Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-10-02
ECLI:NL:GHARL:2025:6039
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
1,368 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004416-24
Uitspraak d.d.: 2 oktober 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 9 oktober 2024 met parketnummer 16-053096-24 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
thans gedetineerd uit anderen hoofde in de PI [locatie] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 september 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens de verdachte door zijn raadsman, mr. B.J. de Pree, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter heeft bij vonnis van 9 oktober 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en zal daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 19 november 2023 te [plaats] , in een woning of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten aan de [adres] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, goederen, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.
Vrijspraak
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Daartoe heeft zij aangevoerd dat op grond van de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen in het vonnis van 9 oktober 2024 bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde diefstal met braak.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit ter zake van het tenlastegelegde feit.
Oordeel van het hof
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof ter zake van het tenlastegelegde feit het volgende vast.
Op de buitenzijde van het raam van de woning aan de [adres] te [plaats] is door de politie een patroon van vegen en verstoringen aangetroffen, waarvan vermoed wordt dat het is veroorzaakt door een handschoen. De politie heeft van dit patroon monsters genomen voor verder DNA-onderzoek naar epitheel. Uit dit onderzoek is gebleken dat sprake is van een DNA-mengprofiel, met de verdachte als mogelijke (hoofd)donor van het celmateriaal.
Er zijn epitheel DNA-sporen aangetroffen op de plaats van handschoensporen. Naar het oordeel van het hof is niet onaannemelijk dat bij de inbraak handschoenen zijn gebruikt en het aangetroffen DNA-spoor daar via overdracht terecht is gekomen. Nu het DNA-spoor bovendien een DNA-mengspoor betreft, kan naar het oordeel van het hof niet zonder meer worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die de aangetroffen epitheel DNA-sporen ten tijde van de inbraak op het raam heeft achtergelaten. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat, gelet op voornoemde omstandigheden, geen sprake is van een situatie waarin van de verdachte mag worden verwacht dat hij een aannemelijke, alternatieve verklaring geeft voor de aangetroffen DNA-sporen bij de woning.
Nu het dossier niet meer bewijs voor de aanwezigheid van verdachte bij of in de woning aan de [adres] ten tijde van de inbraak bevat, is het hof van oordeel dat hierdoor het wettige bewijs voor het tenlastegelegde feit ontbreekt en spreekt de verdachte daarom hiervan vrij.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, voorzitter,
mr. T.H. Bosma en mr. P.L.M van Gorkom, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.M.J. Flach, griffier,
en op 2 oktober 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.