensioen. Met veroordeling van de man in de proceskosten van de procedure in hoger beroep, dan wel compensatie van die kosten in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
2.6
De echtscheidingsbeschikking is [in] 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.7
Het hof beslist dat de bestreden beschikking voor wat betreft de vastgestelde bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw wordt vernietigd en voor wat betreft de gelaste wijze van verdeling wordt bekrachtigd met een aanvulling op die beslissing.
3De toelichting van het hof
IPR: rechtsmacht en toepasselijk recht
3.1
Gelet op het internationale karakter van de zaak is allereerst aan de orde of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om van de verzoeken kennis te nemen en welk rechtstelsel op de beoordeling van het verzoek van toepassing is. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking gemotiveerd uiteengezet waarom zij bevoegd is kennis te nemen van de verzoeken en waarom Nederlands recht van toepassing is. Na ambtshalve toetsing verenigt het hof zich met de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding, kennis te nemen van het alimentatieverzoek en ook ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen. Nu op het punt van het toepasselijk recht op de verschillende verzoeken geen grief is opgeworpen zal het hof net als de rechtbank Nederlands recht toepassen. Voor het huwelijksregime betekent dit dat partijen in gemeenschap van goederen zijn gehuwd zoals die gold voor 1 januari 2018 (de “oude” gemeenschap van goederen), nu zij geen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt (zie 2.1).
vermogensrechtelijke afwikkeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap
toetsingskader
3.2
Artikel 3:185 lid 1 BW bepaalt dat, als deelgenoten geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken, de rechter de wijze van verdeling gelast of zelf de verdeling vaststelt en daarbij naar billijkheid rekening houdt met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter is daarbij niet gebonden aan wat partijen over en weer hebben verzocht en hij behoeft niet - expliciet - in te gaan op wat partijen hebben aangevoerd.
peildata
3.3
Voor de beoordeling van de samenstelling en omvang van de gemeenschap is de datum van ontbinding bepalend, tenzij partijen daarvoor een andere datum hebben afgesproken. Aangezien van een dergelijke afspraak niet is gebleken geldt als peildatum 19 juni 2024 (datum indiening verzoek tot echtscheiding, zie 2.2).
3.4
Voor de bepaling van de waarde bij de verdeling moet worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling. Van deze hoofdregel wordt weliswaar afgeweken, indien partijen anders zijn overeengekomen of uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen beheersen anders voortvloeit, maar daarvan is hier niet gebleken.
schuld aan ING Bank N.V.
3.5
Tussen partijen is niet in geschil dat er een gezamenlijke schuld bestaat aan de ING Bank N.V. die tot de ontbonden gemeenschap behoort. Wel hebben partijen verschil van mening wie draagplichtig is voor deze schuld.
3.6
Het hof ziet geen grond om af te wijken van de hoofdregel dat ieder van de ex-echtgenoten voor de helft draagplichtig is voor gemeenschapsschulden. Van een totaalafspraak ter zake van de verdeling is het tussen partijen niet (meer) gekomen. De man heeft voldoende onderbouwd dat zijn aanbod, om de schuld volledig te dragen, alleen gold wanneer partijen tot een volledige afwikkeling van de verdeling van het huwelijksvermogen zouden komen (een totaalafspraak). Nu het partijen niet is gelukt om over de overige vermogensbestanddelen tot afspraken te komen, kan de man ook niet gehouden worden aan zijn aanbod om de schuld voor zijn rekening te nemen.
Conclusie
3.12
Grief I van de vrouw faalt. Grief II van de man slaagt voor een deel en faalt voor een deel.
pensioenverevening en nabestaandenpensioen
3.13
Het hof merkt grief II van de vrouw over de verevening van pensioenrechten en het afstand doen van het nabestaandenpensioen aan als een nevenvoorziening in de zin van artikel 827 lid 1 onder g Rv. De vrouw is dan ook ontvankelijk in haar verzoek. Over de pensioenen zijn partijen het met elkaar eens geworden. Beiden wensen uitsluiting van verevening. Een beslissing van het hof kan achterwege blijven, nu partijen hebben verklaard dat zij voornemens zijn de tussen hen gemaakte afspraak in een overeenkomst vast te leggen. De grief van de vrouw behoeft dan ook geen bespreking.
partneralimentatie
3.14
De man heeft een grief (I) geformuleerd waarin hij klaagt over de door de rechtbank bepaalde bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw. De grief valt uiteen in een aantal subgrieven (a, b en c). De man betwist a. de (hoogte van de) behoefte van de vrouw en stelt dat het toepassen van de hofnorm niet volstaat en b. de behoeftigheid. Hij is van mening dat de vrouw fulltime kan werken en op die manier in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Tot slot betwist hij c. dat hij draagkracht heeft voor de vastgestelde bijdrage. De vrouw voert verweer.
toetsingskader
3.15
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:157 lid 1 BW heeft een gewezen echtgenoot recht op een uitkering tot levensonderhoud indien deze niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft noch zich deze in redelijkheid kan verwerven.
3.16
Bij de beantwoording van de vraag of aan de gewezen echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud moet worden toegekend en zo ja, tot welk bedrag en voor hoe lang, dient volgens de wet en volgens vaste rechtspraak rekening te worden gehouden met de wettelijke maatstaven behoefte en draagkracht en overigens met alle omstandigheden van het geval, waaronder de behoeftigheid van de gewezen echtgenoot.
3.17
Van behoeftigheid is sprake als de onderhoudsgerechtigde niet voldoende inkomsten heeft, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven, om volledig in de eigen behoefte te kunnen voorzien.
(hoogte) behoefte vrouw
3.18
Niet langer is in geschil dat de concrete (consumptieve) uitgaven van partijen tijdens het huwelijk € 5.077,12 netto per maand bedroegen. De vrouw heeft daarvan een overzicht in het geding gebracht (productie 28) en de man heeft met dat overzicht ingestemd. De behoefte van de vrouw kan dan op 60% van deze concrete gezamenlijke uitgaven worden vastgesteld en dus op € 3.046,27 netto per maand.
3.19
Dat betekent ook dat het hof de stelling van de man, dat de vrouw haar werkelijke behoefte niet aantoont nu zij al meer dan twee jaar zonder een bijdrage van de man leeft, passeert. Tijdsverloop kan namelijk niet tot de conclusie leiden dat de huwelijksgerelateerde behoefte is verbleekt. Er moet immers worden gekeken naar alle omstandigheden van het geval. De enkele omstandigheid dat de vrouw noodgedwongen haar uitgavenpatroon zo heeft moeten inrichten dat zij met de door haar gegenereerde inkomsten in haar levensonderhoud kon voorzien, indien al juist, brengt niet mee dat haar huidige behoefte niet meer overeenkomt met de huwelijksgerelateerde behoefte.
3.20
Voor zover in de stellingen van de man moet worden gelezen dat hij een verband legt tussen het verbleken van behoefte enerzijds en het afnemen van lotsverbondenheid door tijdsverloop anderzijds, vindt dit geen steun in het recht. Hierbij verwijst het hof naar wat is overwogen door de Hoge Raad in zijn beschikking van 4 mei 2018: “(…)Weliswaar kan de door het huwelijk in het leven geroepen lotsverbondenheid als een grondslag voor het ontstaan van de alimentatieverplichting worden beschouwd, maar het voortduren van die verplichting berust niet op het voortduren van de lotsverbondenheid. Daarom kan het ‘afnemen’ of ‘vervallen’ van lotsverbondenheid geen grond zijn voor beëindiging van de alimentatieverplichting, ook niet in samenhang met andere omstandigheden (vgl. HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2058, NJ 2014/143, rov. 3.4.4 en 3.5) (…)”
resterende behoefte en behoeftigheid
3.21
In hoger beroep is in geschil of de vrouw méér inkomen zou kunnen genereren dan zij op dit moment feitelijk doet. De man neemt het standpunt in dat de vrouw parttime werkt en in staat kan worden geacht fulltime te gaan werken. Hij voert daartoe aan dat sprake is van een relatief kort huwelijk van ruim zes jaar, dat partijen op latere leeftijd met elkaar zijn getrouwd en uit het huwelijk geen kinderen zijn geboren. Het huwelijk heeft geen negatieve invloed gehad op de verdiencapaciteit van de vrouw. Er is dan ook geen grond voor vaststelling van partneralimentatie. De vrouw voert verweer.
3.22
Het hof overweegt het volgende. De vrouw stelt dat zij altijd op basis van een 32-urige werkweek heeft gewerkt. De man heeft dat niet weersproken. Sinds haar gehoorproblemen werkt zij in overleg met haar werkgever feitelijk 30 uur per week. Zij heeft aannemelijk gemaakt dat dit nodig is om een werkzaam leven vol te kunnen blijven houden. Het hof is van oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een werkweek van 36 uur, gelet op haar gehoorproblemen, niet van haar gevergd kan worden. Het hof gaat dan ook uit van het huidige inkomen van de vrouw.
3.23
Het hof gaat uit van het inkomen volgens de jaaropgaaf 2024, omdat daarin alle nodige gegevens staan. Aan de hand van het inkomen van de vrouw volgens deze jaaropgaaf, dat is een inkomen van € 33.768 op jaarbasis, berekent het hof het netto besteedbaar maandinkomen van de vrouw op € 2.483 (zie aangehechte berekening). Rekening houdende met een huwelijksgerelateerde behoefte van € 3.046,27 netto per maand en een eigen inkomen van € 2.483 netto per maand, resteert een behoefte aan partneralimentatie van € 563,27 netto per maand. Bruto is dit een bedrag van € 1.095 per maand.
uitgangspunten bij de berekening van de draagkracht van de man
3.24
Vervolgens is de vraag in hoeverre de man een bijdrage kan betalen. Daartoe onderzoekt het hof de draagkracht van de man en gebruikt daarvoor de forfaitaire benadering voor partneralimentatie door te rekenen met de redelijke kosten van levensonderhoud op basis van forfaits: een vast bedrag voor kosten van levensonderhoud van € 1.310 per maand in 2025, en een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen (NBI). Die bedragen worden afgetrokken van het NBI en van het restant is 60% beschikbaar als draagkracht voor partneralimentatie.
draagkracht man
3.25
De man stelt dat zijn inkomen niet toereikend is om de vastgestelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen. De vrouw betwist dat.
3.26
De Belgische werkgever van de man heeft verklaard (zie verklaring van 12 mei 2025, als productie 5 door de man bij zijn beroepschrift overgelegd) dat de man in 2024 een belastbaar loon heeft van € 61.002,21, dat dit resulteert in een netto loon van € 38.851,86 en dat hij daarnaast een bedrag van € 8.734,19 ter dekking van kosten voor uitvoering van zijn werkzaamheden ontvangt. Het hof gaat daarom uit van voornoemd netto inkomen op jaarbasis van € 38.851,86, dus een besteedbaar inkomen van € 3.238 per maand. Omdat er sprake is van buitenlandse belastingen laat het hof een draagkrachtberekening achterwege.
Dictum
Het hof:
4.1
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 25 februari 2025 onder 4.2 en in zoverre opnieuw beschikkende:
4.2
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 630 per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
4.3
bekrachtigt de beschikking voor het overige onder aanvulling van 4.4. eerste gedachtestreepje en bepaalt dat de vrouw aan de man wegens overbedeling moet voldoen € 2.700 (zie r.o. 3.7);
4.4
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.5
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
4.6
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, L. Hamer en M.E.L. Klein, bijgestaan door mr. G.J. Heuvelink als griffier, en is op 11 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Artikel 10:56 BW.
Artikel 3 sub b van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008).
Artikel 5 lid 1 van de Verordening Huwelijksvermogensstelsels (Verordening (EU)2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016).
Artikel 3:5 BW
HR 24 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1997:ZC2473.
zie overweging 2.12 van de conclusie van de A-G bij de uitspraak van de Hoge Raad van 9 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:313.
ECLI:NL:HR:2018:695, rov 3.3.5.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.354.954 en 200.357.508
(zaaknummer rechtbank Gelderland: 440421)
beschikking van 11 december 2025
inzake
[appellant] (de man)
die woont in [woonplaats1] , Belgiëadvocaat: mr. L.D.M. Rubens-Snijders
en
[geïntimeerde] (de vrouw)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. B.N. Wolters
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
De man heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem (hierna: de rechtbank) op 25 februari 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft gegeven. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 23 mei 2025
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties
- een journaalbericht van mr. Rubens-Snijders van 15 oktober 2025 met producties
- een journaalbericht van mr. Wolters van 20 oktober 2025 met producties.
1.2
De mondelinge behandeling heeft op 31 oktober 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
2De kern van de zaak
2.1
Partijen zijn [in] 2016 in [plaatsnaam1] met elkaar getrouwd, zonder het maken van huwelijkse voorwaarden. De vrouw heeft de Nederlandse en de man de Franse nationaliteit.
2.2
Op 19 juni 2024 heeft de vrouw de rechtbank verzocht de echtscheiding uit te spreken en ook heeft zij nevenvoorzieningen verzocht (partneralimentatie, huurrecht, verdeling van de huwelijksgemeenschap en afstand pensioenverevening en nabestaandenpensioen).
2.3
Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is (voor zover hier van belang) bepaald dat de man een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud vrouw moet betalen van € 1.984 per maand en is de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap gelast. De verzoeken van de vrouw ter zake van de toedeling van de gezamenlijke schuld bij de ING Bank N.V. en afstand van pensioenaanspraken (verevening en bijzonder nabestaandenpensioen) zijn afgewezen. De man heeft in deze procedure verstek laten gaan.
2.4
De bedoeling van het hoger beroep van de man is dat de bestreden beschikking voor een deel wordt vernietigd en dat het hof bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud alsnog afwijst, dan wel deze vaststelt op een bedrag die het juist vindt, met veroordeling van de vrouw om de te veel ontvangen partneralimentatie terug te betalen binnen twee weken na het wijzen van de beschikking. Verder dat het hof bepaalt dat de vrouw € 4.000 aan de man betaalt voor de toedeling van de Peugeot 108 met kenteken [kentekennummer] en € 2.500 ter zake van het massagematras.
2.5
De vrouw concludeert tot afwijzing/verwerping van de grieven van de man als zijnde onjuist en ongegrond. De bedoeling van haar hoger beroep is dat het hof, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat de man volledig draagplichtig is voor de schuld aan de ING Bank N.V. en bepaalt dat partijen hebben afgesproken dat er geen pensioenverevening plaatsvindt en dat partijen afstand doen van het voor en tijdens het huwelijk opgebouwde nabestaandenpensioen. Met veroordeling van de man in de proceskosten van de procedure in hoger beroep, dan wel compensatie van die kosten in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
2.6
De echtscheidingsbeschikking is [in] 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.7
Het hof beslist dat de bestreden beschikking voor wat betreft de vastgestelde bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw wordt vernietigd en voor wat betreft de gelaste wijze van verdeling wordt bekrachtigd met een aanvulling op die beslissing.
3De toelichting van het hof
IPR: rechtsmacht en toepasselijk recht
3.1
Gelet op het internationale karakter van de zaak is allereerst aan de orde of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om van de verzoeken kennis te nemen en welk rechtstelsel op de beoordeling van het verzoek van toepassing is. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking gemotiveerd uiteengezet waarom zij bevoegd is kennis te nemen van de verzoeken en waarom Nederlands recht van toepassing is. Na ambtshalve toetsing verenigt het hof zich met de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding, kennis te nemen van het alimentatieverzoek en ook ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen. Nu op het punt van het toepasselijk recht op de verschillende verzoeken geen grief is opgeworpen zal het hof net als de rechtbank Nederlands recht toepassen. Voor het huwelijksregime betekent dit dat partijen in gemeenschap van goederen zijn gehuwd zoals die gold voor 1 januari 2018 (de “oude” gemeenschap van goederen), nu zij geen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt (zie 2.1).
vermogensrechtelijke afwikkeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap
toetsingskader
3.2
Artikel 3:185 lid 1 BW bepaalt dat, als deelgenoten geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken, de rechter de wijze van verdeling gelast of zelf de verdeling vaststelt en daarbij naar billijkheid rekening houdt met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter is daarbij niet gebonden aan wat partijen over en weer hebben verzocht en hij behoeft niet - expliciet - in te gaan op wat partijen hebben aangevoerd.
peildata
3.3
Voor de beoordeling van de samenstelling en omvang van de gemeenschap is de datum van ontbinding bepalend, tenzij partijen daarvoor een andere datum hebben afgesproken. Aangezien van een dergelijke afspraak niet is gebleken geldt als peildatum 19 juni 2024 (datum indiening verzoek tot echtscheiding, zie 2.2).
3.4
Voor de bepaling van de waarde bij de verdeling moet worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling. Van deze hoofdregel wordt weliswaar afgeweken, indien partijen anders zijn overeengekomen of uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen beheersen anders voortvloeit, maar daarvan is hier niet gebleken.
schuld aan ING Bank N.V.
3.5
Tussen partijen is niet in geschil dat er een gezamenlijke schuld bestaat aan de ING Bank N.V. die tot de ontbonden gemeenschap behoort. Wel hebben partijen verschil van mening wie draagplichtig is voor deze schuld.
3.6
Het hof ziet geen grond om af te wijken van de hoofdregel dat ieder van de ex-echtgenoten voor de helft draagplichtig is voor gemeenschapsschulden. Van een totaalafspraak ter zake van de verdeling is het tussen partijen niet (meer) gekomen. De man heeft voldoende onderbouwd dat zijn aanbod, om de schuld volledig te dragen, alleen gold wanneer partijen tot een volledige afwikkeling van de verdeling van het huwelijksvermogen zouden komen (een totaalafspraak). Nu het partijen niet is gelukt om over de overige vermogensbestanddelen tot afspraken te komen, kan de man ook niet gehouden worden aan zijn aanbod om de schuld voor zijn rekening te nemen.
Conclusie
3.12
Grief I van de vrouw faalt. Grief II van de man slaagt voor een deel en faalt voor een deel.
pensioenverevening en nabestaandenpensioen
3.13
Het hof merkt grief II van de vrouw over de verevening van pensioenrechten en het afstand doen van het nabestaandenpensioen aan als een nevenvoorziening in de zin van artikel 827 lid 1 onder g Rv. De vrouw is dan ook ontvankelijk in haar verzoek. Over de pensioenen zijn partijen het met elkaar eens geworden. Beiden wensen uitsluiting van verevening. Een beslissing van het hof kan achterwege blijven, nu partijen hebben verklaard dat zij voornemens zijn de tussen hen gemaakte afspraak in een overeenkomst vast te leggen. De grief van de vrouw behoeft dan ook geen bespreking.
partneralimentatie
3.14
De man heeft een grief (I) geformuleerd waarin hij klaagt over de door de rechtbank bepaalde bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw. De grief valt uiteen in een aantal subgrieven (a, b en c). De man betwist a. de (hoogte van de) behoefte van de vrouw en stelt dat het toepassen van de hofnorm niet volstaat en b. de behoeftigheid. Hij is van mening dat de vrouw fulltime kan werken en op die manier in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Tot slot betwist hij c. dat hij draagkracht heeft voor de vastgestelde bijdrage. De vrouw voert verweer.
toetsingskader
3.15
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:157 lid 1 BW heeft een gewezen echtgenoot recht op een uitkering tot levensonderhoud indien deze niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft noch zich deze in redelijkheid kan verwerven.
3.16
Bij de beantwoording van de vraag of aan de gewezen echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud moet worden toegekend en zo ja, tot welk bedrag en voor hoe lang, dient volgens de wet en volgens vaste rechtspraak rekening te worden gehouden met de wettelijke maatstaven behoefte en draagkracht en overigens met alle omstandigheden van het geval, waaronder de behoeftigheid van de gewezen echtgenoot.
3.17
Van behoeftigheid is sprake als de onderhoudsgerechtigde niet voldoende inkomsten heeft, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven, om volledig in de eigen behoefte te kunnen voorzien.
(hoogte) behoefte vrouw
3.18
Niet langer is in geschil dat de concrete (consumptieve) uitgaven van partijen tijdens het huwelijk € 5.077,12 netto per maand bedroegen. De vrouw heeft daarvan een overzicht in het geding gebracht (productie 28) en de man heeft met dat overzicht ingestemd. De behoefte van de vrouw kan dan op 60% van deze concrete gezamenlijke uitgaven worden vastgesteld en dus op € 3.046,27 netto per maand.
3.19
Dat betekent ook dat het hof de stelling van de man, dat de vrouw haar werkelijke behoefte niet aantoont nu zij al meer dan twee jaar zonder een bijdrage van de man leeft, passeert. Tijdsverloop kan namelijk niet tot de conclusie leiden dat de huwelijksgerelateerde behoefte is verbleekt. Er moet immers worden gekeken naar alle omstandigheden van het geval. De enkele omstandigheid dat de vrouw noodgedwongen haar uitgavenpatroon zo heeft moeten inrichten dat zij met de door haar gegenereerde inkomsten in haar levensonderhoud kon voorzien, indien al juist, brengt niet mee dat haar huidige behoefte niet meer overeenkomt met de huwelijksgerelateerde behoefte.
3.20
Voor zover in de stellingen van de man moet worden gelezen dat hij een verband legt tussen het verbleken van behoefte enerzijds en het afnemen van lotsverbondenheid door tijdsverloop anderzijds, vindt dit geen steun in het recht. Hierbij verwijst het hof naar wat is overwogen door de Hoge Raad in zijn beschikking van 4 mei 2018: “(…)Weliswaar kan de door het huwelijk in het leven geroepen lotsverbondenheid als een grondslag voor het ontstaan van de alimentatieverplichting worden beschouwd, maar het voortduren van die verplichting berust niet op het voortduren van de lotsverbondenheid. Daarom kan het ‘afnemen’ of ‘vervallen’ van lotsverbondenheid geen grond zijn voor beëindiging van de alimentatieverplichting, ook niet in samenhang met andere omstandigheden (vgl. HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2058, NJ 2014/143, rov. 3.4.4 en 3.5) (…)”
resterende behoefte en behoeftigheid
3.21
In hoger beroep is in geschil of de vrouw méér inkomen zou kunnen genereren dan zij op dit moment feitelijk doet. De man neemt het standpunt in dat de vrouw parttime werkt en in staat kan worden geacht fulltime te gaan werken. Hij voert daartoe aan dat sprake is van een relatief kort huwelijk van ruim zes jaar, dat partijen op latere leeftijd met elkaar zijn getrouwd en uit het huwelijk geen kinderen zijn geboren. Het huwelijk heeft geen negatieve invloed gehad op de verdiencapaciteit van de vrouw. Er is dan ook geen grond voor vaststelling van partneralimentatie. De vrouw voert verweer.
3.22
Het hof overweegt het volgende. De vrouw stelt dat zij altijd op basis van een 32-urige werkweek heeft gewerkt. De man heeft dat niet weersproken. Sinds haar gehoorproblemen werkt zij in overleg met haar werkgever feitelijk 30 uur per week. Zij heeft aannemelijk gemaakt dat dit nodig is om een werkzaam leven vol te kunnen blijven houden. Het hof is van oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een werkweek van 36 uur, gelet op haar gehoorproblemen, niet van haar gevergd kan worden. Het hof gaat dan ook uit van het huidige inkomen van de vrouw.
3.23
Het hof gaat uit van het inkomen volgens de jaaropgaaf 2024, omdat daarin alle nodige gegevens staan. Aan de hand van het inkomen van de vrouw volgens deze jaaropgaaf, dat is een inkomen van € 33.768 op jaarbasis, berekent het hof het netto besteedbaar maandinkomen van de vrouw op € 2.483 (zie aangehechte berekening). Rekening houdende met een huwelijksgerelateerde behoefte van € 3.046,27 netto per maand en een eigen inkomen van € 2.483 netto per maand, resteert een behoefte aan partneralimentatie van € 563,27 netto per maand. Bruto is dit een bedrag van € 1.095 per maand.
uitgangspunten bij de berekening van de draagkracht van de man
3.24
Vervolgens is de vraag in hoeverre de man een bijdrage kan betalen. Daartoe onderzoekt het hof de draagkracht van de man en gebruikt daarvoor de forfaitaire benadering voor partneralimentatie door te rekenen met de redelijke kosten van levensonderhoud op basis van forfaits: een vast bedrag voor kosten van levensonderhoud van € 1.310 per maand in 2025, en een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen (NBI). Die bedragen worden afgetrokken van het NBI en van het restant is 60% beschikbaar als draagkracht voor partneralimentatie.
draagkracht man
3.25
De man stelt dat zijn inkomen niet toereikend is om de vastgestelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen. De vrouw betwist dat.
3.26
De Belgische werkgever van de man heeft verklaard (zie verklaring van 12 mei 2025, als productie 5 door de man bij zijn beroepschrift overgelegd) dat de man in 2024 een belastbaar loon heeft van € 61.002,21, dat dit resulteert in een netto loon van € 38.851,86 en dat hij daarnaast een bedrag van € 8.734,19 ter dekking van kosten voor uitvoering van zijn werkzaamheden ontvangt. Het hof gaat daarom uit van voornoemd netto inkomen op jaarbasis van € 38.851,86, dus een besteedbaar inkomen van € 3.238 per maand. Omdat er sprake is van buitenlandse belastingen laat het hof een draagkrachtberekening achterwege.
Dictum
Het hof:
4.1
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 25 februari 2025 onder 4.2 en in zoverre opnieuw beschikkende:
4.2
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 630 per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
4.3
bekrachtigt de beschikking voor het overige onder aanvulling van 4.4. eerste gedachtestreepje en bepaalt dat de vrouw aan de man wegens overbedeling moet voldoen € 2.700 (zie r.o. 3.7);
4.4
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.5
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
4.6
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, L. Hamer en M.E.L. Klein, bijgestaan door mr. G.J. Heuvelink als griffier, en is op 11 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Artikel 10:56 BW.
Artikel 3 sub b van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008).
Artikel 5 lid 1 van de Verordening Huwelijksvermogensstelsels (Verordening (EU)2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016).
Artikel 3:5 BW
HR 24 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1997:ZC2473.
zie overweging 2.12 van de conclusie van de A-G bij de uitspraak van de Hoge Raad van 9 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:313.
ECLI:NL:HR:2018:695, rov 3.3.5.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.354.954 en 200.357.508
(zaaknummer rechtbank Gelderland: 440421)
beschikking van 11 december 2025
inzake
[appellant] (de man)
die woont in [woonplaats1] , Belgiëadvocaat: mr. L.D.M. Rubens-Snijders
en
[geïntimeerde] (de vrouw)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. B.N. Wolters
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
De man heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem (hierna: de rechtbank) op 25 februari 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft gegeven. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 23 mei 2025
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties
- een journaalbericht van mr. Rubens-Snijders van 15 oktober 2025 met producties
- een journaalbericht van mr. Wolters van 20 oktober 2025 met producties.
1.2
De mondelinge behandeling heeft op 31 oktober 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
2De kern van de zaak
2.1
Partijen zijn [in] 2016 in [plaatsnaam1] met elkaar getrouwd, zonder het maken van huwelijkse voorwaarden. De vrouw heeft de Nederlandse en de man de Franse nationaliteit.
2.2
Op 19 juni 2024 heeft de vrouw de rechtbank verzocht de echtscheiding uit te spreken en ook heeft zij nevenvoorzieningen verzocht (partneralimentatie, huurrecht, verdeling van de huwelijksgemeenschap en afstand pensioenverevening en nabestaandenpensioen).
2.3
Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is (voor zover hier van belang) bepaald dat de man een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud vrouw moet betalen van € 1.984 per maand en is de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap gelast. De verzoeken van de vrouw ter zake van de toedeling van de gezamenlijke schuld bij de ING Bank N.V. en afstand van pensioenaanspraken (verevening en bijzonder nabestaandenpensioen) zijn afgewezen. De man heeft in deze procedure verstek laten gaan.
2.4
De bedoeling van het hoger beroep van de man is dat de bestreden beschikking voor een deel wordt vernietigd en dat het hof bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud alsnog afwijst, dan wel deze vaststelt op een bedrag die het juist vindt, met veroordeling van de vrouw om de te veel ontvangen partneralimentatie terug te betalen binnen twee weken na het wijzen van de beschikking. Verder dat het hof bepaalt dat de vrouw € 4.000 aan de man betaalt voor de toedeling van de Peugeot 108 met kenteken [kentekennummer] en € 2.500 ter zake van het massagematras.
2.5
De vrouw concludeert tot afwijzing/verwerping van de grieven van de man als zijnde onjuist en ongegrond. De bedoeling van haar hoger beroep is dat het hof, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat de man volledig draagplichtig is voor de schuld aan de ING Bank N.V. en bepaalt dat partijen hebben afgesproken dat er geen pensioenverevening plaatsvindt en dat partijen afstand doen van het voor en tijdens het huwelijk opgebouwde nabestaandenpensioen. Met veroordeling van de man in de proceskosten van de procedure in hoger beroep, dan wel compensatie van die kosten in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
2.6
De echtscheidingsbeschikking is [in] 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.7
Het hof beslist dat de bestreden beschikking voor wat betreft de vastgestelde bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw wordt vernietigd en voor wat betreft de gelaste wijze van verdeling wordt bekrachtigd met een aanvulling op die beslissing.
3De toelichting van het hof
IPR: rechtsmacht en toepasselijk recht
3.1
Gelet op het internationale karakter van de zaak is allereerst aan de orde of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om van de verzoeken kennis te nemen en welk rechtstelsel op de beoordeling van het verzoek van toepassing is. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking gemotiveerd uiteengezet waarom zij bevoegd is kennis te nemen van de verzoeken en waarom Nederlands recht van toepassing is. Na ambtshalve toetsing verenigt het hof zich met de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding, kennis te nemen van het alimentatieverzoek en ook ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen. Nu op het punt van het toepasselijk recht op de verschillende verzoeken geen grief is opgeworpen zal het hof net als de rechtbank Nederlands recht toepassen. Voor het huwelijksregime betekent dit dat partijen in gemeenschap van goederen zijn gehuwd zoals die gold voor 1 januari 2018 (de “oude” gemeenschap van goederen), nu zij geen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt (zie 2.1).
vermogensrechtelijke afwikkeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap
toetsingskader
3.2
Artikel 3:185 lid 1 BW bepaalt dat, als deelgenoten geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken, de rechter de wijze van verdeling gelast of zelf de verdeling vaststelt en daarbij naar billijkheid rekening houdt met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter is daarbij niet gebonden aan wat partijen over en weer hebben verzocht en hij behoeft niet - expliciet - in te gaan op wat partijen hebben aangevoerd.
peildata
3.3
Voor de beoordeling van de samenstelling en omvang van de gemeenschap is de datum van ontbinding bepalend, tenzij partijen daarvoor een andere datum hebben afgesproken. Aangezien van een dergelijke afspraak niet is gebleken geldt als peildatum 19 juni 2024 (datum indiening verzoek tot echtscheiding, zie 2.2).
3.4
Voor de bepaling van de waarde bij de verdeling moet worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling. Van deze hoofdregel wordt weliswaar afgeweken, indien partijen anders zijn overeengekomen of uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen beheersen anders voortvloeit, maar daarvan is hier niet gebleken.
schuld aan ING Bank N.V.
3.5
Tussen partijen is niet in geschil dat er een gezamenlijke schuld bestaat aan de ING Bank N.V. die tot de ontbonden gemeenschap behoort. Wel hebben partijen verschil van mening wie draagplichtig is voor deze schuld.
3.6
Het hof ziet geen grond om af te wijken van de hoofdregel dat ieder van de ex-echtgenoten voor de helft draagplichtig is voor gemeenschapsschulden. Van een totaalafspraak ter zake van de verdeling is het tussen partijen niet (meer) gekomen. De man heeft voldoende onderbouwd dat zijn aanbod, om de schuld volledig te dragen, alleen gold wanneer partijen tot een volledige afwikkeling van de verdeling van het huwelijksvermogen zouden komen (een totaalafspraak). Nu het partijen niet is gelukt om over de overige vermogensbestanddelen tot afspraken te komen, kan de man ook niet gehouden worden aan zijn aanbod om de schuld voor zijn rekening te nemen.
Conclusie
3.12
Grief I van de vrouw faalt. Grief II van de man slaagt voor een deel en faalt voor een deel.
pensioenverevening en nabestaandenpensioen
3.13
Het hof merkt grief II van de vrouw over de verevening van pensioenrechten en het afstand doen van het nabestaandenpensioen aan als een nevenvoorziening in de zin van artikel 827 lid 1 onder g Rv. De vrouw is dan ook ontvankelijk in haar verzoek. Over de pensioenen zijn partijen het met elkaar eens geworden. Beiden wensen uitsluiting van verevening. Een beslissing van het hof kan achterwege blijven, nu partijen hebben verklaard dat zij voornemens zijn de tussen hen gemaakte afspraak in een overeenkomst vast te leggen. De grief van de vrouw behoeft dan ook geen bespreking.
partneralimentatie
3.14
De man heeft een grief (I) geformuleerd waarin hij klaagt over de door de rechtbank bepaalde bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw. De grief valt uiteen in een aantal subgrieven (a, b en c). De man betwist a. de (hoogte van de) behoefte van de vrouw en stelt dat het toepassen van de hofnorm niet volstaat en b. de behoeftigheid. Hij is van mening dat de vrouw fulltime kan werken en op die manier in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Tot slot betwist hij c. dat hij draagkracht heeft voor de vastgestelde bijdrage. De vrouw voert verweer.
toetsingskader
3.15
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:157 lid 1 BW heeft een gewezen echtgenoot recht op een uitkering tot levensonderhoud indien deze niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft noch zich deze in redelijkheid kan verwerven.
3.16
Bij de beantwoording van de vraag of aan de gewezen echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud moet worden toegekend en zo ja, tot welk bedrag en voor hoe lang, dient volgens de wet en volgens vaste rechtspraak rekening te worden gehouden met de wettelijke maatstaven behoefte en draagkracht en overigens met alle omstandigheden van het geval, waaronder de behoeftigheid van de gewezen echtgenoot.
3.17
Van behoeftigheid is sprake als de onderhoudsgerechtigde niet voldoende inkomsten heeft, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven, om volledig in de eigen behoefte te kunnen voorzien.
(hoogte) behoefte vrouw
3.18
Niet langer is in geschil dat de concrete (consumptieve) uitgaven van partijen tijdens het huwelijk € 5.077,12 netto per maand bedroegen. De vrouw heeft daarvan een overzicht in het geding gebracht (productie 28) en de man heeft met dat overzicht ingestemd. De behoefte van de vrouw kan dan op 60% van deze concrete gezamenlijke uitgaven worden vastgesteld en dus op € 3.046,27 netto per maand.
3.19
Dat betekent ook dat het hof de stelling van de man, dat de vrouw haar werkelijke behoefte niet aantoont nu zij al meer dan twee jaar zonder een bijdrage van de man leeft, passeert. Tijdsverloop kan namelijk niet tot de conclusie leiden dat de huwelijksgerelateerde behoefte is verbleekt. Er moet immers worden gekeken naar alle omstandigheden van het geval. De enkele omstandigheid dat de vrouw noodgedwongen haar uitgavenpatroon zo heeft moeten inrichten dat zij met de door haar gegenereerde inkomsten in haar levensonderhoud kon voorzien, indien al juist, brengt niet mee dat haar huidige behoefte niet meer overeenkomt met de huwelijksgerelateerde behoefte.
3.20
Voor zover in de stellingen van de man moet worden gelezen dat hij een verband legt tussen het verbleken van behoefte enerzijds en het afnemen van lotsverbondenheid door tijdsverloop anderzijds, vindt dit geen steun in het recht. Hierbij verwijst het hof naar wat is overwogen door de Hoge Raad in zijn beschikking van 4 mei 2018: “(…)Weliswaar kan de door het huwelijk in het leven geroepen lotsverbondenheid als een grondslag voor het ontstaan van de alimentatieverplichting worden beschouwd, maar het voortduren van die verplichting berust niet op het voortduren van de lotsverbondenheid. Daarom kan het ‘afnemen’ of ‘vervallen’ van lotsverbondenheid geen grond zijn voor beëindiging van de alimentatieverplichting, ook niet in samenhang met andere omstandigheden (vgl. HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2058, NJ 2014/143, rov. 3.4.4 en 3.5) (…)”
resterende behoefte en behoeftigheid
3.21
In hoger beroep is in geschil of de vrouw méér inkomen zou kunnen genereren dan zij op dit moment feitelijk doet. De man neemt het standpunt in dat de vrouw parttime werkt en in staat kan worden geacht fulltime te gaan werken. Hij voert daartoe aan dat sprake is van een relatief kort huwelijk van ruim zes jaar, dat partijen op latere leeftijd met elkaar zijn getrouwd en uit het huwelijk geen kinderen zijn geboren. Het huwelijk heeft geen negatieve invloed gehad op de verdiencapaciteit van de vrouw. Er is dan ook geen grond voor vaststelling van partneralimentatie. De vrouw voert verweer.
3.22
Het hof overweegt het volgende. De vrouw stelt dat zij altijd op basis van een 32-urige werkweek heeft gewerkt. De man heeft dat niet weersproken. Sinds haar gehoorproblemen werkt zij in overleg met haar werkgever feitelijk 30 uur per week. Zij heeft aannemelijk gemaakt dat dit nodig is om een werkzaam leven vol te kunnen blijven houden. Het hof is van oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een werkweek van 36 uur, gelet op haar gehoorproblemen, niet van haar gevergd kan worden. Het hof gaat dan ook uit van het huidige inkomen van de vrouw.
3.23
Het hof gaat uit van het inkomen volgens de jaaropgaaf 2024, omdat daarin alle nodige gegevens staan. Aan de hand van het inkomen van de vrouw volgens deze jaaropgaaf, dat is een inkomen van € 33.768 op jaarbasis, berekent het hof het netto besteedbaar maandinkomen van de vrouw op € 2.483 (zie aangehechte berekening). Rekening houdende met een huwelijksgerelateerde behoefte van € 3.046,27 netto per maand en een eigen inkomen van € 2.483 netto per maand, resteert een behoefte aan partneralimentatie van € 563,27 netto per maand. Bruto is dit een bedrag van € 1.095 per maand.
uitgangspunten bij de berekening van de draagkracht van de man
3.24
Vervolgens is de vraag in hoeverre de man een bijdrage kan betalen. Daartoe onderzoekt het hof de draagkracht van de man en gebruikt daarvoor de forfaitaire benadering voor partneralimentatie door te rekenen met de redelijke kosten van levensonderhoud op basis van forfaits: een vast bedrag voor kosten van levensonderhoud van € 1.310 per maand in 2025, en een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen (NBI). Die bedragen worden afgetrokken van het NBI en van het restant is 60% beschikbaar als draagkracht voor partneralimentatie.
draagkracht man
3.25
De man stelt dat zijn inkomen niet toereikend is om de vastgestelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen. De vrouw betwist dat.
3.26
De Belgische werkgever van de man heeft verklaard (zie verklaring van 12 mei 2025, als productie 5 door de man bij zijn beroepschrift overgelegd) dat de man in 2024 een belastbaar loon heeft van € 61.002,21, dat dit resulteert in een netto loon van € 38.851,86 en dat hij daarnaast een bedrag van € 8.734,19 ter dekking van kosten voor uitvoering van zijn werkzaamheden ontvangt. Het hof gaat daarom uit van voornoemd netto inkomen op jaarbasis van € 38.851,86, dus een besteedbaar inkomen van € 3.238 per maand. Omdat er sprake is van buitenlandse belastingen laat het hof een draagkrachtberekening achterwege.
Dictum
Het hof:
4.1
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 25 februari 2025 onder 4.2 en in zoverre opnieuw beschikkende:
4.2
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 630 per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
4.3
bekrachtigt de beschikking voor het overige onder aanvulling van 4.4. eerste gedachtestreepje en bepaalt dat de vrouw aan de man wegens overbedeling moet voldoen € 2.700 (zie r.o. 3.7);
4.4
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.5
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
4.6
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, L. Hamer en M.E.L. Klein, bijgestaan door mr. G.J. Heuvelink als griffier, en is op 11 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Artikel 10:56 BW.
Artikel 3 sub b van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008).
Artikel 5 lid 1 van de Verordening Huwelijksvermogensstelsels (Verordening (EU)2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016).
Artikel 3:5 BW
HR 24 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1997:ZC2473.
zie overweging 2.12 van de conclusie van de A-G bij de uitspraak van de Hoge Raad van 9 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:313.
ECLI:NL:HR:2018:695, rov 3.3.5.