Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-10-21
ECLI:NL:GHARL:2025:6505
Civiel recht
Tussenuitspraak
3,893 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.337.445
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, 9194762
arrest van 21 oktober 2025
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.
die is gevestigd in Amsterdam
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als eisende partij
hierna: Dexia
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats]
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde partij
hierna (in mannelijk enkelvoud): de afnemer
advocaat: mr. J.B. Maliepaard
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Dexia heeft hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, (hierna: de kantonrechter) op 28 februari 2023 en 17 oktober 2023 tussen partijen heeft uitgesproken (hierna gezamenlijk: het bestreden vonnis). Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de memorie van grieven
de memorie van antwoord
de akte uitlaten producties van Dexia.
2
2. De kern van de zaak
2.1.
Tussen Dexia en de afnemer zijn in 1997 vier effectenleaseovereenkomst gesloten (hierna gezamenlijk: de overeenkomst) via tussenpersoon Legio Lease. De toenmalige echtgenoot van de afnemer had geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van de overeenkomst. Bij brief van 13 juli 2006 heeft de toenmalige echtgenoot van de afnemer aan Dexia bericht dat zij, vanwege het ontbreken van die toestemming, de overeenkomst vernietigt (op grond van artikelen 1:88 en 1:89 BW). In deze procedure stelt de afnemer dat hij, vanwege die vernietiging van de overeenkomst, nog een vordering heeft op Dexia. Tussen partijen is in geschil of het vernietigingsrecht ten tijde van het uitbrengen van de vernietigingsverklaring was verjaard.
2.2.
Dexia heeft bij de kantonrechter gevorderd, kort gezegd, te verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst aan al haar verbintenissen heeft voldaan en niets meer aan de afnemer verschuldigd is. Ook heeft Dexia gevorderd de afnemer te veroordelen in de proceskosten. De afnemer heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van Dexia niet toewijsbaar is.
2.3.
De kantonrechter heeft, na Dexia in de gelegenheid te hebben gesteld om bewijs te leveren, het beroep van Dexia op verjaring verworpen en heeft geoordeeld dat de overeenkomst rechtsgeldig vernietigd is. De kantonrechter heeft de vorderingen van Dexia afgewezen en Dexia veroordeeld in de proceskosten.
2.4.
Het hof verwijst naar de feiten die de kantonrechter in het bestreden vonnis heeft vastgesteld. Deze feiten zijn – behoudens voor zover hierna anders is vermeld – niet bestreden, en die niet-bestreden feiten vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt.
2.5.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de weergave van de vorderingen van Dexia en de grondslagen daarvan. Deze weergave is in hoger beroep niet bestreden.
2.6.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en het alsnog volledig toewijzen van haar vorderingen.
2.7.
De afnemer heeft geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, althans afwijzing van Dexia’s vorderingen.
Beoordeling
De grieven van Dexia
3.1.
Dexia voert in dit hoger beroep drie grieven aan. De eerste twee grieven richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat er geen aanleiding is om een bewijsvermoeden omtrent de bekendheid van de echtgenote van de afnemer met de overeenkomst aan te nemen. De derde grief ziet op de bewijswaardering. Dexia stelt dat de echtgenote van afnemer op een eerdere datum dan 13 maart 2000 al bekend was met de overeenkomsten en dat het beroep op artikel 1:88 jo. 1:89 BW daarom is verjaard.
3.2.
Het hof zal, voordat nader wordt ingegaan op deze grieven, eerst ingaan op het toetsingskader in deze zaak.
Toetsingskader vernietiging wegens ontbreken toestemming echtgenoot
3.3.
Effectenleaseovereenkomsten worden aangemerkt als huurkoop. Dat maakt dat voor het aangaan van effectenleaseovereenkomsten schriftelijke toestemming van de echtgenoot van de afnemer was vereist (zie artikel 1:88 lid 1 sub d BW). De echtgenoot van de afnemer heeft de mogelijkheid de effectenleaseovereenkomst te vernietigen als hij/zij aan de afnemer geen toestemming voor het sluiten van die overeenkomst had verleend (zie artikel 1:89 lid 1 BW). De verjaringstermijn voor de rechtsvordering tot vernietiging is drie jaar (artikel 3:52 lid 1 sub d BW). Na de verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, kan ook niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd (artikel 3:52 lid 2 BW).
3.4.
De verjaringstermijn van de rechtsvordering tot vernietiging vangt aan op het moment dat de betrokken echtgenoot daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenoot bekend zijn, en niet de bekendheid van de echtgenoot met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenoot wist van de overeenkomst en niet om de vraag op welk moment de echtgenoot wist of begreep dat hij/zij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Daarnaast geldt dat op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, de stelplicht en – bij voldoende betwisting – de bewijslast rust van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenoot met de overeenkomst kan worden afgeleid. Wanneer de feiten en omstandigheden omtrent die daadwerkelijke bekendheid zich – zoals in dit geval – geheel in de sfeer van de wederpartij hebben afgespeeld, brengen de eisen van de goede procesorde mee dat aan de feitelijke onderbouwing van die stellingen door degene die zich op verjaring beroept (in dit geval: Dexia) niet te zware eisen mogen worden gesteld. Uit de rechtspraak volgt bovendien dat in geval van betalingen in het kader van de effectenleaseovereenkomst vanaf een en/of-rekening, de rechter aan dat gegeven een bewijsvermoeden kan ontlenen met betrekking tot de aanvang van de verjaringstermijn, dit in die zin dat dan vermoed wordt, behoudens tegensbewijs, dat de echtgenoot bekend werd met de overeenkomst op de datum dat het eerste bankafschrift waarop de betaling aan Dexia vermeld is, ontvangen werd.
3.5.
Het hof neemt verder in aanmerking dat uit het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 volgt dat in gevallen als deze, de bevoegdheid van de echtgenoot tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging, op 13 maart 2003 is gestuit als gevolg van de op die datum ingestelde collectieve actie van onder meer Stichting Eegalease. Aangezien voor deze rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten tijdig is gestuit bij alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in gevallen waarin de overeenkomst weliswaar vóór die datum is gesloten, maar de echtgenoot pas ná 13 maart 2000 bekend werd met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan op het moment dat de echtgenoot daadwerkelijk bekend wordt met de overeenkomst.
3.6.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 volgt dat de op 13 maart 2003 aangevangen stuiting, doorloopt tot zes maanden na het einde van de collectieve procedure. De collectieve procedure is op 25 januari 2007, met de beslissing op het verzoek tot verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst, geëindigd op een andere wijze dan door toewijzing van de vordering (als bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW). Daarom diende, tot behoud van de stuitende werking van die procedure, uiterlijk op 25 juli 2007 de vordering of buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten te worden ingesteld, respectievelijk uitgebracht.
Beroep van Dexia op verjaring – toepassing van het toetsingskader
3.7.
De overeenkomst waar het in deze zaak om gaat, is gesloten op 15 augustus 1997. De echtgenote van de afnemer – [echtgenote] – heeft bij brief van 13 juli 2006 aan Dexia bericht dat zij de door haar echtgenoot gesloten effectenleaseovereenkomst vernietigt op grond van artikel 1:88 lid 1 sub d jo 1:89 BW, dit omdat zij geen (schriftelijke) toestemming gegeven had voor het sluiten van die overeenkomst. Dexia stelt dat het vernietigingsrecht ten tijde van het uitbrengen van die verklaring al verjaard was en dat het beroep van de afnemer op de vernietigingsverklaring om die reden tevergeefs is.
3.8.
Vast staat dat de verjaring voor het eerst op 13 maart 2003 is gestuit, namelijk door de aanvang van de genoemde collectieve procedure. De verklaring tot vernietiging van [echtgenote] is uitgebracht bij brief van 13 juli 2006, dus nog voordat de collectieve procedure in 2007 eindigde. Dat betekent dat het vernietigingsrecht van [echtgenote] bij het uitbrengen van de vernietigingsverklaring alleen verjaard was, als de verjaringstermijn op of voor 13 maart 2000 is aangevangen. Dat laatste is het geval indien – kort gezegd – [echtgenote] op of voor 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend is geworden met de overeenkomst.
3.9.
Dexia betoogt dat [echtgenote] al vóór 13 maart 2000 met de overeenkomst bekend is geworden. Daarbij heeft Dexia onder meer opgemerkt dat de maandelijkse betalingen aan Dexia gedaan werden vanaf een gezamenlijke rekening van de afnemer en de echtgenoot, dat de totale leasesom een relatief grote omvang had van € 38.423,70, en dat de afnemer geen rekeningafschriften heeft overgelegd zodat niet aan de hand van dergelijke afschriften vastgesteld kan worden of ook de echtgenoot de gezamenlijke rekening gebruikte. Verder heeft Dexia erop gewezen dat er vanaf 1997 meerdere keren poststukken naar het adres van de afnemer en [echtgenote] zijn gestuurd. Volgens Dexia ligt het verder in de rede dat er gezamenlijk belastingaangifte werd gedaan.
3.10.
De afnemer betwist dat [echtgenote] vóór 13 maart 2000 al met de overeenkomst bekend was. Volgens de afnemer had hij zijn echtgenote aanvankelijk niet verteld dat hij de overeenkomst had afgesloten. De overeenkomst is schriftelijk tot stand gekomen. De afnemer wilde sparen voor later. De betalingen aan Dexia vonden weliswaar plaats vanaf een gezamenlijke rekening, maar de afnemer beheerde die rekening en [echtgenote] gebruikte die rekening niet, althans pas vanaf 2003. De bankafschriften van de rekening werden door de afnemer zelf geopend. De echtgenote keek niet op die afschriften en zij heeft ook nooit een betaling van of aan Dexia gezien. De belastingaangifte werd verzorgd door een accountant en de ingevulde aangifte werd door [echtgenote] niet ingekeken, aldus telkens de afnemer in zijn conclusie van dupliek. Volgens de afnemer heeft hij pas in maart 2002 na negatieve mediaberichten zijn echtgenoot voor het eerst over het bestaan van de overeenkomst ingelicht.
Dictum
Het hof:
4.1.
laat de afnemer toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden dat [echtgenote] vóór 13 maart 2000 bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst (de effectenleaseovereenkomsten met contractnummers [contractnummer1] , [contractnummer2] , [contractnummer3] en [contractnummer4] );
4.2.
als getuigen worden gehoord, zal raadsheer-commissaris mr. M. Schoemaker de getuigen verhoren op de zittingslocatie van het hof aan de Schuurmanstraat 2 in Zwolle (gerechtsgebouw Rechtbank Overijssel); partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn;
4.3.
de afnemer moet op dinsdag 4 november 2025 laten weten hoeveel getuigen hij wil laten horen met opgave van de verhinderdagen van die getuigen, van partijen en van hun advocaten over de maanden december 2024 en januari 2026; daarna stelt het hof de dag en het tijdstip van het verhoor vast; dat gebeurt ook als de opgave onvolledig is;
4.4.
de afnemer moet de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het getuigenverhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof opgeven;
4.5.
een partij die tijdens het getuigenverhoor nieuwe stukken wil indienen, moet het hof en de wederpartij daarvan uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een kopie sturen;
4.6.
het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. Schoemaker, S.C.P. Giesen en A.A.J. Smelt, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2025.
Voor zover Dexia en/of de afnemer in hoger beroep bij de memorie als productie een memorandum of een reactie daarop hebben overgelegd, stelt het hof vast dat deze producties geen bewijsstuk of productie zijn in de zin van artikel 1.2 aanhef en onder c van het Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (LPR), maar uitgebreide processtukken, met een uitvoerige toelichting op de standpunten, al dan niet onder verwijzing naar verdere bijlagen die bij deze producties zijn gevoegd. Voor het indienen van dergelijk processtukken, naast de memorie die de argumenten van Dexia en/of de afnemer bevat, bestaat geen ruimte. Bovendien is de maximumomvang van een memorie volgens het LPR 25 pagina’s. Overschrijding van die omvang – zoals door dit memorandum en de reactie daarop het geval is – vereist voorafgaande toestemming van het hof, die niet is gevraagd en dus ook niet is verleend. Een procespartij dient zijn bezwaren tegen de uitspraak in beginsel in zijn memorie gepreciseerd en gemotiveerd uiteen te zetten, niet door verwijzing naar een ander stuk. Op zo’n memorandum en de reactie daarop wordt daarom geen acht geslagen, met uitzondering van de daarbij overgelegde producties. Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 26 november 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7324, rov. 2.2 en Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7752, rov. 1.2. Een eventueel bij de kantonrechter overgelegd en toegelaten memorandum en een reactie daarop behoren tot het procesdossier en zijn in de beoordeling betrokken.
Zie HR 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1168.
Zie HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6106.
Vgl. onder meer HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6506.
Zie HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018.
Zie HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936.