Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-02-04
ECLI:NL:GHARL:2025:595
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
2,141 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
nummers BK-ARN 24/86 en 87
uitspraakdatum: 4 februari 2025
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] N.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 november 2023, nummers LEE 22/2094 en 22/2095 in het geschil tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Noardeast-Fryslân (hierna: de heffingsambtenaar)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van twee onroerende zaken in de gemeente Noardeast-Fryslân voor het jaar 2021 vastgesteld. Tegelijk met deze beschikkingen zijn voor dat jaar de aanslagen onroerendezaakbelasting opgelegd.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar de beschikkingen en de aanslagen gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, maar wegens overschrijding van de redelijke termijn wel een vergoeding van immateriële schade toegekend. Tevens heeft de Rechtbank een vergoeding van proceskosten (€ 837) vastgesteld en de betaling daarvan gelijkelijk verdeeld over de Minister voor Rechtsbescherming (nu: de Minister van Justitie en Veiligheid) en de heffingsambtenaar.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting zou plaatsvinden op 12 november 2024. Kort daarvoor heeft belanghebbende in haar brief van 8 november 2024 laten weten dat het geschil enkel het niet vergoeden van het griffierecht betreft. Zij heeft daarom verzocht haar hoger beroep niet mondeling te laten behandelen. Hiermee heeft de heffingsambtenaar ingestemd. De mondelinge behandeling is vervolgens niet doorgegaan.
1.6.
In zijn brief van 11 november 2024 heeft het Hof partijen tot 4 december 2024 de gelegenheid gegeven er onderling uit te komen. Daarin zijn zij niet geslaagd.
Feiten
2.1.
Het in beroep betaalde griffierecht is € 365 voor de zaak met nummer 22/2094 en € 365 voor de zaak met nummer 22/2095.
2.2.
Wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Rechtbank een vergoeding van immateriële schade vastgesteld. Daarbij heeft de Rechtbank alleen een proceskostenvergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld. Zij heeft in de omstandigheid dat het verzoek om immateriële schadevergoeding is gedaan gedurende het beroep ex artikel 8:91, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht en daarom volgens artikel 8:94, lid 2, van die wet geen griffierecht verschuldigd was, reden gezien om het griffierecht niet te laten vergoeden.
2.3.
Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld. In haar brief van 8 november 2024 heeft belanghebbende te kennen gegeven dat het geschil in hoger beroep enkel het niet vergoeden van het griffierecht betreft.
Geschil
3.1.
In hoger beroep is de vraag in geschil of de Rechtbank terecht geen vergoeding voor het griffierecht heeft vastgesteld.
3.2.
Belanghebbende beantwoordt de vraag ontkennend, de heffingsambtenaar bevestigend.
Overwegingen
Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat het griffierecht niet diende te worden vergoed. Het Hof sluit zich aan bij hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1 en 7.1.2. Aangezien het verzoek van belanghebbende om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg voldoet aan de voorwaarden die zijn genoemd in rechtsoverweging 7.1.2 van dit arrest, en deze overschrijding van de redelijke termijn gelijkelijk is toe te rekenen aan de heffingsambtenaar en aan de Rechtbank, zal de heffingsambtenaar en de Staat worden opgedragen het voor het instellen van het beroep betaalde griffierecht aan belanghebbende, ieder voor de helft, te vergoeden.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.
5Griffierecht en proceskosten
5.1.
Aangezien het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
5.2.
De Rechtbank heeft de kosten voor de behandeling van het bezwaar en het beroep vastgesteld op € 837. Daartegen zijn in hoger beroep geen grieven aangevoerd, zodat het Hof deze in stand laat.
5.3.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 226,75 (voor het hoger beroep 1 punt (hogerberoepschrift) x wegingsfactor 0,25 x € 907).
Dictum
Het Hof:
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, behalve voor zover de heffingsambtenaar en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) niet zijn opgedragen het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden,
gelast dat de heffingsambtenaar het in beroep betaalde griffierecht van € 365 aan belanghebbende vergoedt,
gelast dat de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) het in beroep betaalde griffierecht van € 365 aan belanghebbende vergoedt,
veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 226,75 en
gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 548 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. J.W. Keuning, en mr. T. Tanghe, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter,
(K. de Jong-Braaksma) (R.A.V. Boxem)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.