Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2025-11-04
ECLI:NL:GHARL:2025:6925
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.337.912 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere, 10002614 arrest van 4 november 2025 in de zaak van Dexia Nederland B.V. die is gevestigd in Amsterdam die hoger beroep heeft ingesteld en bij de kantonrechter optrad als eisende partij hierna: Dexia advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer tegen [geïtimeerde] die woont in [woonplaats] en bij de kantonrechter optrad als gedaagde partij hierna (in mannelijk enkelvoud): de afnemer advocaat: mr. J.B. Maliepaard 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. Dexia heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere, (hierna: de kantonrechter) op 9 november 2023 tussen partijen heeft uitgesproken (hierna: het bestreden vonnis). Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep de memorie van grieven de memorie van antwoord de akte uitlaten producties van Dexia. 2 De kern van de zaak 2.1. Deze zaak gaat over één effectenleaseovereenkomst (hierna: de effectenleaseovereenkomst) die via een tussenpersoon (Spaarkrediet Centrale, hierna: de tussenpersoon) tot stand is gekomen tussen Dexia en de afnemer. Centraal staat de vraag of de afnemer door de tussenpersoon is geadviseerd terwijl deze niet over de daarvoor vereiste vergunning beschikte en of Dexia dat wist dan wel behoorde te weten. Indien dat het geval is, is Dexia gehouden de door de afnemer geleden schade volledig te vergoeden. 2.2. Dexia heeft gevorderd een verklaring voor recht dat Dexia met betrekking tot de effectenleaseovereenkomst aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan de afnemer is verschuldigd, alsmede een veroordeling van de afnemer in de proceskosten. 2.3. De kantonrechter heeft overwogen dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en de schade van de afnemer geheel voor Dexia’s rekening komt, heeft voor recht verklaard dat Dexia niets meer aan de afnemer verschuldigd is nadat is overgegaan tot uitbetaling van de in het vonnis omschreven schadevergoeding en heeft de vorderingen van Dexia voor het overige afgewezen. In dit hoger beroep behandelt het hof de vorderingen van Dexia opnieuw. 2.4. Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen. 2.5. Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de weergave van de vorderingen van Dexia en de grondslagen daarvan. Deze weergave is in hoger beroep niet bestreden. 2.6. In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen. 2.7. De afnemer heeft geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, althans afwijzing van Dexia’s vorderingen. 3 Het oordeel van het hof 3.1 De effectenleaseovereenkomst is oorspronkelijk gesloten tussen de toenmalige partner van de afnemer, [naam] , en Bank Labouchere (rechtsvoorganger van Dexia). Bij de beëindiging van de relatie tussen de afnemer en [naam] hebben de afnemer en [naam] aan Bank Labouchere verzocht ermee in te stemmen dat de effectenleaseovereenkomst door de afnemer werd overgenomen. Bank Labouchere heeft daarmee ingestemd. 3.2 Dexia heeft in hoger beroep aangevoerd dat sprake is van contractsovername (artikel 6:159 BW) en dat de vordering tot schadevergoeding die in deze procedure aan de orde is, geen onderdeel uitmaakt van de contractsovername. 3.3 De grief slaagt. Het recht op schadevergoeding wegens schending van een precontractuele zorgplicht volgt niet uit de overeenkomst zelf, maar is gebaseerd op onrechtmatige daad. Een onrechtmatige daad schept een verbintenis tot schadevergoeding. Een dergelijke verbintenis maakt in beginsel geen deel uit van de rechtsverhouding die door de overeenkomst tussen partijen is ontstaan en die