Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-11-12
ECLI:NL:GHARL:2025:7114
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht, Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
2,678 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.352.226/01
CJIB-nummer
: 265480850
Uitspraak d.d.
: 12 november 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 21 februari 2025, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen zekerheid is gesteld.
2. De gemachtigde voert aan dat hij namens de betrokkene op 30 oktober 2024 een beroepschrift heeft ingediend. De rechtbank heeft echter nagelaten de gemachtigde als een gemachtigde te erkennen en heeft in strijd met artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen met de betrokkene gecorrespondeerd. De gemachtigde is daarmee de kans ontnomen om, hangende de procedure, een draagkrachtverweer in te voeren. Ook de herinnering tot zekerheidstelling is ten onrechte niet aan de gemachtigde verzonden.
3. Uit de stukken blijkt het volgende. De betrokkene heeft zelf op 24 september 2024 beroep ingesteld tegen de door het Parket CVOM verzonden beslissing van de officier van justitie van
19 september 2024. Bij brief van 24 september 2024 is de betrokkene gewezen op de wettelijke verplichting om vóór de behandeling van het beroepschrift door de kantonrechter zekerheid te stellen voor het bedrag van de sanctie en de administratiekosten. Bij brief van 12 oktober 2024 is de betrokkene opnieuw in de gelegenheid gesteld om zekerheid te stellen. In beide brieven is de betrokkene daarvoor steeds een termijn van twee weken verleend. Op 30 oktober 2024 heeft de gemachtigde beroep ingesteld. Daarbij is niets vermeld over de draagkracht van de betrokkene, maar er is wel verzocht om stukken en een termijn om de gronden van het beroep aan te vullen. Op
24 november 2024 heeft de betrokkene zelf via het Digitale Loket Verkeer doorgegeven geen zekerheid te kunnen stellen.
4. De gemachtigde voert aan dat een termijn om een verzuim te herstellen niet eerder kan eindigen dan de beroepstermijn. Verder voert de gemachtigde aan dat niet-ontvankelijkheid van een beroep dat door de betrokkene is ingesteld in het civiele recht er niet aan in de weg staat om een rechtsvordering opnieuw aanhangig te maken. Aangezien het bestuursrecht een verbijzondering is van het civiele recht, ligt het voor de hand dat daarover in deze procedure niet anders moet worden gedacht.
5. De gemachtigde heeft zich na verzending van beide zekerheidsbrieven in de procedure gevoegd. De brieven zijn dan ook terecht naar de betrokkene verzonden zodat geen sprake is van schending van artikel 6:17 van de Awb. De stelling dat een termijn om een verzuim te herstellen niet eerder kan eindigen dan de beroepstermijn, vindt geen steun in het recht. De termijn om een verzuim betreffende het niet stellen van zekerheid (of het aanvoeren van een draagkrachtverweer) te herstellen eindigde na de in de tweede zekerheidsbrief vermelde termijn van twee weken, te weten op
26 oktober 2024. De stelling van de gemachtigde dat niet-ontvankelijkheid van het beroep dat door de betrokkene zelf was ingesteld er niet aan in de weg staat dat de gemachtigde een separate procedure aanhangig maakt, slaagt reeds niet omdat bij het instellen van beroep door de gemachtigde nog geen sprake was van een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Nu geen zekerheid is gesteld of een draagkrachtverweer is gevoerd binnen de in de zekerheidsbrieven vermelde termijn, heeft de kantonrechter het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. De gronden treffen geen doel.
6. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Voor het toekennen van een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari, als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.352.226/01
CJIB-nummer
: 265480850
Uitspraak d.d.
: 12 november 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 21 februari 2025, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen zekerheid is gesteld.
2. De gemachtigde voert aan dat hij namens de betrokkene op 30 oktober 2024 een beroepschrift heeft ingediend. De rechtbank heeft echter nagelaten de gemachtigde als een gemachtigde te erkennen en heeft in strijd met artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen met de betrokkene gecorrespondeerd. De gemachtigde is daarmee de kans ontnomen om, hangende de procedure, een draagkrachtverweer in te voeren. Ook de herinnering tot zekerheidstelling is ten onrechte niet aan de gemachtigde verzonden.
3. Uit de stukken blijkt het volgende. De betrokkene heeft zelf op 24 september 2024 beroep ingesteld tegen de door het Parket CVOM verzonden beslissing van de officier van justitie van
19 september 2024. Bij brief van 24 september 2024 is de betrokkene gewezen op de wettelijke verplichting om vóór de behandeling van het beroepschrift door de kantonrechter zekerheid te stellen voor het bedrag van de sanctie en de administratiekosten. Bij brief van 12 oktober 2024 is de betrokkene opnieuw in de gelegenheid gesteld om zekerheid te stellen. In beide brieven is de betrokkene daarvoor steeds een termijn van twee weken verleend. Op 30 oktober 2024 heeft de gemachtigde beroep ingesteld. Daarbij is niets vermeld over de draagkracht van de betrokkene, maar er is wel verzocht om stukken en een termijn om de gronden van het beroep aan te vullen. Op
24 november 2024 heeft de betrokkene zelf via het Digitale Loket Verkeer doorgegeven geen zekerheid te kunnen stellen.
4. De gemachtigde voert aan dat een termijn om een verzuim te herstellen niet eerder kan eindigen dan de beroepstermijn. Verder voert de gemachtigde aan dat niet-ontvankelijkheid van een beroep dat door de betrokkene is ingesteld in het civiele recht er niet aan in de weg staat om een rechtsvordering opnieuw aanhangig te maken. Aangezien het bestuursrecht een verbijzondering is van het civiele recht, ligt het voor de hand dat daarover in deze procedure niet anders moet worden gedacht.
5. De gemachtigde heeft zich na verzending van beide zekerheidsbrieven in de procedure gevoegd. De brieven zijn dan ook terecht naar de betrokkene verzonden zodat geen sprake is van schending van artikel 6:17 van de Awb. De stelling dat een termijn om een verzuim te herstellen niet eerder kan eindigen dan de beroepstermijn, vindt geen steun in het recht. De termijn om een verzuim betreffende het niet stellen van zekerheid (of het aanvoeren van een draagkrachtverweer) te herstellen eindigde na de in de tweede zekerheidsbrief vermelde termijn van twee weken, te weten op
26 oktober 2024. De stelling van de gemachtigde dat niet-ontvankelijkheid van het beroep dat door de betrokkene zelf was ingesteld er niet aan in de weg staat dat de gemachtigde een separate procedure aanhangig maakt, slaagt reeds niet omdat bij het instellen van beroep door de gemachtigde nog geen sprake was van een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Nu geen zekerheid is gesteld of een draagkrachtverweer is gevoerd binnen de in de zekerheidsbrieven vermelde termijn, heeft de kantonrechter het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. De gronden treffen geen doel.
6. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Voor het toekennen van een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari, als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.