Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-10-16
ECLI:NL:GHARL:2025:6433
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
2,218 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001010-24
Uitspraak d.d.: 16 oktober 2025
Tegenspraak
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 1 maart 2024 met het parketnummer 18-018551-23 in de strafzaak inzake de verdachte
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 2 oktober 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van honderdtachtig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door negentig dagen hechtenis, waarvan tachtig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door veertig dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest.
Het gerechtshof heeft verder kennisgenomen van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D. Jakobs, hebben aangevoerd op de zitting in hoger beroep van 2 oktober 2025.
Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht
Het hoger beroep is gericht tegen het hierboven genoemde vonnis. In dat vonnis heeft de politierechter de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderdtachtig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door negentig dagen hechtenis, waarvan tachtig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door veertig dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest. De politierechter heeft voorts het onder de verdachte in beslag genomen mes verbeurdverklaard.
Het gerechtshof zal dat vonnis vernietigen omdat het gerechtshof tot een andere bewijsbeslissing komt dan de politierechter. Het gerechtshof zal daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, in de periode van 14 januari 2023 tot en met 17 januari 2023 te [plaats 1] [slachtoffer ] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer ] :
- met een mes, althans een scherp voorwerp, te prikken en/of snijden op de bil, althans op de rug en/of
- meermalen te slaan/stompen in het gezicht en/of op de schouders, althans op het lichaam en/of
- met kracht tegen een muur te gooien en/of te duwen.
Vrijspraak
Het gerechtshof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het gerechtshof baseert deze beslissing op het volgende.
De verdachte heeft ook in hoger beroep stellig ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan de vormen van mishandeling die aan hem zijn ten laste gelegd. De verdediging heeft vrijspraak bepleit op nader in de schriftelijke pleitnota aangevoerde gronden.
Uit het dossier blijkt dat aangeefster bekend is met een langdurig verleden van drugsverslavingsproblematiek en psychologische problematiek. Zij verblijft in verband hiermee op grond van een zorgmachtiging binnen Duurzaam Verblijf. Haar medicatie bestaat onder meer uit anti-psychotica. Op zaterdag 14 januari 2023 is zij zonder toestemming vertrokken uit [locatie] in [plaats 2] door tijdens een begeleid verlof weg te lopen.
Daarnaast blijkt uit de verklaring die aangeefster op 20 januari 2023 heeft afgelegd bij de politie dat zij op die dag vervolgens naar [plaats 1] is gegaan “om te gebruiken”. Zij is de verdachte, die zij al negen jaar kent en die haar dealer is, in [plaats 1] tegengekomen, is met hem meegegaan naar diens huis en heeft daar vervolgens, naar eigen zeggen, binnen een periode van negen uur negen bolletjes cocaïne gebruikt.
De persoonlijk begeleider van aangeefster, werkzaam in [locatie] in [plaats 2] , heeft bij de politie verklaard dat aangeefster bij haar terugkomst in [locatie] op dinsdag (het gerechtshof begrijpt: dinsdag 17 januari 2023) niet heel anders was dan ze normaliter is.
Er is nog een arts langsgekomen om haar medicatie weer te herstarten. Die arts heeft geen verwonding(en) gezien op de plek die aangeefster aangaf als de plek waar zij gesneden zou zijn.
Het gerechtshof stelt vast dat aangeefster gedurende haar afwezigheid uit [locatie] haar medicatie niet heeft ingenomen. Het gerechtshof leidt dit af uit het gegeven dat de arts aangeefster haar medicatie op 17 januari 2023 moest herstarten en de verklaring van verdachte in het verhoor bij de politie dat aangeefster niet haar medicatie bij haar heeft gehad toen zij bij hem kwam.
Het gerechtshof is van oordeel dat de combinatie aangeefsters stevige gebruik van cocaïne op zaterdag 14 januari 2023 en haar dagenlange onthouding van haar anti-psychotica medicatie een aanmerkelijk risico op destabilisatie van haar psyche vormt. Hetgeen aangeefster bij de politie heeft verklaard over de handelingen van de verdachte jegens haar gedurende haar verblijf bij hem in de ten laste gelegde periode, dient daarom naar het oordeel van het gerechtshof met de nodige behoedzaamheid te worden beoordeeld.
Het gerechtshof betrekt hierbij de omstandigheid dat aangeefster op twee verschillende dagen meerdere keren heeft aangegeven te willen stoppen met het afleggen van een verklaring bij de politie, omdat ze er klaar mee was. Op 18 januari 2023 heeft zij dit maar liefst op twaalf momenten gezegd. Tijdens het afleggen van een aanvullende verklaring op 20 januari 2023 heeft zij vier keer gezegd te willen stoppen. Op beide dagen is hiervan met name sprake wanneer de politie haar nader wil bevragen over wat er nu precies is gebeurd tussen de verdachte en haar.
Ook de beoordeling van het overige bewijsmateriaal dient naar het oordeel van het gerechtshof met de nodige behoedzaamheid te gebeuren. In navolging van de verdediging is óók voor het gerechtshof onduidelijk wanneer het forensisch onderzoek naar het letsel van aangeefster door drs. [naam] , forensisch arts KNMG, werkzaam bij de GGD Drenthe, nu precies heeft plaatsgevonden. Daarnaast past een deel van het letsel, dat in de letselrapportage van drs. [naam] is beschreven, niet goed bij de toedracht zoals aangeefster die heeft gegeven bij de politie. Het gerechtshof betrekt hierbij tevens de omstandigheid dat de arts die aangeefster kort na haar terugkeer in [locatie] in [plaats 2] heeft gezien, geen verwonding(en) heeft geconstateerd bij de bil van aangeefster.
Dat leidt ertoe dat het gerechtshof niet kan vaststellen of het letsel van aangeefster, dat in de letselrapportage is beschreven, is ontstaan tijdens de periode van enkele dagen die aangeefster bij de verdachte heeft verbleven.
Een ander aandachtspunt betreft het resultaat van het DNA-onderzoek. Ook hier wees de verdediging al op in het pleidooi en het gerechtshof verwijst naar hetgeen daarover is aangevoerd in de pleitnota. Het DNA-onderzoek heeft geleid tot de conclusie dat het sporenmateriaal, dat is aangetroffen op het lemmet van een onder de verdachte in beslag genomen mes en met welk mes aangeefster volgens haar zou zijn geprikt en/of gesneden, een DNA-profiel bevat dat overeenkomt met het DNA-profiel van aangeefster. Onbekend is echter wat de aard is van dat onderzochte sporenmateriaal.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
een zakmes met houten handvat met gouden uiteinden.
Aldus gewezen door
mr. J.A.M. Kwakman, voorzitter,
mr. T.H. Bosma en mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, raadsheren,
in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,
en op 16 oktober 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.