Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-10-17
ECLI:NL:GHARL:2025:6448
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
1,480 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.352.162/01
CJIB-nummer
: 250125280
Uitspraak d.d.
: 17 oktober 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 14 februari 2025, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 200,25. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 136,05.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 267,- voor: “27 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 2 juni 2022 om 12:50 uur op de A12 rechts bij hectometerpaal 116.5 in Ede met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft de sanctie gematigd tot een bedrag van € 200,25 in verband met overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
3. De gemachtigde ontkent namens de betrokkene de gedraging, maar geeft hiervoor geen argumenten. De gegevens in het zaakoverzicht bieden voldoende grondslag voor de vaststelling van de gedraging. De enkele ontkenning van de gedraging is onvoldoende om hieraan te twijfelen. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
4. De gemachtigde voert verder aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat sprake is van samenhang, omdat de zaken qua aard van de gedraging en de beroepsgronden zeer verschillend zijn. Ook zijn de data waarop het beroep bij de kantonrechter is ingesteld zodanig afwijkend dat van samenhang geen sprake kan zijn, aldus de gemachtigde.
5. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) zijn samenhangende zaken door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.
6. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de onderhavige zaak samenhangt met vier andere zaken, waarin de gemachtigde ook als gemachtigde optrad en die gelijktijdig zijn behandeld op de zitting van de kantonrechter. De kantonrechter overweegt dat de sanctiebedragen in deze zaken alleen vanwege overschrijding van de redelijke termijn zijn gematigd en dat deze daarom als samenhangend in de zin van artikel 3 van het Bpb worden aangemerkt. Per zaak is een proceskostenvergoeding toegekend van € 136,05.
7. Naar het oordeel van het hof is dit onvoldoende om de zaken als samenhangend te beschouwen. Bij de beoordeling van de samenhang van zaken is niet van belang welke redenen de kantonrechter heeft om de betrokkene in het gelijk te stellen, maar zijn de aard en omvang van de door de gemachtigde verrichte werkzaamheden van belang (vgl. het arrest van het hof van 21 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:245).
8. De advocaat-generaal heeft bij het verweerschrift de zaakoverzichten en de beroepschriften van de betreffende zaken en de brieven met aanvullende gronden overgelegd. Het hof stelt op basis hiervan vast dat de (aangevulde) beroepschriften, die op 31 januari 2025 door de kantonrechter ter zitting zijn behandeld, nagenoeg identiek zijn aan elkaar. Hieraan doet niet af dat in deze zaken verschillende gedragingen aan de orde waren. Dat kan anders zijn indien op de verschillende zaken toegespitste gronden zijn aangevoerd, maar dat is hier niet het geval. De stellingen die de gemachtigde in elke zaak heeft ingenomen - dat de betrokkene de gedraging, de bevoegdheid van de verbalisant en de wettigheid van de bewijsmiddelen ontkent en dat het sanctiebedrag moet worden gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn- zijn daartoe te algemeen.
9. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de kantonrechter de zaken terecht als samenhangend in de zin van artikel 3 van het Bpb heeft aangemerkt, zij het op andere gronden. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook bevestigen met verbetering van gronden. Er is geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.