Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-10-14
ECLI:NL:GHARL:2025:6384
Civiel recht
Hoger beroep
2,301 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.356.897
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 435569
arrest in het incident van 14 oktober 2025
in de zaak van
[appellante] ( [appellante] )
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri
en
[geïntimeerde] ( [geïntimeerde] )
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. C.L. van Olst
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de rechtbank) op 9 april 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep inclusief grieven en een incidentele vordering op grond van artikel 351 Rv;
de conclusie van antwoord in het incident.
2De kern van de zaak
2.1.
Partijen zijn met elkaar in Iran gehuwd. In de huwelijksakte is een bruidsgave overeengekomen van 501 Bahar Azadi gouden munten. In 2020 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, waarna de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap bij beschikking door de rechtbank is vastgesteld. Het hof heeft deze beschikking grotendeels bekrachtigd. Een aantal jaar na het arrest van het hof is [geïntimeerde] bij verstek veroordeeld door de rechtbank in Iran tot betaling van 450 Bahar Azadi gouden munten.
2.2.
In de onderliggende procedure (hierna: de hoofdzaak) vorderen partijen over en weer betaling van bedragen die uit de verdeling voortvloeien. [appellante] heeft daarnaast gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot wat in het Iraanse vonnis is bepaald over de betaling van de gouden munten.
2.3.
De rechtbank heeft zowel een deel van de vorderingen van [appellante] als een deel van de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen en heeft [appellante] – na verrekening – veroordeeld tot betaling van € 59.705,05 aan [geïntimeerde] . De rechtbank heeft de veroordelingen in haar vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.4.
De rechtbank heeft onder andere beslist dat geen gezag wordt toegekend aan het Iraanse vonnis omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen op grond van artikel 431 lid 2 Rv. De rechtbank heeft daarbij onder andere in aanmerking genomen dat [geïntimeerde] zich volgens hem niet kon aanmelden bij de informatievoorziening richting procespartijen van de Iraanse rechterlijke macht, het zogenaamde Sana-systeem. Verder heeft de rechtbank onder andere bepaald dat [appellante] aan [geïntimeerde] een bedrag verschuldigd is dat ziet op de verkoopopbrengst van hun gezamenlijke woning in Iran. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat niet is komen vast te staan dat, zoals [appellante] stelt, [appellante] bevrijdend heeft betaald, mede omdat [geïntimeerde] aannemelijk heeft gemaakt dat op de gestelde datum van betaling de betreffende bankrekening al was opgeheven.
2.5.
[appellante] is in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis en heeft ook een incidentele vordering ingesteld op grond van artikel 351 Rv. Zij vordert de schorsing van de uitvoerbaarverklaring van dat vonnis gedurende de procedure in hoger beroep.
2.6.
Het hof zal de incidentele vordering van [appellante] tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring van het bestreden vonnis afwijzen en legt hierna uit hoe het tot dat oordeel is gekomen.
3De toelichting op de beslissing van het hof
Het juridisch kader
3.1.
Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de veroordeelde partij om de situatie te houden zoals die was voordat de uitspraak werd gedaan, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen in het vonnis van de rechtbank en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid van de uitspraak verbinden. Ook kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen als zich na de bestreden uitspraak nieuwe feiten hebben voorgedaan waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden. Die feiten moeten wel kunnen rechtvaardigen dat van de bestreden uitspraak wordt afgeweken.
Geen kennelijke juridische of feitelijke misslag
3.2.
Volgens [appellante] is het vonnis gebaseerd op een feitelijke en juridische misslag. Volgens haar moet de rechtbank gezag aan het Iraanse vonnis toekennen of de vordering geheel opnieuw behandelen. Bovendien, zo stelt [appellante] , is de wisselkoers verkeerd ambtshalve toegepast door de rechtbank.
3.3.
Zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.1 blijft de kans van slagen van het hoger beroep in beginsel buiten beschouwing. Dit is anders als sprake is van een overduidelijke vergissing. Dat wil zeggen dat al op het eerste gezicht, dus zonder relevant nader feitelijk of juridisch onderzoek, zonder meer duidelijk is dat een feitelijk of juridisch oordeel in een bepaalde rechtsoverweging onjuist is. Bij geen van de door [appellante] aangevoerde argumenten is sprake van zo’n duidelijke vergissing. Voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank gezag aan het Iraanse vonnis had moeten toekennen of de vordering geheel opnieuw had moeten behandelen, is een inhoudelijke beoordeling noodzakelijk. Die inhoudelijke beoordeling moet plaatsvinden in de hoofzaak en valt buiten de reikwijdte van dit incident. Dit geldt ook voor de beoordeling van de stelling van [appellante] dat de rechtbank de wisselkoers onjuist heeft toegepast.
Belangenafweging
3.4.
Verder heeft [appellante] aangevoerd dat haar belang bij het schorsen van het vonnis, zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerde] bij de tenuitvoerlegging daarvan. [appellante] stelt daartoe dat sprake is van een noodtoestand. Volgens haar kan zij het door de rechtbank toegewezen bedrag op geen enkele wijze voldoen. [appellante] stelt dat het (inmiddels op verzoek van [geïntimeerde] gelegde) loonbeslag haar als alleenstaande moeder met twee kinderen wonend in een relatief dure flat in ernstige financiële problemen brengt en dat de kans bestaat dat – als de tenuitvoerlegging van het vonnis niet geschorst zal worden – zij dak- of werkloos zal raken. Verder voert [appellante] aan dat zij zowel emotioneel als financieel alle verantwoordelijkheid draagt voor de kinderen van partijen en dat de confrontatie met de deurwaarder bij beide kinderen heftige psychische reacties heeft veroorzaakt.
3.5.
Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat het belang van [appellante] bij de schorsing van het vonnis zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerde] om het vonnis uit te voeren. Daarbij stelt het hof voorop dat bij een veroordeling tot betaling van een geldsom het belang van de schuldeiser ( [geïntimeerde] ) bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in beginsel is gegeven. Zijn belang is erin gelegen dat hij niet op de hem, op basis van het bestreden vonnis, toekomende geldsommen hoeft te wachten totdat de veroordelingen in het vonnis onherroepelijk zijn geworden.
Dictum
Het hof:
in het incident
4.1.
wijst de vordering af;
4.2.
veroordeelt [appellante] tot betaling van de proceskosten in het incident van [geïntimeerde] ter hoogte van € 1.214,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (1 procespunt x tarief II).
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.3.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, C.M.E. Lagarde en C. Bakker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2025.
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:2026)
HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688