Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-02-06
ECLI:NL:GHARL:2025:621
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
1,795 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.342.528/01
CJIB-nummer
: 249560575
Uitspraak d.d.
: 6 februari 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 1 mei 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en het bedrag van de sanctie gematigd tot € 187,50. Voorts heeft de kantonrechter bepaald dat hetgeen door de betrokkene te veel tot zekerheid is gesteld aan hem wordt terugbetaald en het verzoek om een proceskostenvergoeding toegewezen tot een bedrag van € 437,50.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “Voertuig heeft geen buitenspiegels, bij een beperkt zicht door lading of een achter het voertuig gekoppelde aanhangwagen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 mei 2022 om 16:05 uur op de Goudsestraatweg (N459) in Reeuwijk met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie met 25 procent gematigd tot € 187,50 wegens schending van de hoorplicht.
3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de gedraging niet kan worden vastgesteld. Extra buitenspiegels zijn namelijk pas vereist indien het gezichtsveld van de bestuurder wordt beperkt door de caravan. Op de door de ambtenaar genomen foto is door de slechte weersomstandigheden nauwelijks iets te zien, zodat op basis daarvan niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een beperkt zicht. Ook op basis van de verklaring van de ambtenaren kan dit niet worden vastgesteld. De ambtenaren hebben namelijk slechts verklaard dat de caravan breder was dan het trekkend voertuig, maar zij hebben het gezichtsveld vanuit het trekkend voertuig niet zelf onderzocht.
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Wij zagen dat de bestuurder van het betrokken voertuig reed met een caravan achter het voertuig dat breder was dan het voertuig zelf. Wij zagen dat de breedte van de caravan 210 centimeter was, het voertuig 183 centimeter breed was en het voertuig inclusief de spiegels 210 centimeter breed was. Derhalve is het ons bekend dat het onmogelijk is om door de zijspiegels voldoende zicht achter het voertuig te hebben. Terwijl wij achter het voertuig reden heb ik een foto genomen waarop de caravan te zien is en ook te zien is dat de zijspiegels van het trekkende voertuig niet buiten de caravan uitsteken.”
6. De door de ambtenaar genomen foto bevindt zich in het dossier. Op deze foto is de achterzijde van een caravan te zien. Of de zijspiegels van het trekkend voertuig al dan niet buiten de caravan uitsteken is op deze foto niet duidelijk te zien.
7. Voorts bevindt zich in het dossier de in hoger beroep door de advocaat-generaal overgelegde verklaring van de ambtenaar, waarin zakelijk weergegeven staat dat hij zich deze specifieke zaak niet meer kan herinneren, maar dat hij altijd een rolmaat in zijn jas heeft zitten en dat de in het zaakoverzicht genoemde maten niet in het RDW-register of in andere openbaar toegankelijke bronnen staan vermeld, zodat hij ervan uitgaat dat hij deze destijds daadwerkelijk heeft opgemeten.
8. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 5.18.5, tweede lid, van de Regeling voertuigen, waarin is bepaald dat indien het gezichtsveld van de voor voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort voorgeschreven spiegels of camera-monitorsystemen wordt beperkt door lading die aan de achterzijde van het voertuig is aangebracht of door een door het voertuig voortbewogen aanhangwagen, met inbegrip van de lading, het voertuig moet zijn voorzien van een linker- onderscheidenlijk rechterbuitenspiegel of camera-monitorsystemen waarmee de bestuurder een in bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6, vastgesteld weggedeelte kan overzien.
9. Het hof ziet in hetgeen door de gemachtigde is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaren dat de caravan die door het voertuig werd voortbewogen breder was dan het voertuig zelf. Op basis daarvan hebben de ambtenaren kunnen concluderen dat sprake was een beperkt gezichtsveld. Dat de ambtenaren niet zelf het gezichtsveld vanuit het trekkend voertuig hebben onderzocht, maakt dit niet anders. Geen rechtsregel vereist dat een ambtenaar zelf op de bestuurdersstoel van het voertuig moet plaatsnemen om te kunnen constateren dat het gezichtsveld van de spiegels wordt beperkt door de caravan die door dat voertuig wordt voortbewogen. Nu sprake was van een beperkt gezichtsveld, moest het voertuig zijn voorzien van extra buitenspiegels. Dit was niet het geval. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
10. Het voorgaande brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter zal worden bevestigd. Voor het toekennen van een proceskostenvergoeding in hoger beroep bestaat geen aanleiding.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.