Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2025-09-30
ECLI:NL:GHARL:2025:5979
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof: 200.355.065 zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 25/268 arrest van 30 september 2025 in de zaak van [appellante] ( [appellante] ) die woont in [woonplaats] advocaat: mr. M.P. Smit 1 De procedure bij de rechtbank De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen (hierna: de rechtbank), heeft bij vonnis van 21 mei 2025 het verzoek van [appellante] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: wsnp) afgewezen. Het hof verwijst naar dat vonnis. 2 De procedure bij het hof 2.1. Bij (op 27 mei 2025 bij het hof binnengekomen) beroepschrift heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 21 mei 2025. De bedoeling van het hoger beroep van [appellante] is dat zij alsnog zal worden toegelaten tot de wsnp. 2.2. Het hof heeft naast het beroepschrift met bijlagen kennisgenomen van: de op 8 augustus 2025 door mr. Smit ingediende aanvullende stukken; de op 18 september 2025 door mr. Smit ingediende aanvullende stukken. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 september 2025. Hierbij is [appellante] verschenen, bijgestaan door mr. Smit. Verder is mevrouw [beschermingsbewindvoerder] (hierna: de beschermingsbewindvoerder) verschenen. 3 De toelichting op de beslissing van het hof Feiten en het oordeel van de rechtbank 3.1. [appellante] , 36 jaar oud, woont momenteel bij haar ouders te [woonplaats] . In verband met co-ouderschap wonen haar twee minderjarige kinderen om de week bij [appellante] in diezelfde woning. [appellante] is in april 2019 een eenmanszaak gestart, waarin zij zich voornamelijk bezighield met het verkopen van shea butter. In januari 2025 heeft [appellante] haar onderneming verkocht en zichzelf uitgeschreven uit het handelsregister. Momenteel werkt [appellante] vijf uur in de week in loondienst bij haar voormalige onderneming. Zij ontvangt daarvoor € 600,04 netto per maand. Daarnaast ontvangt [appellante] nog inkomsten (op provisiebasis) voor het verkopen van oliën. Volgens [appellante] is zij wegens medische redenen niet in staat om meer te werken. Sinds 23 juni 2025 staat [appellante] onder beschermingsbewind. 3.2. Volgens de recentste crediteurenlijst heeft [appellante] een totale schuldenlast van ruim € 96.000,- waaronder een schuld van in totaal € 28.482,- aan de Belastingdienst, een schuld van € 12.445,71 aan Volkswagen Pon, een schuld van € 9.616,- aan Bridgefund en een schuld van € 15.000,- aan [naam1] . De schulden houden voornamelijk verband met de onderneming van [appellante] . 3.3. De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] afgewezen omdat zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek niet te goeder trouw is geweest. Volgens de rechtbank zijn in 2024 en 2025 nog schulden ontstaan via de voormalige onderneming van [appellante] . [appellante] wist of had moeten weten dat zij haar betalingsverplichting toen al niet meer kon nakomen. Bovendien heeft [appellante] zelf verklaard dat zij niet goed wist waar zij mee bezig was. Er is volgens de rechtbank sprake van onverantwoord ondernemerschap. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] op de hardheidsclausule afgewezen. Daartoe overweegt de rechtbank dat een afdoende verklaring voor het niet solliciteren naar een fulltime baan wegens medische redenen ontbreekt. Bovendien is [appellante] volgens de rechtbank nog steeds aan haar voormalige onderneming verbonden. Het is onvoldoende gebleken dat [appellante] de omstandigheden die hebben geleid tot de schuldensituatie nu onder controle heeft, aldus de rechtbank. De beoordeling door het hof De goede trouw 3.4. Op grond van artikel 288 lid 1 onder b Faillissementswet (hierna: Fw) is het aan [appellante] om aannemelijk te maken dat zij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is gew