Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-11-04
ECLI:NL:GHARL:2025:6864
Civiel recht
Hoger beroep kort geding
2,385 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.344.733
(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 315710)
arrest in kort geding van 4 november 2025
in de zaak van
[appellant] (de man)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. R. Westendorp-Hertgers
tegen
[geintimeerde] (de vrouw)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. G.A.P. Avontuur
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
Naar aanleiding van het arrest van 11 maart 2025 heeft op 23 oktober 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. De zaak is in dat arrest voor die mondelinge behandeling verwezen naar een enkelvoudige kamer. Omdat de zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt was voor behandeling door één raadsheer, heeft de enkelvoudige kamer de zaak vervolgens voor de mondelinge behandeling en de beslissing terugverwezen naar de meervoudige kamer. Van de mondelinge behandeling is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Daarin is vermeld dat namens beide partijen nog stukken zijn ingediend (door de man de bijlagen 6-10; door de vrouw de bijlagen 42-46).
2De kern van de zaak
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. De man heeft een woning in [woonplaats3] in [land1] . [in] 2023 zijn zaken uit de inboedel van de voormalige woning van de vrouw in [woonplaats2] verhuisd naar de woning van de man in [woonplaats3] . Na verbreking van de relatie [in] 2024 heeft de vrouw een en andermaal aan de man gevraagd deze zaken aan haar af te geven. Zij heeft de man ter dekking van transportkosten € 4.180,55 betaald. Van afgifte is het niet gekomen. De vrouw heeft [met ingang van] 2024 een nieuwe woning in [woonplaats2] .
2.2.
De vrouw heeft 7 juni 2024 de voorzieningenrechter gevraagd onmiddellijke voorzieningen bij voorraad te geven en de man te veroordelen aan de vrouw al haar inboedelzaken in de villa in [woonplaats3] af te geven – op de wijze zoals opgenomen in haar dagvaarding – op straffe van een dwangsom en aan haar € 4.188,55 terug te betalen.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft de gevraagde onmiddellijke voorzieningen bij voorraad gegeven (vonnis van 2 juli 2024, zoals hersteld in het vonnis van 10 juli 2024) en de man veroordeeld:
tot afgifte van alle aan de vrouw in eigendom toebehorende zaken die zijn vermeld op bijlage 4 bij de dagvaarding met uitzondering van de Richmond spullen die op die lijst staan;
om zijn onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de noodzakelijke openstelling van zijn woning in [woonplaats3] voor de verhuizers die de vrouw zal inschakelen;
een dwangsom van € 200 per dag te betalen als hij niet doet waartoe hij is veroordeeld met een maximum van € 50.000;
aan de vrouw € 4.180,55 terug te betalen.
De proceskosten zijn gecompenseerd.
2.4.
De bedoeling van het hoger beroep van de man is dat de gegeven voorzieningen onder 1-3 alsnog worden geweigerd. De bedoeling van het hoger beroep van de vrouw is dat de man ook wordt veroordeeld aan de vrouw Richmond zaken af te geven.
2.5.
Het hof zal beslissen dat er de onmiddellijke voorzieningen bij voorraad onder 1-3 die de voorzieningenrechter heeft gegeven nog geboden zijn en licht dat hierna toe. Het hof laat het vonnis van de voorzieningenrechter grotendeels in stand en beslist voor een deel anders.
3De toelichting op de beslissing van het hof
rechtsmacht en toepasselijk recht
3.1.
Deze zaak heeft grensoverschrijdende aspecten. Partijen wonen in Nederland, maar de spullen waarvan afgifte wordt gevraagd bevinden zich voor een groot deel in [woonplaats3] ( [land1] ). De Nederlandse rechter is bevoegd in deze zaak te oordelen. De gedaagde in eerste aanleg (de man) woont in Nederland (artikel 2 Rv) en er is voor deze zaken (afgifte spullen) niets anders over de rechtsmacht bepaald in verdragen en EU-verordeningen (artikel 1 Rv). Brussel I-bis bevat slechts een regeling voor de internationale bevoegdheid van de rechter bij goederenrechtelijke kwesties die gaan over onroerende zaken (artikel 24 onder 1 van deze verordening) en niet voor roerende zaken. Het Nederlands recht is van toepassing. Dat heeft de voorzieningenrechter zo beslist en geen van partijen heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Hoger beroep van de man
grief 1: niet alle zaken van bijlage 4 zijn bij de man in [woonplaats3]
3.2.
In 6. van zijn memorie van grieven noemt de man de zaken van de vrouw die bij hem in [woonplaats3] zijn en die ze kan ophalen. In 8-14 noemt de man zaken die wel op bijlage 4 staan, maar die niet bij de man in [woonplaats3] zijn. Hij kan ze dan ook niet aan haar afgeven. In 15 noemt de man een Jura koffiemachine en televisietoestellen van Samsung die van hem zijn en niet van de vrouw. Die zaken zal hij dan ook niet aan de vrouw afgeven.
3.3.
De vrouw wijst er nogmaals op dat de gehele inboedel uit haar voormalige woning in [woonplaats2] naar [woonplaats3] is verhuisd. Zij vindt het opmerkelijk dat de man in zijn memorie van grieven toegeeft dat hij ook de Richmond spullen heeft. De man heeft de spullen die hij in 8-14 noemt wel. De vrouw heeft hier foto’s van (bijlage 3 van de vrouw). De man legt onjuiste verklaringen af over de spullen die hij bespreekt in 13, 14f, 14o, 14p, 14r, 14t en 14ll van zijn memorie van grieven. Zij benadrukt dat de Jura koffiemachine en de Samsung televisietoestellen van haar zijn; ook hiervoor heeft ze foto’s. De man liegt en daaraan moet het hof het gevolg verbinden dat haar vordering geheel moet worden toegewezen. Zij sluit af met de conclusie dat haar bijlage 4 klopt.
3.4.
Het hof heeft op de mondelinge behandeling bij het hof bijlage 4 van de vrouw per onderdeel besproken. Daarbij is ook gebruik gemaakt van bijlage 10 van de man die gelijk is aan bijlage 4 van de vrouw. Op zijn bijlage 10 heeft de man met geel gearceerd in kolom 2 aangegeven welke spullen aanwezig zijn en in (de niet met een kleur gearceerde kolom 1) welke spullen er niet zijn. Uit die bespreking volgt dat de spullen uit kolom 2 er nog zijn en dat ook een groot deel van de spullen in kolom 1 nog aanwezig is. Verder heeft de man van een aantal spullen verklaard dat ze er wellicht niet meer zijn en dat hij daarvoor de verantwoordelijkheid neemt. Het hof begrijpt dat laatste zo dat de man, als die spullen niet boven water komen, aan de vrouw de waarde daarvan vergoedt of vervangende spullen aan haar geeft. De man moet alle spullen van bijlage 4/10 die er nog zijn aan de vrouw afgeven. Partijen kunnen aan de hand van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof eenvoudig vaststellen om welke spullen het gaat.
3.5.
Dat betekent dat grief 1 van de man grotendeels faalt en slechts slaagt voor de spullen die hij niet heeft.
grief 2: bereidwilligheid man; veroordeling onnodig
3.6.
De man zegt dat hij altijd bereid is geweest de spullen aan de vrouw af te geven. Een veroordeling daartoe is niet nodig. De vrouw denkt daar heel anders over. Zij zegt dat de man alles frustreert en onmogelijke voorwaarden verbindt aan zijn medewerking of zegt dat er praktisch niets meer is om op te halen. De man is onnavolgbaar en zegt de ene keer dit en de andere keer dat.
Dictum
Het hof:
in het principaal en het incidenteel hoger beroep
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 2 juli 2024, zoals hersteld in het vonnis van 10 juli 2024;
4.2.
bepaalt dat de man ook de Richmond spullen aan de vrouw moet afgeven;
4.3.
bepaalt dat de man de spullen die op bijlage 10 van de man zijn vermeld en die er niet meer zijn, niet hoeft af te geven;
4.4.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad, voor zover de man daarin is veroordeeld tot de afgifte van andere spullen dan waartoe de voorzieningenrechter hem had veroordeeld;
4.5.
bepaalt dat ieder de eigen proceskosten van dit hoger beroep draagt;
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R. Prakke-Nieuwenhuizen, en J.U.M. van der Werff is in het openbaar uitgesproken op 4 november 2025.
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking)