Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-10-13
ECLI:NL:GHARL:2025:6368
Strafrecht; Strafprocesrecht
Wraking
523 tokens
Procesverloop
Door verzoeker is bij e-mail van 25 september 2025 (voorwaardelijk) om wraking verzocht in de beklagzaak K25/210621. De wrakingskamer leest in de e-mail dat het (voorwaardelijke) wrakingverzoek is gericht tegen de leden van de beklagkamer die zijn aangewezen om het klaagschrift met klachtnummer K25/210621 te behandelen.
De wrakingskamer stelt vast dat uit de stukken blijkt dat verzoeker een klaagschrift heeft ingediend dat door de administratie van de beklagkamer is verwerkt en dat vervolgens bij het openbaar ministerie de onderliggende stukken zijn opgevraagd (om daarover schriftelijk verslag te doen, als bedoeld in artikel 12a lid 2 van het Wetboek van Strafvordering). Na ontvangst van het schriftelijk verslag zal de zaak toegedeeld worden aan een of meer raadsheren voor de behandeling van de zaak.
In de zaak met klachtnummer K25/210621 is nog geen zittingsdatum bepaald en is nog niet bekend welke raadsheer/raadsheren de zaak zal/zullen gaan behandelen.
Volgens artikel 4, tweede lid, van het Wrakingsprotocol van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden kan de wrakingskamer het verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting aanstonds ongegrond of niet-ontvankelijk verklaren indien het verzoek geen betrekking heeft op de met de behandeling van de zaak belaste rechter. De wrakingskamer stelt vast dat op dit moment nog niet bekend is welke raadsheer/raadsheren bovengenoemde beklagzaak zal/zullen gaan behandelen. Gelet op het vorenstaande is het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond.
Op grond van het hiervoor overwogene komt de wrakingskamer aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek niet toe en kan worden volstaan met een schriftelijke afdoening van het verzoek.
Dictum
Het hof:
Verklaart het verzoek tot wraking ongegrond.Aldus gewezen door
mr. M. Keppels, voorzitter,
mr. J. Sap en mr. F.J. de Vries, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.D. Mavus-ten Elshof, griffier,
en op 13 oktober 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.